Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC5392

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-02-2008
Datum publicatie
28-02-2008
Zaaknummer
C06/236
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BJ7320, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ7320
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst tot aangaan van optietransacties; margintekort en dekkingstekort; geen vergoedingsplicht indien bestedingsruimte niet langer is overschreden en belegger niet tussentijds gelden heeft hoeven bijstorten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 89
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 163
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2008, 49
JE 2008, 160
JOR 2008/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Rolnummer : 06/236

Zaaknummer Rechtbank : 202687

Rolnummer Rechtbank : 03.1781

arrest van de tweede civiele kamer d.d. 28 februari 2008

inzake

[appellant],

wonende te Sint Michielsgestel,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. J.H. Lemstra,

tegen

STAALBANKIERS N.V., voorheen geheten STAAL BANK N.V.,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Staalbankiers,

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

1. Het geding

Bij exploot van 2 december 2005 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 7 september 2005, door de Rechtbank ’s-Gravenhage gewezen tussen partijen.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van een productie drie grieven tegen het vonnis aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft Staalbankiers de grieven bestreden.

[appellant] heeft onder overlegging van een aantal producties een akte overlegging producties tevens akte vermeerdering van eis genomen en daarbij zijn eis vermeerderd.

Staalbankiers heeft een akte houdende uitlating vermeerdering van eis genomen en daarbij bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis.

Bij rolarrest van 8 november 2007 heeft het hof het bezwaar van Staalbankiers tegen de vermeerdering van eis ongegrond verklaard.

Op 9 januari 2008 hebben partijen hun zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. M.B.C. Kloppenburg en mr. J.H. Lemstra, beiden advocaat te ’s-Gravenhage, en Staalbankiers door mr. P.F. Hopman, advocaat te Amsterdam. Mr. Kloppenburg en mr. Hopman hebben pleitaantekeningen in het geding gebracht.

Ten slotte heeft [appellant] de processtukken overgelegd en hebben partijen arrest gevraagd.

2. Feiten en geschil

2.1. Het hof gaat uit van de feiten zoals die door de rechtbank onder 1 in het bestreden vonnis zijn vastgesteld, nu die als zodanig in hoger beroep niet worden bestreden.

2.2 Het gaat, samengevat, om het volgende.

[appellant], geboren in 1936, heeft sinds 1978 gewerkt op de afdeling zakelijke relaties bij de NMB bank. Sinds 1984 is hij directeur geweest en was hij in die hoedanigheid onder meer verantwoordelijk voor bijzondere kredieten. Inmiddels is [appellant] met pensioen en ontvangt hij een pensioenuitkering van de NMB bank.

2.3 Daarnaast bekleedt [appellant] – ook gedurende zijn pensioen – een aantal commissariaten en verricht hij activiteiten via zijn vennootschap Juna Teerheide B.V. Ook daarmee verwerft hij enig inkomen.

2.4 [appellant] belegt sinds 1978 bij Staalbankiers, aanvankelijk uitsluitend in aandelen; vanaf 1994 ook in opties en futures. Daartoe is in april 1994 tussen partijen een overeenkomst tot het aangaan van optietransacties gesloten. De beleggingen zijn steeds verricht op basis van een adviesrelatie tussen [appellant] en Staalbankiers.

2.5 De beleggingsgelden werden aanvankelijk aangehouden op een guldenrekening. Vanaf 1997 werden de gelden eveneens aangehouden op een dollarrekening. De effecten werden bewaard in een effectendepot.

2.6 Bij aanvang van de beleggingsrelatie is geen cliëntenovereenkomst opgesteld. Evenmin zijn het risicoprofiel en de beleggingsdoeleinden van [appellant] schriftelijk vastgelegd.

2.7 Na verschillende kredietverstrekkingen in een eerdere periode heeft Staalbankiers in augustus 1995 aan [appellant] een krediet verstrekt ten behoeve van het verrichten van effectentransacties tot maximaal ƒ 409.000,-. Tot zekerheid van de terugbetalingen van het krediet zijn de rechten uit de polis van een levensverzekering van [appellant] aan Staalbankiers verpand.

2.8 Aanvullend op dit krediet heeft Staalbankiers aan [appellant] een effectenkrediet verstrekt, zijnde een krediet in rekening-courant ter grootte van het toepasselijke dekkingspercentage van de actuele waarde van de aandelen en warrants in de effectenportefeuille.

