Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC5308

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
2200574006
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich - nota bene tijdens een proefverlof - samen met een ander schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een postkantoor in Den Haag, op een moment dat dat kantoor wegens lunchpauze gesloten was. De daders, die zich met bivakmutsen onherkenbaar hadden gemaakt, hebben de twee aanwezige medewerkers een vuurwapen getoond en voortdurend levensbedreigende taal jegens hen geuit. Bovendien hebben zij de handen van de beide slachtoffers met tie-rips op hun rug vastgebonden, alles met het doel een groot geldbedrag weg te nemen. Ondertussen hielden zij met een politiescanner de eventuele komst van de politie in de gaten. Nadat door de slachtoffers onder dwang het geld in een sporttas was gedaan, zijn de verdachte en zijn mededader gevlucht.

Gedurende de direct aan deze bankroof voorafgegane periode van ongeveer twee maanden heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de voorbereiding van een overval op een Grenswisselkantoor in Rotterdam, onder meer door dat kantoor geregeld te observeren en na sluitingstijd personeel te observeren en volgen.

Tenslotte heeft de verdachte kentekenplaten geheeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005740-06

Parketnummer: 11-510113-05

Datum uitspraak: 12 februari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

Meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 2 oktober 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1954,

gedetineerd in [detentie-adres].

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

9 oktober 2007, 19 oktober 2007, 11 december 2007 en

29 januari 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen bij inleidende dagvaarding, zoals op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader omschreven, vermeld staat. Van de aanpassing omschrijving tenlastelegging is een kopie in dit arrest gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 en het onder 4 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2 en 4 subsidiair (schuldheling) ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest, met beslissingen omtrent de vordering van de benadeelde partij en de in beslag genomen voorwerpen, een en ander zoals is vermeld in het vonnis waarvan beroep.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "het vonnis", wordt daarmee bedoeld het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

5. Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank.

6. Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 4 primair ten laste gelegde en dat hij ter zake van het onder 1, 2 en 4 subsidiair (opzetheling) ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest.

7.1. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 29 januari 2008 primair bepleit dat het hof het openbaar ministerie niet ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van de verdachte, dan wel dat het ingeval van bewezenverklaring een substantieel lagere straf zal opleggen. Het standpunt van de raadsvrouw, dat nader is weergegeven in haar aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 januari 2008 gehechte pleitnota, laat zich als volgt samenvatten.

Door het onderzoeksteam is gebruik gemaakt van een informant, te weten de (mede)verdachte [medeverdachte 1]. Dat is kennelijk willens en wetens verborgen gehouden voor de rechtbank en het hof, met medeweten, althans onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie. Het inzetten van die informant blijkt volgens de raadsvrouw uit het navolgende (zakelijk weergegeven).

A. Het is ongeloofwaardig dat uit peilbakengegevens zou zijn gebleken dat de BMW van medeverdachte [medeverdachte 2] op 5 oktober 2005 tussen 5.30 uur en 9.45 uur stilstond op de Edisonlaan nummer [X] (cursivering hof) te Tilburg.1 Peilbakengegevens geven geen huisnummers weer;

B. het onderzoeksteam kon niet weten dat de verdachte en zijn twee medeverdachten rond 5.30 uur op de Edisonlaan te Tilburg in een ander voertuig zijn overgestapt2;

C. Het is ongeloofwaardig dat op 5 oktober 2005 door slechts zes verbalisanten een kentekenonderzoek zou zijn gedaan naar maar liefst 700 voertuigen in de directe omgeving van de Edisonlaan te Tilburg, waaruit naar voren zou zijn gekomen dat er maar één voertuig niet was terug te brengen in die omgeving, te weten een Mercedes Vito3 op de Edisonlaan. Eén en ander is temeer ongeloofwaardig, nu moet worden betwijfeld dat de RDW die hoeveelheid kentekenbevragingen in dermate korte tijd kan verwerken;

D. Het is onmogelijk dat kon worden geconcludeerd4 dat de Mercedes Vito op zeer korte afstand geparkeerd stond van de plaats waar de BMW had gestaan, nu een peilbakensysteem dat niet (precies) kan aangeven;

E. De politie kon vóór 18 september 2005 nog niet weten dat men een camera moest plaatsen op het GWK aan de Beijerlandselaan in Rotterdam5. Nergens kon toen uit blijken dat men het GWK wilde gaan overvallen en bovendien zijn daar meerdere banken;

F. Het is ongeloofwaardig dat het observatieteam rond het tijdstip van de overval op het postkantoor te Den Haag ten aanzien van het postkantoor noch de Mercedes Vito, relevante waarnemingen heeft gedaan6;

