Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC6536

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
631-H-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet Limitering Alimentatie, artikel II lid 2. Inkomensachteruitgang wordt door het hof ingrijpend geacht, echter niet zo ingrijpend dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 6 februari 2008

Rekestnummer : 631-H-07

Rekestnr. rechtbank : 06-4948

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. R. Paardekooper,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. E.M. van Hilten-Kostense.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 9 mei 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 27 februari 2007.

De man heeft op 18 juli 2007 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 19 juni 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Op 21 december 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar procureur en de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. P.Th. Grapperhaus. Partijen hebben het woord gevoerd, de procureur van de vrouw onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage. Bij die beschikking is het inleidend verzoek van de vrouw inhoudende dat de door de man te betalen alimentatie ten behoeve van haar wordt verlengd en met ingang van 16 november 2006 zal worden vastgesteld op € 1.184,- per maand, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn ten aanzien van de alimentatie voor de vrouw, de duur en de hoogte van de alimentatie.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en zo nodig onder verbetering van gronden, het verzoek van de vrouw tot verlenging van de uitkering tot haar levensonderhoud per 16 november 2006 (het hof begrijpt) toe te wijzen en deze uitkering vast te stellen op € 1.184,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans de alimentatie op een zodanig bedrag te bepalen als dit hof in goede justitie juist oordeelt.

3. De man bestrijdt haar beroep en verzoekt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, althans haar die te ontzeggen dan wel door de vrouw ingestelde beroep ongegrond te verklaren.

4. De vrouw voert in haar eerste grief aan dat de rechtbank haar behoefte niet betwist. Evenwel wordt volgens de vrouw door de rechtbank miskend dat niet in alle gevallen het bereiken van de 65-jarige leeftijd tot een inkomensachteruitgang leidt. Nu de vrouw niet in staat was om een pensioenvoorziening te treffen, waarmee een inkomensachteruitgang kan worden gecompenseerd, heeft de rechtbank daar ten onrechte geen rekening mee gehouden. Voorts miskent de rechtbank dat, ondanks de zorgtoeslag, de inkomensachteruitgang substantieel blijft. Verder heeft de rechtbank volgens de vrouw nagelaten te overwegen dat de behoefte van de vrouw ook na haar 65e blijft bestaan. De behoefte is nog immer gerelateerd aan het huwelijk. De vrouw vervulde een traditionele rol in dat huwelijk, hetgeen ten koste ging van haar ontplooiing. De rechtbank heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de leeftijd van de vrouw en haar persoonlijke omstandigheden. Tevens heeft de rechtbank door haar beslissing te motiveren met het argument dat het bereiken van de 65-jarige leeftijd nu eenmaal leidt tot een inkomensachteruitgang, blijk gegeven van het ten onrechte achterwege laten van een belangenafweging zoals door de Hoge Raad is geformuleerd, aldus de vrouw.

In haar tweede grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte en zonder deugdelijke motivering het inkomensverlies van de vrouw stelt op € 551,- per maand. Volgens de vrouw bedraagt de netto inkomensachteruitgang € 642,- per maand. Niet kan worden ingezien waarom een dergelijke substantiële achteruitgang voor rekening van de vrouw dient te blijven.

In haar derde grief betoogt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat het niet kunnen krijgen van een huurtoeslag in de risicosfeer van de vrouw ligt. De rechtbank gaat hiermee voorbij aan het feit dat de vrouw al meer dan 20 jaar in de desbetreffende woning woont en zij al die tijd de huur heeft kunnen betalen. Voorts brengt de vrouw naar voren dat door de man onweersproken is gesteld dat de rechtbank rekening heeft gehouden met de door de zoon te betalen vergoeding bij de vaststelling van de alimentatie. Niet valt in te zien waarom, als de rechtbank Haarlem met de inwoonvergoeding van de zoon rekening had gehouden, de alimentatie lager zou uitvallen. De rechtbank heeft dit onjuist overwogen, althans onduidelijk.

In haar vierde grief vermeldt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vrouw in elk geval vanaf de datum van de beschikking van de rechtbank Haarlem, 25 mei 2004, er rekening mee had kunnen houden dat aan de onderhoudsplicht van de man een einde zou komen.

De rechtbank Haarlem heeft bepaald dat verlenging van de alimentatietermijn mogelijk is. Hierdoor zijn bij de vrouw verwachtingen gewekt en behoefde zij niet te anticiperen op een toekomstige situatie.

In grief vijf stelt de vrouw dat de rechtbank zich ten onrechte baseert op de periode waarin alimentatie is betaald, zonder daarin de omstandigheden van het geval te betrekken. De rechtbank heeft op die manier geen rekening gehouden met de periode van samenwoning van partijen voor het huwelijk van 12 jaar. Ook in die periode was er tussen partijen sprake van een traditioneel rollenpatroon.