2.9 In februari 1998 hebben partijen opnieuw een optieovereenkomst gesloten.

2.10 [appellant] heeft vanaf 1997 onder meer aandelen gekocht in de volgende fondsen:

-Pricer (op 24 juni 1997);

-Carematrix (op 13 augustus 1999);

-Teltran (op 23 november 1999);

-Starbase (in december 1999);

-Internet Capital Group (op 10 januari 2000);

-Lernout & Hauspie (op 28 augustus 2000).

2.11 Van deze fondsen had [appellant] al eerder aandelen gekocht (en verkocht) in Lernhout & Hauspie en Starbase.

2.12 De koersen van de onder 2.10 bedoelde fondsen zijn in de loop van de tijd zeer sterk gedaald. Uitgaande van het moment van aankoop zijn de koersen – met uitzondering van de koers van Starbase – tot 31 december 2000 gedaald met 97 tot 99%. De koers van het fonds Starbase is tot dat moment gedaald met 79%.

2.13 Staalbankiers heeft bij brief van 22 maart 2001 aan [appellant] bericht dat de dekkingswaarde van zijn effectenportefeuille niet langer in overeenstemming is met de door Staalbankiers gehanteerde bevoorschottingsnormen. De bank heeft [appellant] verzocht het dekkingstekort op te heffen. Hieraan is gevolg gegeven door een storting van een bedrag van ƒ 150.000,- op de guldenrekening van [appellant].

2.14 Bij brief van 11 september 2001 heeft Staalbankiers [appellant] opnieuw gewezen op “het huidige dekkingstekort als gevolg van de waardedaling van de portefeuille”.

2.15 [appellant] heeft Staalbankiers bij brief van 20 juni 2001 aansprakelijk gesteld voor de door hem als gevolg van de koersdaling van bovengenoemde fondsen geleden schade.

2.16 Staalbankiers heeft elke aansprakelijkheid van de hand gewezen en is niet tot enige betaling overgegaan.

2.17 [appellant] heeft in eerste aanleg betaling van schade, op te maken bij staat, gevorderd, vermeerderd met rente en kosten. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. Hiertegen is [appellant] in hoger beroep gekomen. In hoger beroep vordert [appellant] betaling van concrete bedragen.

3. Beoordeling van het hoger beroep

3.1 De drie grieven beogen het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. De drie grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling samen met hetgeen [appellant] in hoger beroep aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd.

3.2 De primaire vordering van [appellant] in hoger beroep is gebaseerd op de stelling dat Staalbankiers in de jaren 1997 tot en met 2001 stelselmatig en vaak langdurig margin- en dekkingstekorten heeft laten bestaan in de portefeuille van [appellant] en gedurende die periodes nieuwe (veelal risicovolle) transacties heeft toegestaan en zonder op opheffing van de bestaande tekorten aan te dringen.

3.3 [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn primaire vordering verwezen naar een tweetal rapporten van Vermogensmonitor. In deze beide rapporten wordt verwezen naar vier perioden. Periode 1 loopt van 28 oktober 1997 tot en met 27 mei 1998. In deze periode is er vrijwel voortdurend sprake van margintekorten. Periode 2 loopt van 22 juli 1999 tot en met 5 november 1999. In deze periode is er vrijwel voortdurend sprake van tekorten, eerst van margintekorten en later van dekkingstekorten. Periode 3 loopt van 8 november 2000 tot en met 22 maart 2001. In deze periode is er sprake van dekkingstekorten. Periode 4 loopt van 11 juli 2001 tot en met 30 september 2001. In deze periode is er sprake van dekkingstekorten.

