Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC6539

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
812-D-07
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BI2039, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BI2039
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht Wet Werk en Bijstand; ontvankelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 68
AR-Updates.nl 2008-0169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 13 februari 2008

Rekestnummer : 812-D-07

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-8396

[De man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. drs. R.A. van der Hansz,

tegen

REGIONALE SOCIALE DIENST ALBLASSERWAARD-OOST/VIJFHEERENLANDEN,

kantoorhoudende te Gorinchem,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de RSD,

procureur mr. K. Aantjes.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 20 juni 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Dordrecht van 21 maart 2007.

De RSD heeft op 23 juli 2007 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 8 augustus 2007 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 22 juni 2007 en op 20 december 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Op 10 januari 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. F.I. Piternella, en namens de RSD mr. M.J. Noteboom, advocaat, en mr. J.G.H. Hartwijk. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de omvang van de verhaalsbijdrage ten laste van de man tot 1 augustus 2005.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de door de man met ingang van 1 juni 2003 te betalen bijstandsbijdrage ten behoeve van zijn ex-echtgenote [naam ex-echtgenote], hierna te noemen: de vrouw, op nihil wordt gesteld.

3. De RSD bestrijdt zijn beroep en verzoekt in incidenteel appel, naar het hof begrijpt, primair de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn inleidend verzoek, althans subsidiair zijn verzoek af te wijzen. De man verzet zich daartegen.

4. Het hof ziet aanleiding eerst de grief in het incidenteel beroep te behandelen. Volgens de RSD heeft de rechtbank onder punt 4.1.1. van de beschikking ten onrechte overwogen dat “in deze zaak nog steeds artikel 98 ABW van toepassing is”. Daarnaast overweegt de rechtbank onder punt 4.1.2 ten onrechte dat de man slechts een wijzigingsverzoek kan indienen op grond van gewijzigde omstandigheden. Tot slot wijst de rechtbank ten onrechte het verzoek van de man af in plaats van hem daarin niet ontvankelijk te verklaren. Volgens de RSD is krachtens artikel 13 Invoeringswet Wet Werk en Bijstand aan de RSD de bevoegdheid gegeven om in voorkomende gevallen tot verhaal van bijstand over te gaan conform de artikelen van de ABW. In de Invoeringswet noch in de huidige Wet Werk en Bijstand kan volgens de RSD een rechtsingang worden gevonden voor degene op wie is verhaald om wijziging van een verhaalsbeschikking te verzoeken. Genoemd artikel 13 Invoeringswet kent slechts een bevoegdheid toe aan de RSD en richt zich niet tot [de man]. [De man] komt derhalve geen beroep op deze bepaling toe, zodat de rechtbank zijn verzoek niet ontvankelijk had moeten verklaren, aldus de RSD. Ter zitting heeft de RSD aangegeven haar standpunt te baseren op de tekst van artikel 13 Invoeringswet.

5. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 2 Invoeringswet Wet Werk en Bijstand (hierna te noemen: Invoeringwet) is de ABW per 1 januari 2004 ingetrokken. Daarvoor is per genoemde datum in de plaats gekomen de Wet Werk en Bijstand. Blijkens de wetsgeschiedenis is onmiddellijke werking beoogd, hetgeen onder andere tot uitdrukking komt in artikel 4 lid 1 en lid 5 Invoeringswet. Zo bepaalt genoemd lid 1 dat door het college van burgemeester en wethouders op grond van de ABW (hof: dus voor 1 januari 2004) genomen besluiten (hof: na 1 januari 2004) gelden als door hem genomen besluiten op grond van de Wet Werk en Bijstand.

6. Aanvankelijk bepaalde artikel 6 Invoeringswet dat op terugvordering of anderszins terugbetaling en verhaal van voor de peildatum (hof: 1 januari 2004) verleende bijstand de ABW van toepassing blijft. Dit artikel is echter bij de Nota naar aanleiding van het verslag geschrapt, met als gevolg dat, aldus de Nota, de hoofdregel van overgangsrecht weer van kracht is geworden: onmiddellijke werking. Uitgangspunt van de wetgever is derhalve dat de Wet Werk en Bijstand van toepassing is op reeds bestaande verhoudingen op het gebied van verhaal.

7. Artikel 13 Invoeringswet bepaalt echter dat het college tot het tijdstip waarop de artikelen 56, 61 en 62 van de Wet Werk en Bijstand in werking treden, de kosten van bijstand kan verhalen in de gevallen en overeenkomstig de regels aangegeven in de artikelen 92 lid 2 en 3 tot en met 105 en artikel 141 ABW. Genoemde artikelen van de Wet Werk en Bijstand zijn tot op heden nog steeds niet in werking getreden. Artikel 56 kent het college de bevoegdheid toe om aan de verlening van bijstand voor kinderen het instellen van een verzoek tot toekenning van een uitkering tot levensonderhoud voor kinderen verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek te verbinden. De artikelen 61 en 62 betreffen de bevoegdheid tot verhaal. Artikel 61 lid 2 bepaalt dat buiten de gevallen aangegeven in het eerste lid geen verhaal plaatsvindt. Artikel 61 lid 1 kent geen verhaalsmogelijkheid op degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed niet behoorlijk nakomt.