In haar zesde grief betoogt de vrouw dat het oordeel van de rechtbank dat de beëindiging van de onderhoudsverplichting van de man niet zo van ingrijpende aard is dat deze niet van de vrouw kan worden gevergd en dat de vrouw in staat moet worden geacht om te voorzien in haar eigen behoefte, onbegrijpelijk is. De vrouw geeft hierbij kort samengevat weer wat zij voorafgaand in haar beroepschrift naar voren heeft gebracht.

In haar zevende grief voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat de man de alimentatie gemakkelijk kan blijven voldoen. De rechtbank heeft bij de beoordeling verzuimd om de financiële positie van de man te betrekken bij de omstandigheden die zij bij een verzoek als het onderhavige in haar beoordeling dient te betrekken, aldus de vrouw. Namens de vrouw is ter terechtzitting haar beroepschrift toegelicht en aangevuld in een pleitnotitie. Daarnaast heeft zij verteld dat haar zoon van 41 jaar bij haar in huis woont nadat hij ernstig ziek is geworden. Het gaat thans beter met hem en hij zoekt een andere woning. Dat is niet gemakkelijk. Hij heeft een laag inkomen en komt niet voor een goedkope woning in aanmerking. De wachttijd voor een goedkope woning is 9 jaar. De vrouw stelt verder dat zij doordat zij al geruime tijd in haar huidige woning woont niet in aanmerking komt voor een woning met een geliberaliseerde huur. Een driekamerwoning in [woonplaats] levert al snel eenzelfde woonlast op als zij nu voor haar woning betaalt. Zij zou een urgentieverklaring kunnen krijgen voor een nieuwe huurwoning maar haar zoon komt hiervoor niet in aanmerking en zou dan op straat komen te staan. Daarbij heeft de vrouw geen recht op huurtoeslag zolang haar zoon bij haar inwoont.

5. De man betwist in zijn verweerschrift de stellingen van de vrouw en kan zich verenigen met de overwegingen van de rechtbank. Kort weergegeven stelt hij ten aanzien van de eerste grief dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het bereiken van de 65-jarige leeftijd leidt tot een inkomensachteruitgang. Voorts stelt hij dat de behoefte van de vrouw niet gerelateerd is aan het huwelijk. De factoren die de rechtbank heeft meegenomen in haar beslissing zijn volgens de

man de in de wet genoemde factoren: de leeftijd van de vrouw, geen kinderen uit dit huwelijk en de duur van het huwelijk. Alleen met het laatste in de wet genoemde aspect (geen recht op pensioen) zou rekening gehouden kunnen worden, zij het dat daar in de eerdere procedure al rekening mee is gehouden. Ook hierover heeft de rechtbank nadrukkelijk beslist door te zeggen dat het niet ongebruikelijk is dat personen die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt worden geconfronteerd met een inkomensachteruitgang. Wat betreft de tweede grief stelt de man dat de vrouw wel erg gemakkelijk tot de conclusie komt dat de beëindiging van de alimentatie ingrijpend is en niet van de vrouw kan worden gevergd. Met betrekking tot grief drie voert de man aan dat het feit dat de zoon van de vrouw bij haar woont, niet voor rekening van de man kan komen.

Ook het feit dat de vrouw in een dure woning woont, komt niet voor rekening van de man. Ten aanzien van grief vier voert de man aan dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de vrouw er vanaf de beschikking van de rechtbank Haarlem van 25 mei 2004 rekening mee had kunnen houden dat de onderhoudsplicht van de man zou eindigen.

Volgens de man zijn er geen verwachtingen gewekt bij de vrouw omtrent verlenging en had de advocaat van de vrouw haar erop moeten wijzen dat op grond van de mogelijkheid van verlenging geen verwachtingen gewekt mogen worden. Wat betreft grief vijf stelt de man dat hij al negentien jaar alimentatie heeft betaald, terwijl het huwelijk slechts zeven jaren heeft

geduurd. De wet gaat uit van de huwelijkse jaren en niet van de jaren waarin partijen hebben samengewoond.

De vrouw meent dat er sprake was van een traditionele situatie. De man voert aan dat het klopt dat de vrouw niet werkte, maar deze situatie bestond al voor het huwelijk. Door de kinderen uit het eerste huwelijk van de vrouw kon zij zich (wellicht) niet ontplooien, niet doordat zij zou hebben bijgedragen aan de carrière van de man, aldus de man. Daarbij weigerde de vrouw zelf om een werkkring te zoeken. Over grief zes voert de man aan dat het oordeel van de rechtbank logisch is opgebouwd: eerst meent de rechtbank dat de inkomensteruggang ingrijpend is, daarna oordeelt de rechtbank door afweging van de verschillende omstandigheden dat deze op zich ingrijpende inkomensteruggang niet te ingrijpend is.