3.4 Ten aanzien van de perioden 1 en 2 overweegt het hof het volgende. Zoals tijdens de pleidooien in hoger beroep door het hof naar aanleiding van de stellingen van Staalbankiers onder 5.3 – 5.5 van de conclusie van antwoord en 5.2, 5.3 en 6.4 van de conclusie van dupliek in eerste aanleg is opgeworpen en vervolgens onderwerp van partijdebat is geweest, bestaat voor de bank geen verplichting tot schadevergoeding wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. Zie art. 6:163 BW (schending van art. 28 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999, verder te noemen NR, vormt een schending van een wettelijke plicht in de zin van art. 6:162 BW) en art. 6:98 BW (zie ook Parlementaire Geschiedenis NBW boek 6, blz. 341, waar staat dat er geen reden is de gelding van het relativiteitsbeginsel tot het terrein van de onrechtmatige daad te beperken). De verplichting voor de bank om bij een saldotekort geen nieuwe transacties uit te voeren en de margin strict te handhaven, is niet bedoeld om te voorkomen dat de belegger verlies lijdt op de door hem verworven posities. Verliezen kunnen immers evengoed worden geleden als de in art. 28 lid 2 NR vermelde verplichting en de marginverplichting (alsnog) wèl worden nageleefd. Het doel van deze verplichtingen is dan ook veeleer hierin gelegen, dat voorkomen moet worden dat de belegger schade lijdt die hij niet wil of kan dragen. De belegger zal in het algemeen geacht moeten worden een schade te kunnen of willen dragen die blijft binnen de door hem voor beleggingsdoeleinden bestemde bestedingsruimte met inbegrip van hem verleend effectenkrediet. Wordt deze ruimte tijdelijk overschreden en/of de marginverplichting geschonden maar blijkt het verloop van de effectenportefeuille later zo uit te pakken dat die bestedingsruimte niet langer is overschreden, dan is er geen vergoedingsplicht, althans wanneer, zoals in dit geval, de belegger niet tussentijds gelden heeft hoeven bijstorten.

3.5 In de brief van 20 juni 2001 (productie 17 bij conclusie van antwoord in eerste aanleg) schrijft [appellant] dat zijn netto vermogenspositie op 31 december 1999, dus ná periode 2, ƒ 1.300.000,- bedroeg. Tijdens de pleidooien in hoger beroep heeft [appellant] verklaard dat zijn netto vermogenspositie in 1997, dus vóór periode 1, ƒ 700.000,- à ƒ 800.000,- bedroeg. Hieruit leidt het hof af dat [appellant] de in periodes 1 en 2 geleden verliezen per eind 1999 geheel heeft ingelopen en dat [appellant] doordat Staalbankiers in de periodes 1 en 2 onjuist handelden, per saldo geen schade heeft geleden waartegen art. 28 NR beoogt te beschermen.

3.6 Ten aanzien van periodes 3 en 4 overweegt het hof het volgende. In deze periodes is er, zoals blijkt uit de rapporten van Vermogensmonitor, niet sprake van een margintekort, maar is er slechts sprake van een dekkingstekort. Als er slechts sprake is van een dekkingstekort bestaat er geen verplichting van de bank tot gedeeltelijke liquidatie van de portefeuille over te gaan, maar bestaat er voor de bank slechts een plicht tot waarschuwen van de cliënt en een plicht om zich te onthouden van het uitvoeren van transacties voor rekening van de cliënt. Bij een dekkingstekort geldt uitsluitend art. 28 lid 2 NR en niet art. 28 lid 3 en 4. Met name geldt dan niet de in lid 4 genoemde verplichting om de posities op zo kort mogelijke termijn te sluiten. Dat blijkt uit de toelichting op art. 28 leden 3 en 4 NR waarin uitsluitend wordt gesproken over, kort gezegd, shortposities, en is ook in overeenstemming met de toelichting op het later in werking getreden art. 86 van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen, waarin de in art. 28 lid 3 en 4 NR neergelegde saldibewakings- en liquidatieplicht sedert 1 januari 2007 zijn opgenomen. In die laatste toelichting staat: “Na overleg met de AFM is besloten om in de tekst van artikel 86 voor de toekomst duidelijk te maken dat de saldibewakingsplicht en liquidatieplicht alleen betrekking hebben op financiële verplichtingen die direct voortvloeien uit posities in financiële instrumenten. Dit sluit verplichtingen die alleen voortvloeien uit krediet uit.” De argumenten die de besluitgever hiervoor heeft gebezigd, deden voorheen evenzeer opgeld.

