Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC6679

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
974-R-05
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling. Loyaliteitsproblemen kunnen meebrengen dat er een zwaarwegend belang bij het kind ontstaat dat er toe leidt omgang te ontzeggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 6 februari 2008

Rekestnummer. : 974-R-05

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 03-128

[De vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. E.A.C. van Kempen,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder.

Als informant is aangemerkt:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: de Raad.

HET VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 15 februari 2006, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij die beschikking heeft het hof de Raad verzocht een onderzoek te verrichten. Voorts is bepaald dat er in het kader van voormeld onderzoek een zestal proefcontacten tussen [de minderjarige] en de vader zal plaatsvinden, waarvan tenminste de eerste drie onder begeleiding. Tevens is bepaald dat de contacten zullen plaatsvinden op door de ouders en de Raad in onderling overleg te bepalen dagen en tijdstippen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Het raadsrapport van 20 april 2007 is bij het hof op 8 augustus 2007 ingekomen.

Op 19 december 2007 is de mondelinge behandeling van de zaak voortgezet. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. F.H. Gart, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. M.P.G. Rietbergen. Namens de Raad is verschenen de heer H. Meulenbeek. De verschenen personen hebben het woord gevoerd.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Uit de rapportage van de Raad ter zake van de proefcontacten tussen de vader en [de minderjarige] blijkt onder meer dat de vader een proefcontact met [de minderjarige] heeft gehad.

2. Over dit proefcontact heeft de Raad als volgt gerapporteerd: “Tijdens het eerste en enige proefcontact met de vader heeft [de minderjarige] geen woord met de vader gewisseld en na tien minuten wilde zij niet langer aan het proefcontact deelnemen. Tijdens een gesprek met de in het onderzoek op consultatieve wijze betrokken gedragsdeskundige is [de minderjarige] niet van mening veranderd. Als de situatie doorbroken moet worden zal er intensieve hulpverlening en begeleiding geboden moeten worden. Mogelijk krijgt [de minderjarige] op een later tijdstip wel behoefte aan contact met haar vader of behoefte om in ieder geval haar boosheid te uiten jegens haar vader. [De minderjarige] is er op dit moment niet aan toe om het contact met de vader aan te gaan”.

De Raad concludeert in het rapport dat de omgang van [de minderjarige] met de vader in strijd is met zwaarwegende belangen van [de minderjarige] omdat uit het raadsonderzoek is gebleken dat het contact met de vader veel spanning, weerstand en verzet bij [de minderjarige] veroorzaakt. Op dit moment lijkt het de Raad niet in het belang van [de minderjarige] om deze contacten af te dwingen en zal dit eerder een averechts effect hebben op de relatie met de vader. De Raad adviseert de omgang tussen de vader en [de minderjarige] te ontzeggen, omdat omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van [de minderjarige].

3. Ter zitting heeft de vader verklaard dat hij graag contact wil met zijn dochter en dat hij zeer blij was met het proefcontact, maar dat het voor [de minderjarige] geen spanningen moet gaan opleveren. Uit eerdere rapporten blijkt dat er vroeger goede contacten tussen de vader en [de minderjarige] waren en dat contactgroei mogelijk is. De vader is van mening dat hij stelselmatig wordt tegengewerkt door de Raad.

4. De moeder heeft ter zitting verklaard dat het belang van het kind voorop staat. De moeder begrijpt dat de vader [de minderjarige] heel graag wil zien maar zij wil haar dochter alle ruimte geven. Voor [de minderjarige] is duidelijkheid nodig. De moeder acht het op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] dat zij contact heeft met de vader.

5. De heer Meulenbeek heeft namens de Raad ter zitting verklaard te volharden bij het advies om de omgang tussen de vader en [de minderjarige] te ontzeggen. Daartoe voert de heer Meulenbeek het volgende aan. Er is veel weerstand bij [de minderjarige]. Zij heeft een duidelijk standpunt ingenomen en het heeft geen zin om een tweede of een derde contact te beproeven. Daarbij betrekt hij dat ook in het omgangshuis al contacten zijn beproefd. De heer Meulenbeek acht het uitgesloten dat er sprake is van een gril van [de minderjarige] en de betekenis van het enige proefcontact bij de Raad blijft daarom niet beperkt tot die van een momentopname.

6. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en overweegt het volgende.

Uit het overgelegde rapport en het verhandelde ter terechtzitting blijkt van grote weerstand van [de minderjarige] tegen contact met haar vader. Het proefcontact heeft geen (verdere) contactgroei tussen [de minderjarige] en de vader tot stand gebracht. Gezien haar reactie op het proefcontact zal dwang tot omgang met de vader het tegenovergestelde effect hebben van wat de vader beoogt. Uit het raadsrapport blijkt ook dat [de minderjarige] in een ernstig loyaliteitsconflict verkeert vanwege het feit dat de moeder niet in staat is om het contact tussen [de minderjarige] en de vader te ondersteunen. Volgens de Raad is het aangaan van contact met de vader voor [de minderjarige] onder die omstandigheden een zware belasting. In dit verband is van belang dat [de minderjarige] tijdens het proefcontact heeft aangegeven geen contact meer met de vader te wensen. Het hof is van oordeel dat het onder deze omstandigheden thans forceren van omgang tussen de vader en [de minderjarige]- in welke vorm dan ook – de draagkracht van [de minderjarige] te boven gaat en derhalve in strijd is met zwaarwegende belangen van [de minderjarige]. Het hof oordeelt dat deze zwaarwegende belangen van [de minderjarige] vergen dat er in de band die zij onmiskenbaar met haar vader heeft thans rust wordt gecreëerd en dat na een periode van rust eventueel weer ruimte kan ontstaan voor hernieuwde belangstelling van [de minderjarige] voor contact met haar vader.

7. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt er toe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd, zij het - gelet op rechtsoverweging 6 - onder verbetering van gronden.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Fockema Andreae-Hartsuiker, Van Leuven en Bouritius, bijgestaan door mr. Steenks als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2008.