Wat betreft grief zeven stelt de man dat het uitgangspunt is dat alimentatie eindig is. De stelling van de vrouw zou ertoe leiden dat een alimentatieverplichting nooit zou eindigen zolang de alimentatieplichtige voldoende middelen heeft om te betalen. Dat is niet de bedoeling van de wetgever geweest. Daarbij stelt de man dat zijn draagkracht niet in het geding is.

Ter terechtzitting heeft de man in aanvulling op zijn verweerschrift – onder meer – gesteld dat hij begrijpt dat de vrouw voor haar zoon wilde zorgen, maar dat dit niet voor rekening van hem mag komen. Voorts benadrukt hij dat de duur van de samenwoning niet ter zake doet bij het vaststellen van de alimentatieplicht van de man.

6. Het hof overweegt als volgt. De overgangsbepaling van artikel II lid 2 van de Wet Limitering van Alimentatie na scheiding – WLA – is van toepassing bij de beoordeling van de onderhavige zaak. Ingevolge dit artikel wordt de verplichting tot het verstrekken van partneralimentatie beëindigd, tenzij een beëindiging van de alimentatie van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet gevergd kan worden van de alimentatiegerechtigde. Wat redelijk en billijk is, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden van het betreffende geval, waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen de belangen van de alimentatiegerechtigde en die van de alimentatieplichtige.

7. Allereerst zal het hof beoordelen of de inkomensachteruitgang, indien de alimentatieverplichting van de man (definitief) beëindigd zou worden, als ingrijpend moet worden aangemerkt. Daarbij gaat het om een vergelijking van de situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert op het moment voor de (eventuele) beëindiging van de bijdrage tot levensonderhoud met die waarin zij als gevolg van die beëindiging zal komen te verkeren. Daartoe behoren alle inkomensbestanddelen en toeslagen waarop de vrouw aanspraak zal kunnen maken indien de uitkering tot levensonderhoud wegvalt, in de beoordeling te worden betrokken.

Aan de orde is de vergelijking van de inkomenssituatie van de vrouw voor 16 november 2006 – met ingang van welke datum de onderhoudsverplichting van de man, behoudens verlenging, is geëindigd – en de situatie na 16 november 2006.

Tot 16 november 2006 beschikte de vrouw over een WAO-uitkering van € 583,- bruto per maand en de door de man aan de vrouw tot dan toe betaalde alimentatie van € 1.602,- bruto per maand, zijnde in totaal € 2.185,- bruto per maand. Netto beschikte zij aldus over een inkomen van € 1.590,- per maand.

Vanaf het bereiken van de leeftijd van 65 jaar door de vrouw (geboren [in] 1941) gaat het hof uit van het volgende.

De vrouw beschikt over een AOW-uitkering van € 1.001,- bruto per maand, alsmede over een ouderdomspensioen van bruto € 6,- per maand. Het hof zal uitgaan van een huur van maximaal € 615,- per maand, zijnde de maximale huur waarbij de vrouw recht heeft op huurtoeslag. Rekening houdend met deze huur en met het inkomen van de vrouw van € 1.007,- bruto per maand, heeft de vrouw recht op een huurtoeslag van € 315,- per maand. Voorts komt de vrouw in aanmerking voor een zorgtoeslag van € 36,- per maand. In die situatie zal de vrouw een netto inkomen ontvangen van € 1.352,- per maand. Dit betekent dat aldus een inkomensachteruitgang ontstaat van 15% ten opzichte van de situatie waarin de vrouw voor 16 november 2006 een uitkering tot levensonderhoud van de man ontvangt.

Het hof houdt aldus geen rekening met de bij de vrouw inwonende zoon, die nu een bijdrage van € 200,- per maand betaalt aan de vrouw, welke bijdrage valt aan te merken als een kostgeldbijdrage en derhalve niet als een inkomensbestanddeel.

Ter terechtzitting heeft de vrouw betoogd dat zij, doordat haar zoon bij haar inwoont, niet in aanmerking komt voor een huurtoeslag of voor een urgentieverklaring om in aanmerking te komen voor een goedkopere huurwoning. Het hof is hieromtrent van oordeel dat – hoe begrijpelijk het ook is dat de vrouw in de desbetreffende omstandigheden voor haar zoon wil zorgen door hem bij haar in huis te nemen – dit niet voor rekening van de man, niet zijnde zijn vader, dient te komen. Het hof is van oordeel dat bij de berekening van de inkomenspositie van de vrouw haar zoon buiten beschouwing moet worden gelaten. Dit heeft tot gevolg dat de vrouw in aanmerking kan komen voor een urgentieverklaring voor een goedkopere huurwoning. Het hof is van oordeel dat zulks van de vrouw kan worden gevergd. De omstandigheid dat de vrouw al langer in een huurwoning woont, voor welke geen huursubsidie kan worden verstrekt, betekent niet dat zij er aanspraak op kan maken dat deze situatie blijft voortduren.