G. [medeverdachte 1] is kennelijk beloond voor zijn diensten door het stopzetten van het onderzoek BRZ14 dat zich op hem richtte7;

H. Het is onlogisch dat na de overval op het postkantoor te Den Haag van de verdachte schiethanden werden afgenomen, nu duidelijk was dat de overvallers handschoenen hadden gedragen en niet hadden geschoten8;

I. Het is onbegrijpelijk dat de bij [medeverdachte 1] gevonden patronen9 niet zijn vergeleken met de vuurwapens die werden gevonden in de Mercedes Vito;

J. De camerabeelden waaruit volgens de verdachte zou moeten blijken dat niet hij, maar twee anderen in het postkantoor te Den Haag zijn geweest blijken - in tegenstelling tot hetgeen eerder is vermeld10 - toch niet aan het onderzoeksteam te zijn overgedragen.11

Beoordeling verweer

Bij de beoordeling van het verweer stelt het hof voorop dat slechts sprake kan zijn van een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging als de met opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak te kort werd gedaan.12 Het hof is van oordeel dat daarvan in het onderhavige geval niet is gebleken. Ook ziet het hof - in geval van bewezenverklaring van het ten laste gelegde - geen reden voor strafvermindering. Het overweegt daartoe het navolgende.

De advocaat-generaal heeft meer dan eens gemotiveerd aangegeven dat [medeverdachte 1] binnen het onderzoek [naam onderzoek] niet als infiltrant is opgetreden en dat zij de vraag of hij informant is geweest niet kan beantwoorden, nu aan leden van het openbaar ministerie over het inzetten van informanten veiligheidshalve nooit informatie wordt verschaft.

Het hof ziet geen aanleiding vraagtekens te stellen bij deze woorden van de advocaat-generaal en is bovendien met haar van oordeel dat aannemelijk is dat de politie - ware [medeverdachte 1] wel informant geweest - in de desbetreffende processen-verbaal zou hebben vermeld dat sprake was van CIE-informatie, hetgeen binnen het onderzoek [naam onderzoek] niet ongebruikelijk was en meermalen is gebeurd.13 Het hof twijfelt mede in dat licht niet aan de juistheid van hetgeen in het dossier over de gang van zaken rond het opsporingsonderzoek ten aanzien van de verdachte is vermeld. Op grond van het vorenstaande acht het hof het niet aannemelijk dat [medeverdachte 1] binnen het onderzoek [naam onderzoek] als informant heeft opgetreden.

Met betrekking tot de door de raadsvrouw aangevoerde, onder A tot en met G vermelde omstandigheden overweegt het hof in het bijzonder nog het navolgende.

Ten aanzien van het vermelde onder A en D

Het hof acht het niet aannemelijk dat de verbalisanten van tevoren wisten dat de Mercedes Vito op de Edisonlaan stond en leidt uit het 'aanvullende proces-verbaal bakens' d.d. 18 december 2007 (nr. 0712180915.AMB) - waarin onder meer wordt vermeld dat de daadwerkelijke locatie van het baken binnen een afwijking van 55 meter kan worden weergegeven - af dat het technisch mogelijk is geweest de positie van de BMW vrij nauwkeurig te bepalen. Het hof sluit niet uit dat eenmaal ter plekke door de verbalisanten is vastgesteld dat die positie een locatie ter hoogte van de Edisonlaan [X] betrof.

In het licht van het vorenstaande acht het hof het, anders dan de raadsvrouw, ook niet onmogelijk dat kon worden geconcludeerd dat de daar aangetroffen Mercedes Vito op zeer korte afstand geparkeerd stond van de plaats waar eerder de BMW had gestaan.

Ten aanzien van het vermelde onder B

Het hof is van oordeel dat uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 augustus 2006, nr. 0608150900.AMB, duidelijk volgt op grond waarvan bij het onderzoeksteam het vermoeden ontstond dat de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op enig moment zijn overgestapt in een ander voertuig. Immers, uit het tapgesprek van 5 oktober 2005 te 3.48 uur, in samenhang met dat van 35 minuten later te 4.23 uur, kan worden opgemaakt dat zij die ochtend gingen 'zeevissen', terwijl uit de peilbakengegevens van de BMW van [medeverdachte 2] blijkt dat deze slechts ongeveer een uur later, vanaf 5.30 uur, meer dan vier uur lang heeft stilgestaan op de Edisonlaan te Tilburg.

