Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC5880

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
22-005263-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag. Verwerping (putatief) noodweer. Nadere bewijsoverweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005263-06

Parketnummer(s): 09-757725-05

Datum uitspraak: 27 februari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 september 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op

[geboortedag] 1954,

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, gevangenis De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

12 april 2007 en 13 februari 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder impliciet primair tenlastegelegde (‘moord’) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest, met beslissingen omtrent het beslag en de vordering van de benadeelde partij als in het vonnis waarvan beroep vermeld.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Ter terechtzitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof hoogstens komen vast te staan dat de verdachte voorbedachte raad heeft gehad op het schieten met een vuurwapen op de benen van het slachtoffer, doch niet dat de verdachte voorbedachte raad heeft gehad op het doden van het slachtoffer. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte impliciet primair ('moord') is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair tenlastegelegde ('doodslag') heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Uit het sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 25 september 2005 blijkt dat het schotkanaal in het lichaam van het slachtoffer, gemeten aan het lichaam in horizontale en gestrekte positie, vrijwel recht van voren naar achteren verliep. Hieruit leidt het hof af dat, hoewel de verdachte aanvankelijk slechts van plan was op de knieën van het slachtoffer te schieten, hij uiteindelijk toch gericht op het bovenlichaam van het (volgens de getuige [getuige 1]: staande ) slachtoffer heeft geschoten, en dus opzet heeft gehad om het slachtoffer van het leven te beroven.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Gevoerde bewijsverweren

[Opm. publicatie: van de door het hof vermelde verklaringen heeft het hof de vindplaats in het dossier in voetnoten gezet]

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig haar pleitnota, betoogd dat het niet de verdachte is geweest die het slachtoffer heeft doodgeschoten, doch een onbekende, tweede schutter.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Ter terechtzitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat het niet de verdachte, maar een andere persoon is geweest die, nadat de verdachte éénmaal met een vuurwapen in de richting van het slachtoffer had geschoten, het slachtoffer dodelijk heeft verwond met een vuurwapen.

De verdachte heeft op 26 september 2005 verklaard: “Hij (het hof begrijpt: het slachtoffer [het slachtoffer]) stond naast een boom. Ik richtte en tjak en in één keer oei oei. (…) Hij ging op de grond zitten en pakte zijn been vast oei oei oei (…). Toen zag ik dat ik hem heb geraakt (…) Ik dacht het is een beenwond dus voorlopig kan je niet dansen. (…)” De verdachte heeft voorts verklaard : “(…) Ik heb wel geschoten(…). In een reflex heb ik geschoten. Ik hoorde hem een geluid maken: “oei oei”. (…) Ik zei nog tegen hem: “zie je nou wat er van komt”. Hij pakte zijn rechterbeen en ging zitten.”

Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 25 september 2005 blijkt dat in het lichaam van het slachtoffer slechts één schotkanaal is aangetroffen, aan welke verwonding het slachtoffer is overleden.

De getuigen [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] en [getuige 1] , die verklaard hebben te hebben gezien of gehoord dat er geschoten is, spreken slechts over één klap/knal.

Bovengenoemde omstandigheden, in onderling verband en onderlinge samenhang bezien, leiden naar het oordeel van het hof tot de conclusie dat er maar één schot is gelost en dat er dus maar één schutter is geweest, en dat de verdachte degene is geweest die het schot heeft gelost en dus de dodelijke verwonding aan het slachtoffer heeft toegebracht. De stelling van de verdachte dat het door hem geloste schot nauwelijks geluid maakte (waardoor, zo begrijpt het hof, het door getuigen gehoorde schot niet van de verdachte afkomstig was) is, naar op grond van algemene ervaringsregelen kan worden aangenomen, onaannemelijk en dient te worden gepasseerd.

Op de zich in het dossier bevindende foto nummer 17 is een (rood)koperkleurige kogel, aangetroffen in het lichaam van het slachtoffer, te zien. Reeds hierom mist de stelling van de raadsvrouw, dat de – volgens het sectierapport witmetalen - kogel die uit het lichaam van het slachtoffer is gehaald een andere kleur heeft dan de koperkleurige kogels die de verdachte in zijn pistool had geladen, feitelijke grondslag. Dat geen positieve relatie tussen de aangetroffen kogel en de aangetroffen huls kan worden vastgesteld, is niet relevant, nu het tegendeel evenmin kan worden vastgesteld.