De tweede, derde en zesde grief van de vrouw worden daarmee verworpen.

Het hof acht een inkomensachteruitgang van 15% in het onderhavige geval, zoals vorenstaand omschreven, in het onderhavige geval ingrijpend. Het hof overweegt daartoe dat door de procureur van de man onbetwist is aangevoerd dat de behoefte van de vrouw in 2004 – in de procedure die voor de rechtbank Haarlem diende – € 1.525,- per maand bedroeg. De vrouw heeft geen verklaring gegeven waarom zij deze behoefte nu stelt op € 1.994,- per maand. Een indexering van de in 2004 door de vrouw gestelde behoefte betekent dat zij in 2006 een behoefte heeft van € 1.555,- per maand. Het inkomen dat de vrouw na het wegvallen van de uitkering tot levensonderhoud zal ontvangen is niet geheel toereikend om deze door haar gestelde behoefte te dekken.

Vervolgens dient het hof te beoordelen of de beëindiging van de alimentatie zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Daarbij zijn de volgende omstandigheden naar het oordeel van het hof van belang.

Toen de vrouw met de man in het huwelijk trad had zij al twee kinderen uit een eerder huwelijk. Zij werkte op dat moment niet. Het huwelijk van partijen heeft zeven jaar geduurd en uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren. Het hof weegt in zijn beslissing mee dat de rechtbank Haarlem op 25 mei 2004, toen de alimentatieverplichting van de man reeds vijftien jaar duurde, heeft bepaald dat de verplichting van de man nog zou voortduren tot 16 november 2006 en deelt het oordeel in de bestreden beschikking dat de vrouw op de inkomensachteruitgang had dienen te anticiperen. Het hof acht de periode van samenwoning voor het huwelijk niet van belang, daar een niet-huwelijkse samenwoning rechtens niet leidt tot een onderhoudsverplichting en verwerpt daarmee de vijfde grief van de vrouw.

De rechtbank heeft voorts in de bestreden beschikking naar het oordeel van het hof terecht overwogen dat aan de omstandigheid dat de vrouw geen aanspraak heeft op een deel van het ouderdomspensioen van de man geen doorslaggevende betekenis toekomt omdat een dergelijke aanspraak gezien de duur van het huwelijk van beperkte omvang zou zijn geweest. Dat de vrouw zelf niet in staat zou zijn geweest een pensioenvoorziening – al dan niet in de vorm van een eigen opgebouwd ouderdomspensioen dan wel een lijfrente-uitkering – te treffen wordt niet nader door haar onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbijgaat. Het hof verwerpt daarmee de eerste grief van de vrouw.

Het hof stelt vast dat de draagkracht van de man niet in het geding is. Hij ontvangt een inkomen uit arbeid van (in 2006) € 86.762,- bruto op jaarbasis. Dit evenwel afwegende tegen de reeds lange duur van de alimentatiebetaling en de relatief korte duur van het huwelijk en de omstandigheid dat uit dit huwelijk geen kinderen zijn geboren die mogelijkerwijs de vrouw hadden kunnen beperken in haar ontplooiingsmogelijkheden, acht het hof deze omstandigheid niet van zodanige betekenis dat op die grond de onderhoudsverplichting nog langer zou moeten voortduren. Het hof verwerpt daarmee de zevende grief van de vrouw.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de vrouw tenminste vanaf de datum van de beschikking van de rechtbank Haarlem – 25 mei 2004 – er rekening mee heeft kunnen houden dat aan de onderhoudsplicht van de man een einde zou komen. Het hof ziet niet in hoe, zoals de vrouw betoogt, de enkele bepaling dat verlenging van de alimentatietermijn mogelijk is, verwachtingen schept. Integendeel, de verplichting tot levensonderhoud zou volgens genoemde beschikking eindigen op 16 november 2006, tenzij de vrouw een verzoek tot verlenging zou indienen dat alsdan op zijn merites zou worden beoordeeld, zoals ook is gebeurd. De vrouw had dan ook na 25 mei 2004 moeten inspelen op de te wijzigen situatie. Het hof verwerpt dan ook de vierde grief van de vrouw.

12. Gelet op vorenoverwogene en nu de vrouw door een wijziging van haar persoonlijke leefomstandigheden in staat is om haar inkomenspositie te verbeteren, is het beëindigen van de onderhoudsverplichting van de man (door het niet verlengen van de termijn zoals vastgesteld in de beschikking van de rechtbank Haarlem van 25 mei 2004) naar het oordeel van het hof niet van zo ingrijpende aard dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden.

13. Dit alles leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, van Nievelt en Stille, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2008.