3.7 Bij als productie 15 bij conclusie van antwoord in eerste aanleg overgelegde brief van 22 maart 2001 heeft Staalbankiers erop gewezen dat er sprake is van een dekkingstekort. In de brief wordt tevens gevraagd het dekkingstekort op te heffen of te berichten op welke andere wijze [appellant] denkt dat het debetsaldo zal worden opgeheven. [appellant] heeft op deze brief gereageerd door bij de als productie 16 bij conclusie van antwoord in eerste aanleg overgelegde brief van [appellant] van 4 april 2001 aan een notariskantoor te vragen een bedrag van ƒ 150.000,- over te maken naar zijn rekening bij Staalbankiers. In de brief schrijft [appellant] tevens dat hij begreep dat dit op 12 april 2001 geregeld zou worden. Op 15 april 2001 is ƒ 150.000,- gestort op de rekening van [appellant] bij Staalbankiers. Op de waarschuwing van de bank van 22 maart 2001 heeft [appellant] dus niet gereageerd door een deel van zijn portefeuille te liquideren, maar door bij te storten om het dekkingstekort op te heffen.

3.8 Uit productie 6n van het eerste rapport van Vermogensmonitor blijkt dat [appellant] in periode 3 geen transacties heeft verricht. Op art. 28 lid 2 NR kan [appellant] zich dan ook niet met vrucht beroepen. [appellant] heeft op de waarschuwing van 22 maart 2001 gereageerd door bij te storten en niet door een deel van zijn portefeuille te liquideren. [appellant] heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat als Staalbankiers hem eerder in de periode van 8 november 2000 tot en met 22 maart 2001 gewaarschuwd zou hebben voor het dekkingstekort, hij anders zou hebben gehandeld. [appellant] heeft ook niet gesteld dat hij in de periode van 8 november 2000 tot 22 maart 2001 niet in staat zou zijn geweest het dekkingstekort aan te zuiveren. Het hof gaat er dan ook van uit, dat [appellant] als hij in de periode van 8 november 2000 tot 22 maart 2001 door Staalbankiers zou zijn gewaarschuwd voor het dekkingstekort, hij zou zijn overgegaan tot bijstorting en niet tot gedeeltelijke liquidatie van zijn portefeuille. Dit betekent dat [appellant] doordat Staalbankiers hem in periode 3 niet waarschuwde, geen schade heeft geleden.

3.9 In periode 4 heeft [appellant], blijkens productie 6n bij het eerste schaderapport, één transactie verricht, en wel op 28 augustus 2001. Het gaat, blijkens dit rapport, om een aankooptransactie van 625 aandelen Siebel. Blijkens het eerste schaderapport is het resultaat op deze transactie € 7.222,- negatief. Over de vraag of [appellant] schade heeft geleden doordat Staalbankiers de transactie uitvoerde, hoewel er een dekkingstekort bestond, zonder tevoren [appellant] te waarschuwen voor het dekkingstekort, overweegt het hof het volgende.

3.10 De transactie van 28 augustus 2001 wordt door [appellant] in de processtukken niet genoemd. De transactie is slechts kenbaar uit het eerste rapport van Vermogensmonitor. Nu de transactie door [appellant] niet genoemd wordt in de processtukken, heeft [appellant] ook niets gesteld over de schade op deze transactie. Het negatief resultaat op deze transactie is slechts kenbaar uit het eerste rapport van Vermogensmonitor. [appellant] heeft op de waarschuwing van Staalbankiers voor een dekkingstekort van 22 maart 2001 gereageerd door bijstorting. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, als hij in periode 4 door Staalbankiers zou zijn gewaarschuwd voor een dekkingstekort, anders zou hebben gereageerd. [appellant] heeft ook niet gesteld dat hij in die periode niet tot bijstorting in staat zou zijn geweest. Het hof gaat er dan ook van uit, dat [appellant], als hij in periode 4 op het dekkingstekort zou zijn gewezen, tot bijstorting zou zijn overgegaan en niet tot gedeeltelijke liquidatie van zijn portefeuille. Het hof gaat ervan uit dat als Staalbankiers [appellant] voorafgaand aan de transactie van 28 augustus 2001 zou hebben gewaarschuwd voor het dekkingstekort, [appellant] tot bijstorting zou zijn overgegaan om het dekkingstekort op te heffen, zodat Staalbankiers geen regel zou hebben geschonden door de transactie uit te voeren. Dit betekent dat [appellant] doordat Staalbankiers hem in periode 4 niet waarschuwde, geen schade heeft geleden.