8. Het vorenstaande brengt mee dat na 1 januari 2004 niet de in artikel 13 Invoeringswet genoemde artikelen van de ABW de wettelijke grondslag voor verhaal vormen: deze zijn immers per 1 januari 2004 vervallen. De wettelijke grondslag voor verhaal is na 1 januari 2004 gelegen in genoemd artikel 13 Invoeringswet. Blijkens de parlementaire geschiedenis van laatstgenoemd artikel is met de daarin voorkomende passage dat “het college … de kosten van bijstand kan verhalen” beoogd aan te geven dat het college, anders dan onder de ABW, na 1 januari 2004 niet meer de verplichting tot verhaal heeft, maar de bevoegdheid tot verhaal. De parlementaire geschiedenis geeft er echter in geen enkel opzicht blijkt van dat (tevens) beoogd is aan degene op wie verhaal wordt genomen, in casu [de man], de hem in de in artikel 13 Invoeringwet genoemde artikelen van de ABW toekomende bevoegdheden te ontnemen.

9. Anders dan de RSD meent is in dat kader niet van belang dat noch in de Invoeringswet noch in de Wet Werk en Bijstand een rechtsingang kan worden gevonden voor degene op wie is verhaald om wijziging van een verhaalsbeschikking te verzoeken. De in artikel 13 Invoeringwet vervatte regel van overgangsrecht moet worden bezien in het licht van de ratio voor het schrappen van de thans in artikel 93 lid 1 onder b ABW voorkomende verhaalsmogelijkheid. Die ratio is de volgende. Ingevolge artikel 31 Wet Werk en Bijstand speelt bij de vraag of aan een belanghebbende een uitkering wordt toegekend en de hoogte daarvan de vraag of belanghebbende anderszins inkomen heeft, bijvoorbeeld op grond van een uitkering tot levensonderhoud verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Indien dat niet het geval is, maar belanghebbende daar jegens de alimentatieplichtige wel aanspraak op heeft, kan het college belanghebbende op grond van artikel 55 Wet Werk en Bijstand de plicht opleggen om een alimentatievordering in te stellen of om mee te werken aan een alimentatie-uitspraak. Bij het niet nakomen van deze verplichting kan de gemeente de bijstand verlagen. In dit systeem kan een wijziging van omstandigheden aan de zijde van degene die aan de belanghebbende alimentatie betaalt, bijvoorbeeld van diens draagkracht, welke voert tot een wijziging van de hoogte van te betalen alimentatie, vervolgens door belanghebbende bij de gemeente aan de orde worden gesteld en zonodig voeren tot een wijziging van de hoogte bijstand door de gemeente.

11. Naar het oordeel van het hof geeft de tekst noch de wetgeschiedenis van artikel 13 Invoeringswet, zeker in het licht van het systeem van de Invoeringwet en de Wet Werk en Bijstand, er blijk van dat de wetgever beoogd heeft om gedurende de periode van 1 januari 2004 tot de invoering van de artikelen 56, 61 en 62 Wet Werk en Bijstand de aan de ex-echtgenoot op wie verhaal wordt genomen toekomende bevoegdheden, neergelegd in de artikelen 92 lid 2 en 3 tot en met 105 en artikel 141 ABW, waaronder artikel 98 lid 1 ABW, te doen laten vervallen. De incidentele grief faalt.

12. In principaal beroep stelt de man vooreerst dat de rechtbank in punt 4.1.2. van de beschikking ten onrechte heeft overwogen dat hij geen beroep kan doen op de grond, dat er is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens in de zin van artikel 98 lid 1 ABW. De man verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 19 november 1999, NJ 2000, 84.

13. Het hof oordeelt ter zake als volgt. In genoemd arrest is uitdrukkelijk beslist dat met het in artikel 98 lid 1 ABW genoemde geval van gewijzigde omstandigheden moet worden gelijkgesteld het geval dat is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. De grief slaagt.

14. Mede gezien hetgeen ter zitting van het hof is besproken begrijpt het hof het standpunt van de man in dat verband aldus, dat hij van oordeel is dat bij de beschikking van het hof van 9 februari 2005 is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens, omdat daarin geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat de vrouw (niet eerst per 1 augustus 2005, maar reeds) in het jaar 2003 samenwonend was als ware zij gehuwd. De RSD heeft betwist dat de vrouw samenwoonde voor 1 augustus 2005. Naar het oordeel van het hof heeft de man in het licht van die betwisting de gestelde samenwoning onvoldoende geadstrueerd. Reeds op die grond faalt de stelling dat is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. De grief faalt.

