Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC6674

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
1658-M-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing beëindigd. Jeugdzorg maakt toezeggingen aan de kinderrechter voor onderzoek niet waar. Hof kan niet vaststellen of noodzaak nog bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 6 februari 2008

Rekestnummer : 1658-M-07

Rekestnr. rechtbank : JE RK 07-593

[De vader],

en

[de moeder],

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers in hoger beroep,

hierna tezamen te noemen: de ouders,

procureur mr. W. Heemskerk,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zeeland,

kantoor houdende te Middelburg,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als informant is aangemerkt:

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging Middelburg,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De ouders zijn op 19 november 2007 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 31 oktober 2007 van de kinderrechter in de rechtbank te Middelburg.

Jeugdzorg heeft op 13 december 2007 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de ouders zijn bij het hof op 11 december 2007 aanvullende stukken ingekomen.

De raad heeft het hof bij brief van 9 januari 2008, met als bijlage het raadsrapport van 29 mei 2007, laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen,

Op 23 januari 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de ouders, bijgestaan door hun advocaat, mr. C.L. de Koeijer, en namens Jeugdzorg: de heer R. Annard. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikkingen van 21 juni 2007 en 7 september 2007 van de kinderrechter in de rechtbank te Middelburg.

- Bij de beschikking van 21 juni 2007 heeft de kinderrechter de machtiging tot spoedplaatsing van [de minderjarige], geboren [in] 2004, verder: [de minderjarige], bij een pleegouder verleend met ingang van 21 juni 2007 en tot 21 september 2007.

- Bij de opvolgende beschikking van 7 september 2007 heeft de kinderrechter de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij een pleegouder verlengd met ingang van 21 september 2007 en tot 1 november 2007.

- Bij de opvolgende – bestreden - beschikking heeft de kinderrechter - onder meer - de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd met ingang van 1 november 2007 tot 1 maart 2008.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verlenging van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige], met ingang van 1 november 2007 en tot 1 maart 2008. [De minderjarige] verblijft in een pleeggezin. De ouders hebben gezamenlijk het gezag over hem.

2. De ouders verzoeken de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van Jeugdzorg tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige], af te wijzen.

3. Jeugdzorg bestrijdt hun beroep en verzoekt – zo begrijpt het hof - de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Ter toelichting op hun hoger beroep stellen de ouders dat de kinderrechter ten onrechte de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] heeft verlengd. De ouders betogen daartoe dat de veiligheid van [de minderjarige] in de thuissituatie voldoende gewaarborgd is. Uit de bezoekmomenten komt volgens de ouders duidelijk naar voren dat de interactie tussen hen en [de minderjarige] goed is. Daarnaast zijn de ouders bereid om hulpverlening (onder andere via thuiszorgorganisatie [naam organisatie] en de hulpverlenende instelling [naam instelling]) in te zetten in de thuissituatie. Bovendien zijn de gemoederen in de straat bedaard. Voorts klagen de ouders dat de overeengekomen onderzoeken niet hebben plaatsgevonden althans niet plaatsvinden overeenkomstig de uitspraak van de kinderrechter. De ouders stellen zich dan ook op het standpunt dat de wijze waarop Jeugdzorg in deze zaak zijn taken uitvoert in strijd is met artikel 8 EVRM. Immers, ter terechtzitting van 7 september 2007 heeft Jeugdzorg aangegeven akkoord te gaan met een onderzoek door een intern gedragsdeskundige van Jeugdzorg. De kinderrechter heeft vervolgens de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd ten behoeve van dit onderzoek. Ter terechtzitting van 25 oktober 2007 heeft Jeugdzorg verklaard dat een onderzoek door een gedragsdeskundige niet tot de mogelijkheden behoort, maar dat extern onderzoek dient plaats te vinden door Ambulatorium. Jeugdzorg heeft vervolgens de kinderrechter op 29 oktober 2007 nog schriftelijk geïnformeerd dat het gevraagde onderzoek bij het Ambulatorium onmiddellijk wordt gestart en dat dit onderzoek drie maanden zal duren. Echter, uit het verweerschrift van Jeugdzorg blijkt dat de nieuwe gezinsvoogd pas na het kennismakingsgesprek van 15 november 2007 stappen heeft ondernomen om het onderzoek van het Ambulatorium te doen aanvangen. Tevens is de onderzoeker, in tegenstelling tot de in het verweerschrift geplande benoeming op 5 december, nog steeds niet benoemd. Daarnaast heeft het onderzoek naar de interactie tussen de ouders en [de minderjarige] evenmin plaatsgevonden, maar wordt door Jeugdzorg op basis van de bezoekmomenten geconcludeerd dat de interactie tussen de ouders en [de minderjarige] goed verloopt.