3.11 Uit het bovenstaande volgt dat [appellant] doordat Staalbankiers in perioden 1 tot en met 4 niet adequaat reageerde op margintekorten en dekkingstekorten, geen voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleden. De primaire vordering van [appellant] moet worden afgewezen. Nu [appellant] geen voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleden doordat Staalbankiers niet adequaat reageerde op margintekorten en dekkingstekorten, heeft hij geen belang bij behandeling van de grieven 1 en 2.

3.12 De subsidiaire en meer subsidiaire vordering van [appellant] zijn gebaseerd op de stelling dat Staalbankiers hem onzorgvuldig en onjuist heeft geadviseerd. [appellant] onderbouwt deze vordering met de stelling dat Staalbankiers in strijd heeft gehandeld met het “know your customer beginsel” door bij haar adviesbeleid geen rekening te houden dan wel in strijd te handelen met het risicoprofiel van [appellant] en de specifieke beleggingsdoelstellingen van [appellant]. Verder stelt [appellant] dat Staalbankiers in strijd met haar jegens [appellant] in acht te nemen zorgplicht handelde door toe te staan dat de samenstelling van de portefeuille van [appellant] veel te eenzijdig en veel te risicovol was, waardoor hij schade heeft geleden. [appellant] stelt verder dat Staalbankiers heeft nagelaten te waarschuwen voor margin- en dekkingstekorten, waardoor de aan de portefeuille verbonden risico’s almaar groter werden. [appellant] verwijt Staalbankiers dat zij hem onvoldoende heeft geïnformeerd, waardoor [appellant] onvoldoende inzicht had in het risicovolle verloop van de portefeuille en hem de mogelijkheid is ontnomen om (tijdig en adequaat) in te grijpen.

3.13 Het hof overweegt ten aanzien van de subsidiaire en meer subsidiaire vordering het volgende, waarbij het hof tevens betrekt hetgeen [appellant] ter toelichting op grief 3 heeft gesteld. De rechtbank heeft overwogen dat de beleggingen steeds zijn verricht op basis van een adviesrelatie tussen [appellant] en Staalbankiers. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] dit in hoger beroep niet gemotiveerd betwist. De rechtbank heeft tevens overwogen, dat dit meebrengt dat de verantwoordelijkheid voor een beleggingskeuze primair bij de belegger ligt en dat, ook als wordt aangenomen dat, zoals [appellant] heeft gesteld, Staalbankiers in het merendeel van de aankopen adviseerde, de verantwoordelijkheid in beginsel bij [appellant] blijft liggen. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] ook dit in hoger beroep niet gemotiveerd betwist.

3.14 Onder deze omstandigheden ligt het op de weg van [appellant] om aan te geven welke onzorgvuldige of onjuiste adviezen Staalbankiers zou hebben gegeven en voor welke risico’s Staalbankiers onvoldoende zou hebben gewaarschuwd. [appellant] onderbouwt echter op geen enkele wijze welke concrete adviezen onzorgvuldig of onjuist zouden zijn en voor welke concrete risico’s Staalbankiers ten onrechte niet heeft gewaarschuwd. [appellant] noemt geen enkel onzorgvuldig of onjuist advies en noemt geen enkel concreet risico, maar volstaat slechts met de algemene stelling dat gegeven adviezen in strijd met het risicoprofiel en beleggingsdoeleinden zouden zijn en dat hij onvoldoende inzicht had in het risicovolle karakter van de portefeuille..

3.15 Het hof voegt daar het volgende aan toe. [appellant] heeft zijn stelling dat de beleggingsportefeuille bij Staalbankiers (mede) dienden als oudedagsvoorziening onvoldoende onderbouwd. [appellant] is sinds 1984 directeur geweest bij NMB Bank. Hij ontvangt een pensioen uitkering van NMB Bank. Daarnaast bekleedt hij – ook gedurende zijn pensioen – een aantal commissariaten en hij verricht activiteiten via zijn vennootschap Juna Teerheide B.V. Ook daarmee verwerft hij enig inkomen. [appellant] heeft niet gesteld dat zijn pensioenvoorziening onvoldoende was. Ondanks verzoeken daartoe van Staalbankiers heeft [appellant] geen onderbouwde informatie gegeven over zijn vermogenssituatie en zijn pensioensituatie. Het hof gaat er dan ook, evenals de rechtbank van uit, dat de beleggingen niet kunnen worden aangemerkt als een – noodzakelijke – aanvulling op de oudedagsvoorziening.