15. Daarmee kan behandeling van het subsidiaire verzoek van de man betreffende de wijziging van omstandigheden achterwege blijven in zoverre het de samenwoning van de vrouw betreft.

16. De man stelt in hoger beroep voorts, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake van een wijziging van omstandigheden ten opzichte van het arrest van 9 februari 2005 van onderhavig hof, daar waar het er om gaat dat de man in [woonplaats] woonachtig is, alwaar hij in 2005 (en wel per 7 januari 2005) met een ander is gaan samenwonen, zodat ook deze vrouw tot zijn last komt, en hij samen met zijn partner een aanvulling van de Sociale Dienst ontvangt, alsmede een bijdrage van Sociale Dienst ontvangt om zijn ziektekosten te kunnen betalen.

17. De RSD heeft betwist dat sprake is van rechtens relevante wijzigingen van omstandigheden. De RSD heeft de door [de man] genoemde wijzigingsgronden bovendien betwist bij gebrek aan wetenschap en er voorts op gewezen dat de huidige draagkracht van [de man] niet van belang is, maar het gaat om de draagkracht van [de man] over de periode waarover verhaal plaatsvindt.

18. Ter zitting heeft [de man] een en ander als volgt toegelicht. Volgens [de man] is hij in 2005 niet verschenen bij de mondelinge behandeling (hof: op 7 januari 2005) en was zijn (wel verschenen) advocaat toen niet op de hoogte van de omstandigheid dat [de man] op of omstreeks die tijd is gaan samenwonen, en heeft dat derhalve alstoen niet gemeld. Het gaat [de man] voor wat betreft laatstgenoemde wijzigingen alleen om deze samenwoning en de gevolgen daarvan, derhalve om de periode van januari 2005 tot (einde bijstandsverlening zijnde) 1 augustus 2005.

19. Het hof stelt voorop dat het hof er in de beschikking van 9 februari 2005 vanuit is gegaan dat [de man] alleenstaand was, zodat de gestelde samenwoning een wijziging van omstandigheden is.

20. [De man] ziet er echter aan voorbij dat het hof in zijn beschikking uit 2005 wat betreft de te dezen relevante periode heeft beslist dat het inkomen van de man “thans” (hof: bedoeld is ten tijde van de beschikking) gemiddeld € 686, - netto per maand bedraagt inclusief vakantiegeld en de man geen maandelijkse lasten heeft, behoudens enige huurlasten en ziekenfondspremie, waarna het hof overweegt dat de keuze van de man om minder te gaan werken, zonder te beschikken over een andere, gelijkwaardige inkomensbron, zijn eigen vrije wil is. De daling van de verdiencapaciteit dient – naar het oordeel van het hof – voor zijn risico te komen. Het hof overweegt vervolgens dat de man als stukadoor in staat moet worden geacht aanmerkelijk meer te verdienen, dan hij thans doet, hetgeen tot de conclusie leidt dat de man voldoende verdiencapaciteit heeft om de door de rechtbank vastgestelde verhaalsbijdrage te betalen.

21. In het licht van deze beslissing uit 2005, die gebaseerd is op de verdiencapaciteit van [de man], zijn de door [de man] opgeworpen omstandigheden, wat daar ook overigens van zij, niet als rechtens relevante wijzigingen te beschouwen. Daarvan zou slechts sprake kunnen zijn als de draagkracht van [de man] in de periode tussen januari 2005 en 1 augustus 2005 zou zijn gewijzigd, omdat hij aan de inkomenszijde niet meer over de door het hof veronderstelde verdiencapaciteit zou (kunnen) beschikken, bijvoorbeeld als gevolg van ziekte of arbeidsongeschiktheid. Zulk een omstandigheid is door [de man] echter gesteld noch gebleken. [De man] heeft weliswaar een brief van het Elisabeth Ziekenhuis Tilburg van [een datum in] 2006 in het geding gebracht, maar deze niet nader toegelicht. Het hof gaat daar aan voorbij, nu die brief dateert van ver na de te dezen relevante periode. Nu [de man] ook aan de lastenzijde geen rechtens relevante gewijzigde omstandigheden heeft opgeworpen, gaat het hof er van uit dat hij over de periode van 1 januari 2005 tot 1 augustus 2005 voldoende draagkracht had om de vastgestelde € 255, - per maand te voldoen.

22. De bestreden beschikking dient mitsdien te worden bekrachtigd. Het hof ziet geen aanleiding om [de man] in de kosten van de procedure te veroordelen.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Kamminga en Bos, bijgestaan door mr. de Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2008.