5. Jeugdzorg heeft zich verweerd. Jeugdzorg voert aan dat er sprake dient te zijn van een goed inzicht in de opvoedingsvaardigheden en behoefte aan mogelijke opvoedingsondersteuning in de thuissituatie van de ouders, zoals nu door het Ambulatorium onderzocht zal worden, om er zeker van te zijn dat de ouders [de minderjarige] zullen bieden wat hij nodig heeft en om de kans op een eventuele herhaling van een uithuisplaatsing te verkleinen. Ter terechtzitting heeft Jeugdzorg verklaard dat het steeds beter gaat met de ontwikkeling van [de minderjarige]. Hij is zindelijk, groeit goed en slaapt goed. Er is een duidelijke betrokkenheid van de ouders op [de minderjarige]. Er zijn nog wel spanningen tussen de ouders onderling. Jeugdzorg meent dat een besluit om [de minderjarige] terug te plaatsen niet te lichtvaardig genomen moet worden, nu [de minderjarige] reeds eerder is teruggeplaatst en de situatie toen snel escaleerde. Het externe onderzoek is helaas nog niet gestart.

6. Uit het rapport van de raad van 29 mei 2007 is gebleken dat de problemen van [de minderjarige] zo ernstig zijn dat een kinderbeschermende maatregel in de vorm van een ondertoezichtstelling geïndiceerd is. Er is immers gebleken dat de geestelijke belangen en de gezondheid van de minderjarige ernstig worden bedreigd. Andere middelen ter afwending van het bovenstaande zullen voorzienbaar falen. De raad acht het daarbij in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] dat hij gedurende dag en nacht uit huis wordt geplaatst. De raad heeft de rechtbank verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing bij een pleeggezin met betrekking tot [de minderjarige] te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

7. Het hof stelt voorop dat een machtiging tot uithuisplaatsing slechts mag worden verlengd indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:261 lid 1 BW, nog altijd bestaan. De rechter zal moeten onderzoeken of de machtiging tot uithuisplaatsing nog altijd noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. De rechter zal daarbij als uitgangspunt nemen dat in beginsel het uiteindelijke doel van een ondertoezichtstelling met een gelijktijdige uithuisplaatsing is dat de minderjarige terugkeert bij de ouders, en dat de ouders optimaal dienen te worden voorbereid en dat er ook actief dient te worden gewerkt aan een situatie waar binnen de kans van slagen zo groot mogelijk is.

8. De uithuisplaatsing is ingegaan op 21 juni 2007. Zowel bij beschikking van 7 september 2007 als bij beschikking van 1 november 2007 is de uithuisplaatsing verlengd teneinde door Jeugdzorg toegezegde onderzoeksresultaten omtrent de opvoedingsvaardigheden van de ouders af te wachten. Na de eerstgenoemde beschikking heeft Jeugdzorg, in tegenstelling tot hetgeen ter terechtzitting was medegedeeld, besloten om niet een intern maar een extern onderzoek te doen plaatsvinden. Evenwel was dit bij de daaropvolgende terechtzitting nog altijd niet aangevangen, maar heeft Jeugdzorg de rechtbank na de terechtzitting schriftelijk medegedeeld dat het externe onderzoek direct zou kunnen aanvangen en dan drie maanden zou duren. De rechtbank heeft mede op grond van deze informatie wederom tot een (verkorte) verlenging besloten. Ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de aanvraag voor het onderzoek veel later dan schriftelijk aan de rechtbank was toegezegd bij het Ambulatorium is ingediend en dat er geen zicht is op de datum waarop dit onderzoek zal zijn afgerond. Dit betekent dat bij de reeds geplande zitting van de rechtbank, op 22 februari 2008, deze informatie niet beschikbaar zal zijn. Het hof acht deze handelswijze van Jeugdzorg onzorgvuldig jegens de ouders. Voorts overweegt het hof dat dientengevolge niet is komen vast te staan dat de gronden voor de uithuisplaatsing nog altijd aanwezig zijn. In deze situatie kan dan ook in redelijkheid niet langer worden gewacht op onderzoeksresultaten, althans dit kan van de ouders niet worden gevergd. Daarbij neemt het hof in overweging dat de ondertoezichtstelling gehandhaafd blijft, zodat toezicht is gewaarborgd. Ter terechtzitting is door beide partijen bevestigd dat de ouders een goede werkrelatie hebben opgebouwd met de huidige gezinsvoogd en zij hebben toegezegd zijn instructies te zullen opvolgen en hun medewerking aan hulpverlening te verlenen. Ook zal thuiszorgorganisatie [naam organisatie], zoals door Jeugdzorg in het verweerschrift is gesteld en ter zitting bevestigd, direct met hulpverlening in de thuissituatie kunnen starten, zodra [de minderjarige] weer thuis zal zijn. Verder acht het hof van belang dat Jeugdzorg heeft vastgesteld dat de ouders zeer betrokken zijn bij [de minderjarige] en dat zij goed bij hem aansluiten.

9. Uit het voorgaande volgt dat de bij bestreden beschikking verleende machtiging tot plaatsing van [de minderjarige] bij een pleegouder dient te worden ingetrokken. De bestreden beschikking dient dan ook te worden vernietigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking met betrekking tot de verlenging van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] en, in zoverre opnieuw beschikkende:

trekt de machtiging tot verlenging van de duur van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin in met ingang van 6 februari 2008;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Mink en Hulsebosch, bijgestaan door mr. de Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2008.