Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC6515

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
22-000348-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Algehele vrijspraak van (diverse varianten van) heling en witwassen van zeer grote contante geldbedragen in de periode van maart 2001 tot en met april 2002.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-000348-07

Parketnummer: 10-000124-02

Datum uitspraak: 12 maart 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 december 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1962,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de onderbroken terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 1 februari 2008, 13 februari 2008, 20 februari 2008 en 27 februari 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1 primair impliciet subsidiair, 4 primair impliciet subsidiair, 5 primair, 6 primair en

7 impliciet subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

28 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg van 13 maart 2006 op vordering van de officier van justitie nader omschreven.

Van de dagvaarding en van de vordering nadere omschrijving tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet primair, 2, 3, 4 primair impliciet primair en 7 impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair, 4 primair impliciet subsidiair, 5 primair, 6 primair en 7 impliciet subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken van de feiten 2 en 3.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting van 20 februari 2008 bepleit - op gronden zoals verwoord in zijn pleitnotitie- dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van de verdachte.

Om proces-economische redenen zal het hof, gelet op het navolgende, voorbij gaan aan dit verweer.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Ten laste zijn gelegd (diverse varianten van) heling en witwassen van zeer grote contante geldbedragen in de periode van maart 2001 tot en met april 2002.

Het hof onderzoekt allereerst de vraag of wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat de tenlastegelegde geldbedragen, zoals de wet voorschrijft en in de tenlastelegging is opgenomen, door misdrijf verkregen respectievelijk van misdrijf afkomstig waren.

De rechtbank heeft overwogen dat de door de verdachte aangegeven legale herkomst van de geldbedragen onvoldoende is onderbouwd.

Vervolgens is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het -gelet op een aantal in het vonnis opgesomde feiten en omstandigheden- niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen een criminele herkomst hebben.

Het hof kan zich met dit oordeel niet verenigen.

Het hof stelt om te beginnen vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd van het van enig misdrijf afkomstig zijn van het geld.

De investeerder [investeerder] (van wie de in het geding zijnde geldbedragen ontvangen zijn) en zijn broer [broer] zijn, naar de advocaat-generaal ter terechtzitting heeft medegedeeld, beiden voor (een) strafba(a)r(e) feit(en) in de zin van de Opiumwet veroordeeld. Dit betreft echter feiten en verdenkingen/veroordelingen die dateren van ná de tenlastegelegde periode, terwijl het voorts gaat om hoeveelheden drugs die niet in verhouding staan tot de omvang van het hier verweten witwassen. De broers waren op dat moment, zoals door de verdediging onweersproken is betoogd, beiden inmiddels platzak, en zullen op illegale wijze toen inkomsten hebben willen verkrijgen. Het hof acht de verklaring van [getuige 1] in dit verband niet geloofwaardig gezien zijn positie. De advocaat-generaal heeft voorts nog aangevoerd dat het geld tevens eigendom zou zijn van ene [X], die criminele antecedenten zou hebben en voor zou komen in onderzoeken naar cocaïne-smokkel, doch het hof heeft hiervoor in het dossier geen aanknopingspunten gevonden. Een relatie tussen die verdenkingen/veroordelingen en de thans tenlastegelegde feiten kan naar het oordeel van het hof dan ook niet worden gelegd.

Het hof stelt vervolgens voorop dat de door de rechtbank opgesomde feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.

In de onderhavige zaak zijn door de verdachte en een medeverdachte zeer grote hoeveelheden contant geld naar het Verenigd Koninkrijk en Luxemburg vervoerd bestemd voor diverse investeringsmaatschappijen, waarbij akkoord is gegaan met ongebruikelijke en zeer nadelige condities. Aldus is een typologie van witwassen op de onderhavige zaak van toepassing op basis waarvan een vermoeden van witwassen jegens de verdachte gerechtvaardigd is.

Het hof is van oordeel dat gelet op het vermoeden van witwassen en de daarbij in aanmerking genomen omstandigheden, van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. De verdachte heeft dit van meet af aan ook gedaan. Hij heeft verklaard dat hij bij herhaalde navraag bij de investeerder [investeerder] steeds heeft vernomen, en aannemelijk heeft geacht, dat het geld (voornamelijk) afkomstig was uit (de verkoop van) diens belang in zogenaamde cambio's, zijnde wisselkantoren in Nederland en Suriname. Ter zitting is gebleken dat via deze zogenaamde Hawala-banken grote hoeveelheden contant geld circuleren.

Aldus heeft de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en, naar het oordeel van het hof, niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken herkomst benoemd.

Deze verklaring van de verdachte vindt steun in het afgetapte telefoongesprek d.d. 19 oktober 2003 (bladzijde 681 van het dossier) waarin de medeverdachte [medeverdachte 1] zegt: "een club uit Suriname die luistert naar de naam [groep ondernemers] (...) club van een man die ook allemaal wisselkantoren had in Rotterdam", en [investeerder] antwoordt: "[groep ondernemers] is mijn club. Daar is waar ik mijn aandelen weer heb ingeleverd" en vervolgens "cambio's, jonge dan had je gelijk aan mij moeten denken". Aan de ontkenning van [investeerder] bij diens verhoor door de rechter-commissaris in Brazilië d.d. 15 maart 2006, hecht het hof minder waarde.