3.16 De rechtbank geeft in 3.6 tot en met 3.14 oordelen over het beleggingsprofiel, de beleggingservaring van [appellant], de beleggingsadviezen van Staalbankiers, de gevolgen van de beleggingsadviezen en de vraag of Staalbankiers onzorgvuldig heeft gehandeld. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] deze overwegingen van de rechtbank in hoger beroep niet gemotiveerd bestreden. Het hof neemt deze overwegingen van de rechtbank over. Voorzover [appellant] in hoger beroep stelt dat de rechtbank ten onrechte de stellingen van [appellant] te beperkt heeft uitgelegd in die zin dat deze stellingen uitsluitend betrekking zouden hebben op het koersverlies van een zestal in het vonnis aangeduide fondsen, gaat het hof aan die stelling voorbij, omdat [appellant] in hoger beroep niet heeft onderbouwd op welke fondsen die stellingen dan wel betrekking zouden hebben.

3.16 Nu [appellant] op geen enkele wijze onderbouwt welke concrete adviezen onzorgvuldig of onjuist zouden zijn en tegen welk concreet risico Staalbankiers ten onrechte niet heeft gewaarschuwd, zal het hof de subsidiaire en meer subsidiaire vordering afwijzen. Grief 3 faalt.

3.17 [appellant] heeft ten bewijze aangeboden, dat hij een inkomen genoot en beleggingsdoeleinden had die hoorden bij een (overwegend) defensief (dan wel hooguit een matig offensief) beleid, dat gedurende aanzienlijke perioden margin- en krediettekorten hebben bestaan en dat in die perioden (onterecht verrichte) transacties zijn verricht, dat Staalbankiers [appellant] nooit voor het bestaan van deze margin- en/of krediettekorten heeft gewaarschuwd en niet heeft aangedrongen op vermindering van deze tekorten en dat de portefeuille van [appellant] veel te eenzijdig en risicovol was opgebouwd. Naar het oordeel van het hof zijn deze stellingen, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet relevant. Verder heeft [appellant] te bewijzen aangeboden dat [appellant] als gevolg van de (onterecht verrichte) transacties bij het bestaan van een margin- of krediettekort schade heeft geleden. Naar het oordeel van het hof is deze stelling onvoldoende onderbouwd en in het licht van het in 3.4 tot en met 3.11 overwogene niet relevant.

3.18 Bij pleidooi heeft [appellant] nog te bewijzen aangeboden de juistheid van de in de rapporten van Van Straaten gebruikte (feitelijke) uitgangspunten voor de berekeningen en van de in de rapporten berekende tekorten en schadeposten, de omvang van de door Van Straaten gemaakte kosten voor het opstellen van de rapporten, onder meer door overlegging van de door Van Straaten verzonden facturen, het feit dat [appellant] in september en de eerste helft van oktober 2001 in Frankrijk verbleef en hij Staalbankiers hiervan op de hoogte had gesteld en haar zijn telefoonnummer in Frankrijk had gegeven, onder meer door overlegging van de brief van [appellant] van 31 augustus 2001, dat Staalbankiers de klacht heeft afgewezen, onder meer door overlegging van de brief van Staalbankiers van 12 oktober 2001, de stuiting van de verjaring, onder meer door overlegging van de stuitingsbrieven van 18 maart 2002, 20 september 2002 en 7 oktober 2002, en [appellant]’s inkomens- en vermogenspositie, onder meer door overlegging van inkomensbescheiden en belastingaangiften. Naar het oordeel van het hof zijn deze stellingen gelet op het hiervoor overwogene niet relevant. Daarom gaat het hof voorbij aan de bewijsaanbiedingen van [appellant].

3.19 Nu de grieven falen, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen. Het hof zal de vorderingen in hoger beroep afwijzen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep veroordelen.

4. Beslissing

het hof:

bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 7 september 2005;

wijst de vorderingen van [appellant] in hoger beroep af;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Staalbankiers begroot op € 15.928,-, waarvan € 296,- aan verschotten en € 13.632,- aan salaris van de procureur;

verklaart dit arrest, voorzover betrekking hebbend op de proceskostenveroordeling in hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Schuering, H.P.Ch. van Dijk en M.Y. Bonneur en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 februari 2008 in aanwezigheid van de griffier.