Ten aanzien van het vermelde onder C

In het genoemde proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 augustus 2006 wordt omtrent het kentekenonderzoek (op bladzijde 2) het navolgende vermeld - zakelijk weergegeven - :

In het gebied in de directe omgeving van de Edisonlaan ter hoogte van perceel [X] te Tilburg werden ongeveer 700 kentekens van voertuigen aan de hand van de tenaamstelling bij de Rijksdienst van het Wegverkeer opgevraagd. Van één van de opgevraagde kentekens bleek dat de te naam gestelde woonachtig was in de gemeente Pijnacker. Het betrof het kenteken van een Mercedes Vito voorzien van het kenteken [kenteken]. Voor dit voertuig was een duplicaatkenteken afgegeven. De kentekenplaat was voorzien van het duplicaatnummer '1'. Uit nader onderzoek bleek dat de kentekenplaten op 4 juli 2005 op de [adres] te Zoetermeer waren weggenomen. Deze straat is in de buurt gelegen van het woonadres van één van de kernverdachten in het onderzoek [naam onderzoek], te weten [medeverdachte 4]. Van hem is bekend dat hij in gestolen voertuigen rondrijdt die zijn voorzien van valse of gestolen kentekenplaten. Voorts bleek dat de Mercedes Vito op zeer korte afstand geparkeerd stond van de plaats waar de BMW vaN [medeverdachte 2] tussen 5.30 uur en 9.45 uur had gestaan.

Het hof ziet niet in waarom een dergelijk kenteken-onderzoek niet uitvoerbaar zou hebben kunnen zijn, temeer nu de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep van 29 januari 2008 heeft meegedeeld dat verbalisanten zelf, zonder tussenkomst van de RDW kentekens kunnen natrekken. Het hof acht het voorts niet onbegrijpelijk dat de verbalisanten juist op de Mercedes Vito stuitten, nu in genoemd proces-verbaal immers wordt gerelateerd dat deze was voorzien van kentekenplaten die waren gestolen in de buurt van de woning van een andere verdachte in het onderzoek [naam onderzoek].

Ten aanzien van het vermelde onder E

Nu in het betreffende proces-verbaal14 slechts wordt gerelateerd dat de camera in week 38 op het GWK is geplaatst - dus 18, 19, 20, 21, 22, 23 of 24 september 2005 - is naar 's hofs oordeel aannemelijk dat de camera is neergezet nadat op 19 september 2005 door een observatieteam (onder meer) was geconstateerd dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in de BMW van [medeverdachte 2] over de Beijerlandselaan te Rotterdam reden, deze vervolgens in de inmiddellijke omgeving daarvan parkeerden en een personeelslid van het GWK aan de Beijerlandse Laan na afsluiten van het kantoor door [medeverdachte 3] werd gevolgd tot en met het NS-station Rotterdam-Zuid15.

Ten aanzien van het vermelde onder F

Het hof overweegt dat in meergenoemd proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 augustus 2006 uitvoerig wordt ingegaan op de gang van zaken tijdens de observaties op 14 oktober 2005. Ook wordt daarin de vraag beantwoord hoe het mogelijk was dat ten aanzien van de Mercedes Vito en het postkantoor geen relevante waarnemingen werden gedaan. Uit het proces-verbaal maakt het hof op dat één en ander vooral voortkwam uit het feit dat het personeel van het gebruikelijke observatieteam die dag werkzaam was binnen een ander onderzoek en te elfder ure het observatieteam van de Politie Haaglanden moest worden ingezet. Deze gang van zaken kan naar 's hofs oordeel worden verklaard door het navolgende.

Vanaf de start van het onderzoek [naam onderzoek] is gebleken dat de verdachten alleen of in wisselende samenstellingen diverse geldinstellingen gingen observeren. In de dagen voorafgaande aan de mogelijke observatie van het Postkantoor te Den Haag is diverse malen vastgesteld dat [medeverdachte 2], [naam verdachte] en [medeverdachte 3] het Grenswisselkantoor aan de Beijerlandselaan te Rotterdam hebben geobserveerd. Gezien de gedragingen van de verdachten kon niet worden opgemaakt waar, wanneer en in welke samenstelling zij eventueel een bankoverval zouden gaan plegen.16

Het hof acht het op grond van het vorenstaande - hoewel betreurenswaardig - verklaarbaar dat ten tijde van de overval geen relevante waarnemingen zijn gedaan.

Ten aanzien van het vermelde onder G

De advocaat-generaal heeft bij brief van 5 december 2007 aan de raadsvrouw naar aanleiding van haar vragen op dit punt gemotiveerd aangegeven wat de reden was voor het stopzetten van het onderzoek BRZ14, kort gezegd hierop neerkomend dat het onderzoek [naam onderzoek] daardoor voortgang zou kunnen krijgen zonder het risico te lopen in het vaarwater te komen van BRZ14, welk onderzoek blijkens de brief overigens op het moment van stopzetten nog geen concrete onderzoekshandelingen had opgeleverd. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de uitleg van de advocaat-generaal.