Ook heeft de getuige -tevens medeverdachte- [medeverdachte 1] verklaard dat hij bij de investeerder [investeerder] navraag heeft gedaan naar de herkomst van het geld dat die [investeerder] in Air Holland wilde gaan investeren. Hierop heeft hij van die [investeerder] vernomen dat het geld (voornamelijk) afkomstig was uit (de verkoop van) diens belang in zogenaamde cambio's. Verder heeft [medeverdachte 1] verklaard dat [investeerder] hem had verteld dat hij zeven jaren deel heeft uitgemaakt van een groep van ondernemers in Suriname die actief was in de cambio's, in de im- en export en in de drankenhandel. Daarin had [investeerder] een tegoed opgebouwd dat hij gespreid heeft laten uitbetalen via de Nederlandse wisselkantoren die deel uitmaakten van het cambio-systeem. Voorts heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hem was verteld dat er enorme winsten in deze branche worden behaald, tot wel 20% per transactie.

Ook de getuige -tevens medeverdachte- [medeverdachte 2] (destijds meerderheidsaandeelhouder van de luchtvaartmaatschappij Air Holland die op zoek was naar nieuwe investeerders) heeft ter terechtzitting van dit hof d.d. 13 februari 2008 verklaard dat hij had vernomen dat de investeerder [investeerder] het geld had verkregen uit de opbrengst van cambio's en dat hij bij [getuige 2], een voormalig Minister van Financiën van Suriname, navraag had gedaan naar de herkomst van het geld van die investeerder. [getuige 2] zou tegen [medeverdachte 2] gezegd hebben dat hij het voor mogelijk hield dat de winst uit cambio's zo groot was als het vermogen dat [investeerder] -naar eigen zeggen- aan cambio's had verdiend. Deze stelling vindt steun in de verklaring van [getuige 2] bij de rechter-commissaris d.d. 19 januari 2006, dat het voor hem niet vreemd was dat de herkomst van het geld (het hof begrijpt: het geld van [investeerder]) werd gerelateerd aan cambio's.

Blijkens de verklaring van de getuige [getuige 3] ter terechtzitting van dit hof d.d. 13 februari 2008 hebben de aandeelhouders van Air Holland in de aandeelhoudersvergadering om een bankverklaring betreffende de gelden van de nieuwe investeerder [investeerder] gevraagd. Die [getuige 3] heeft voorts verklaard dat de aandeelhouders hierop een brief van Citibank hebben ontvangen, inhoudende dat de investeerder een goede klant van die bank was met wie zaken gedaan konden worden. Door de verklaring van Citibank bestond er -aldus [getuige 3]- voor de aandeelhouders geen reden om te twijfelen aan de legale herkomst van het geld en de betrouwbaarheid van [investeerder].

Het hof stelt vast dat ondanks de deplorabele financiële toestand van Air Holland in die tijd en de noodzaak om snel investeerders te vinden men niet zonder onderzoek met [investeerder] in zee is gegaan.

In het licht van al het voorgaande is het hof van oordeel -anders dan de rechtbank- dat bij gebreke aan direct bewijs voor het van enig misdrijf afkomstig zijn van het geld en gezien de duidelijke en verifieerbare stelling van de verdachte ten aanzien van de herkomst van het geld, het op de weg van het openbaar ministerie had gelegen om te onderzoeken of [investeerder] belangen heeft gehad in cambio-ondernemingen, welke herkomst naar het oordeel van het hof een alternatief kan zijn. Dergelijk onderzoek is niet verricht, althans het hof heeft daarvan geen resultaten in het dossier aangetroffen.

De advocaat-generaal heeft nog op basis van een onderzoek van de Consumentenbond naar de cambio-ondernemingen een berekening uitgevoerd die hem leidt tot de conclusie dat het geld -gelet op de omvang van het niet bancaire geldcircuit- niet daaruit afkomstig kan zijn, welke berekening overigens door de verdediging is bestreden.

Evenwel kan naar het oordeel van het hof niet worden uitgesloten dat de in het geding zijnde geldbedragen, die zouden zijn verkregen in een periode van zeven jaren, wel afkomstig zijn uit de winst van cambio's danwel uit de opbrengst van de verkoop van belangen in cambio-ondernemingen.

Nu aldus niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden een legale herkomst hebben en een criminele herkomst niet als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden kan gelden, is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 4, 5 en 6 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Nu het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 1, 4, 5 en 6 tenlastegelegde, kan ook het onder 7 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen worden geacht, zodat de verdachte ook daarvan behoort te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Borgesius,

mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. D.J.C. van den Broek, in bijzijn van de griffier mr. S.A. Commandeur.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 maart 2008.