Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC6012

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-03-2008
Datum publicatie
06-03-2008
Zaaknummer
06/1372
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Civiele vordering benadeelde partij na vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 180

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Rolnummer : 06/1372

Rolnummer rechtbank : 05/1904

arrest van de eerste civiele kamer d.d. 6 maart 2008

inzake

[Naam],

wonende te Den Haag (gemeente ’s-Gravenhage),

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. M.A. Koot,

tegen

[Naam], als gemachtigde van de erfgenamen van [de heer B], te weten [X] en [Y],

wonende te Den Haag (gemeente ’s-Gravenhage),

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. E. de Jongh.

Het geding

Bij exploot van 13 oktober 2006 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 19 juli 2006, door de rechtbank ’s-Gravenhage gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] één grief tegen het vonnis aangevoerd, welke door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord is bestreden. Ten slotte heeft [geïntimeerde] de stukken overgelegd en is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1 Op 17 januari 2000 is [naam] in ziekenhuis Antoniushove te Leidschendam (verder: Antoniushove) overleden. Erfgenamen zijn zijn broers [naam] en [naam]. [Geïntimeerde] is zijn neef. Het lichaam van de overledene heeft enige tijd in het mortuarium van Antoniushove gelegen en is later door een medewerker van begrafenisonderneming Cura Mortu Orum Mortuariumbeheer B.V. (verder Cura) overgebracht naar elders. De persoonlijke bezittingen van de overledene zijn na het overlijden in een zakje in de opiatenkast van het ziekenhuis bewaard en op 28 januari 2000 aan een medewerker van Cura meegegeven. De erfgenamen zijn op 7 februari 2000 op de hoogte gesteld van het overlijden.

1.2 Op enig moment is gebleken dat enkele persoonlijke bezittingen van de overledene, waaronder zijn portemonnee met pinpas en een briefje met de pincode, waren verdwenen. Eveneens is gebleken dat in de periode van 28 januari tot en met 19 februari 2000 een bedrag van (in totaal) € 21.112,12 van de bankrekening van de overledene is opgenomen. [geïntimeerde] heeft hiervan aangifte gedaan. In het daaropvolgende politieonderzoek hebben twee medewerkers van Antoniushove verklaringen afgelegd over de identiteit van de persoon die namens Cura de persoonlijke bezittingen van de overledene zou hebben meegenomen In dat politieonderzoek is [appellant], destijds medewerker van Cura, als verdachte in beeld gekomen.

1.3 [Appellant] is op 11 augustus 2000 door de politierechter in de rechtbank ’s-Gravenhage veroordeeld ter zake van diefstal. Daarbij is de vordering van [geïntimeerde] als benadeelde partij ten bedrage van € 21.112,12 toegewezen. In hoger beroep is [appellant] op 9 september 2002 door de strafkamer van dit hof vrijgesproken van de aan hem met betrekking tot de bezittingen van de overledene tenlastegelegde feiten. Dientengevolge is [geïntimeerde] in zijn vordering als benadeelde partij door het hof alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Wel is [appellant] bij dat arrest wegens een ander tenlastegelegd feit, gekwalificeerd als verduistering in dienstbetrekking, door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk. [appellant] is op 28 februari 2000 door Cura op staande voet ontslagen.

2. [Geïntimeerde] heeft bij de rechtbank gevorderd dat deze [appellant] zal veroordelen aan hem € 21.112,12 te betalen, met rente en kosten. De rechtbank heeft de vordering grotendeels toegewezen.

3. De grief van [appellant] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat hij de stelling van [geïntimeerde] dat hij degene is geweest die het geld van de rekening van de overledene heeft gehaald, onvoldoende heeft betwist. [Appellant] beroept zich daarbij op zijn vrijspraak door het hof in de strafzaak en wijst verder op de overgelegde rittenstaten waaruit blijkt dat er opnames zijn gedaan op plaatsen waar hij op de momenten van de opname niet kan zijn geweest. Hij voert voorts aan dat ook anderen op 28 januari 2000 toegang hadden tot de opiatenkast van Antoniushove en toen in het mortuarium werkzaam waren. Hij biedt aan dat te bewijzen.

4. De grief faalt. Dat dit hof in de strafzaak [appellant] van de betreffende feiten heeft vrijgesproken, heeft in deze (civiele) zaak geen gewicht, nu het hof deze vrijspraak niet anders heeft gemotiveerd dan met de formule dat het deze feiten niet wettig en overtuigend bewezen oordeelde. Het beroep van [appellant] op zijn rittenstaten levert onvoldoende weerlegging op van de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheid dat de geldbedragen zijn opgenomen in de naaste omgeving van zijn woning en voorts opvallend vaak op plekken in de buurt van locaties waar hij blijkens de overzichten had gewerkt of ging werken. Die rittenstaten zijn immers door hemzelf ingevuld en de betrouwbaarheid van de daarop vermelde gegevens zijn daarmee, nu [appellant] die niet verder heeft onderbouwd, onvoldoende om deze omstandigheid aan te tasten. Verder heeft te gelden dat de rechtbank haar oordeel niet alleen heeft gegrond op de hier reeds genoemde omstandigheid, naar ook op de volgende (kort weergegeven) omstandigheden:

- [appellant] is bij een spiegelconfrontatie herkend als degene die namens Cura de bezittingen van de overledene heeft meegenomen;

- hij heeft erkend dat hij op 28 januari 2000 in Antoniushove was en heeft verklaard dat hij daar op dat moment als enige medewerker van Cura aan het werk was;

- de bezittingen van de overledene werden in een afgesloten kast bewaard tot het moment waarop ze door een medewerker van Cura zijn meegenomen;

- de eerste geldopname vond nabij Antoniushove plaats direct nadat de medewerker van Cura vandaar met de bezittingen van de overledene was vertrokken;

- [geïntimeerde] heeft onbetwist gesteld dat [appellant] in minstens één ander geval is veroordeeld wegens een misdrijf met betrekking tot goederen en/of geld van een overleden persoon;

- [appellant] heeft niet lang na de geldopnames en na zijn ontslag een auto gekocht voor ƒ 18.000,-, terwijl hij zijn stelling dat hij die auto heeft betaald van gespaard geld niet heeft onderbouwd.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het enkele feit dat anderen op 28 januari 2000 toegang hadden tot de opiatenkast en toen in het mortuarium werkzaam waren, indien bewezen, tegenover de bovengenoemde omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal zou leggen. Voor zover [appellant] zijn bewijsaanbod heeft gespecificeerd kan het beoogde bewijs daarom niet leiden tot zodanige twijfel aan bovengenoemde, door [geïntimeerde] aangedragen en onderbouwde, feiten en omstandigheden dat die het hof tot het oordeel zou kunnen brengen dat [geïntimeerde] zijn stellingen niet heeft bewezen. Het hof passeert daarom zijn bewijsaanbod.

5. Dit leidt het hof tot de slotsom dat het vonnis van de rechtbank dient te worden bekrachtigd. Daarbij past een kostenveroordeling van [appellant].

Beslissing

Het hof

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op deze uitspraak vastgesteld op € 660,- aan griffierecht en op € 1.158,- aan salaris voor de procureur;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.V. van den Berg, A.H. de Wild en A.E.A.M. van Waesberghe en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 maart 2008 in aanwezigheid van de griffier.