De overige door de raadsvrouw in dit kader aangevoerde stellingen – te weten dat volgens de verdachte de positie waarin het slachtoffer dood is aangetroffen een andere is dan de positie waarin hij het slachtoffer heeft achtergelaten en dat het slachtoffer is aangetroffen met een bril op zijn hoofd terwijl hij die bril volgens de verdachte ten tijde van het schietincident niet op had – doen aan bovengenoemde conclusie niet aan af, nog daargelaten dat deze stellingen niet door verklaringen of bevindingen van derden worden bevestigd.

Op deze gronden verenigt het hof zich met de verwerping van dit verweer door de rechtbank.

Gevoerd verweer ter zake van noodweer(exces) en putatief noodweer

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvolging nu hij, gelet op de plek waar het slachtoffer zich bevond, de omstandigheid dat het slachtoffer een beweging richting zijn broeksband maakte en de gehele voorgeschiedenis tussen verdachte en slachtoffer, in de veronderstelling verkeerde dat het slachtoffer op hem ging schieten met een vuurwapen. Tegen deze aanval heeft de verdachte zich verdedigd door richting de boom/benen van het slachtoffer te schieten, aldus de raadsvrouw.

Naar het oordeel van het hof is ter terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk geworden dat het slachtoffer een vuurwapen bij zich had waarmee hij, toen hij de verdachte zag, op de verdachte wilde schieten. Er is immers geen vuurwapen bij het slachtoffer aangetroffen. De verdachte heeft de confrontatie met het slachtoffer zelf opgezocht en heeft met het oog daarop een vuurwapen meegenomen. Dat het slachtoffer een (voor de verdachte bedreigende) beweging maakte in de richting van zijn broeksband, wordt niet door verklaringen of bevindingen van derden bevestigd en staat dus geenszins vast. Derhalve is noch noodweer noch putatief noodweer aannemelijk geworden. Nu er geen noodweersituatie is geweest, faalt ook het beroep op noodweerexces.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit. Het feit is dus strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert op:

Doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het impliciet primair tenlastegelegde ('moord') zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte, die blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 31 januari 2008 eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. Na een keer ruzie met het latere slachtoffer te hebben gehad, is zonder duidelijke reden de onderlinge verhouding gespannen gebleven. Op een avond heeft de verdachte, toen hij het slachtoffer op straat zag, een pistool getrokken en in de richting van het slachtoffer geschoten. De kogel heeft een long en de longslagader van het slachtoffer doorboord, ten gevolge waarvan hij is overleden. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan één van de ernstigste misdrijven en heeft het slachtoffer zijn meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Hij heeft bovendien de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed aangedaan.

Naar het oordeel van het hof vormt alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur een passende en geboden reactie op het plegen van dit de rechtsorde ernstig schokkende feit.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de in beslag genomen goederen zullen worden teruggegeven aan de verdachte.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 1 (telefoontoestel, merk Samsung) en 2 (leren jas, kleur bruin) zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces hebben [nabestaanden] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlaste-gelegde tot een bedrag van EUR 372,90.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van EUR 372,90.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, groot EUR 10,40, met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van EUR 10,40 materiële schade is geleden. Aannemelijk is geworden dat deze schade rechtstreeks het gevolg is van het ten laste van de verdachte bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot voornoemd bedrag worden toegewezen, met proceskosten. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij niet aangetoond dat deze materiële schade rechtstreeks is geleden als gevolg van het ten laste van de verdachte bewezenverklaarde.

Betaling aan de Staat

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 10,40 ten behoeve van de benadeelde partij.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde moord heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde doodslag, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

10 (tien) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave van de voorwerpen, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen onder de nummers 1 en 2, aan de verdachte.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaanden] tot een bedrag van EUR 10,40 (tien euro en veertig cent) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [nabestaanden], van een bedrag van EUR 10,40 (tien euro en veertig cent) voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van

1 (één) dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Dit arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser, mr. S.C.H. Koning en mr. W.P.C.M. Bruinsma,

in bijzijn van de griffier mr. F. Rutten.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 februari 2008.