De overige aangevoerde, onder H, I en J vermelde omstandigheden geven het hof ook geen aanleiding te veronderstellen dat [medeverdachte 1] informant is geweest en behoeven naar 's hofs oordeel geen bespreking.

Gelet op het voorgaande wordt het verweer verworpen.

7.2. Beslissing omtrent getuigenverzoeken

De raadsvrouw heeft subsidiair (opnieuw) verzocht teamleider [onderzoeksnaam], de zaaksofficier van justitie mr. [X], alle observanten die zijn ingezet op 14 oktober 2005, de verbalisanten die de 700 auto's hebben gecontroleerd en de heer [medeverdachte 1] als getuigen te doen horen.

De noodzaak deze getuigen te horen is het hof niet gebleken. De verzoeken worden mede in het licht van hetgeen hiervoor onder 7.1 is overwogen en onder verwijzing naar de eerdere beslissingen van het hof op deze verzoeken ter terechtzitting van 19 oktober 2007, afgewezen.

8. Vrijspraak

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4 primair is ten laste gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

9.1. Weergave feiten en omstandigheden feit 1

13 oktober 2005

De verdachte [medeverdachte 2] breekt 's avonds vanaf ongeveer 22.00 uur in bij het postkantoor aan de Van Hogenhoucklaan te Den Haag. Hij heeft dan een tas met gereedschap bij zich, waaronder een koevoet en een boormachine.17 Hij is eerder die dag samen met de verdachte bij Gamma te Dordrecht geweest en heeft daar onder meer een sloopbeitel (het is het hof bekend dat dat een soort koevoet betreft) en een boormachine gekocht18. De tas betreft dezelfde tas als de tas met geld en andere zaken die bij zijn aanhouding op 14 oktober 2005 wordt aangetroffen.19 [medeverdachte 2] kijkt in de bank goed rond, onder andere naar de kluisdeur. Hij vertrekt vervolgens en is dan ongeveer een uur in de bank geweest.20 Om 22.55 uur wordt door observanten gezien dat twee personen op de Bronovolaan te Den Haag lopen, komende uit de richting van de Van Hogenhoucklaan. Zij stappen vervolgens in een Toyota. Om 23.00 uur worden [medeverdachte 2] en [verdachte] respectievelijk als bestuurder en bijrijder van die Toyota herkend.21

14 oktober 2005

Om 12.17 uur staat een Mercedes Vito met kenteken [kenteken] geparkeerd op een parkeerplaats aan het Theo Bouwmeesterpad te Den Haag.22 Om 12.36 uur is het donker in het postkantoor aan de Van Hogenhoucklaan 95 te Den Haag. Uit vermelde openingstijden van het kantoor blijkt dat dit tussen 12.00 uur en 13.00 uur gesloten is.23 Tussen 12.05 en 12.10 ziet de bij genoemd kantoor werkzame baliemedewerkster [slachtoffer 1] twee mannen die bivakmutsen dragen vanuit de keuken van het postkantoor komen. Ze wordt door één van de mannen bij haar arm gepakt en hoort hem zeggen: 'meekomen, meekomen'. Ze moet van de mannen de reguliere kluis openmaken. Er wordt gezegd dat zij geen fouten mag maken, omdat ze anders een kogel door haar hoofd krijgt. Ze hoort dat één van de daders een politiescanner bij zich heeft. [slachtoffer 1] moet van één van de mannen knielen met haar armen op haar rug, waarna de man een zwarte tie-rip om haar armen doet. Tegen haar collega [slachtoffer 2] wordt door één van de overvallers geroepen: 'We richten een bloedbad aan en als je een fout maakt slaan we een gat in die grijze kop van je'. [slachtoffer 1] moet geld uit de kluisladen halen en doet dat in een tas. De man die steeds bij haar collega [slachtoffer 2] is, draagt donkere handschoenen. De man die steeds bij haar blijft draagt ook handschoenen. Van beide mannen ziet zij dat ze een donkerkleurig pistool bij zich hebben.24

Haar collega [slachtoffer 2] wordt door één van de mannen bij zijn nek vastgepakt en op de grond gegooid. De man zegt tegen hem: 'Ga liggen, hoofd voorover, niet kijken, niet praten, anders schiet ik je dood', of woorden van gelijke strekking. Hij wordt continue bedreigd. Zo wordt gezegd: 'Jij wilt geintjes uithalen. Als je geintjes uithaalt, schiet ik je door je kop heen' en - bij het openen van een kluisdeur - 'je moet het rustig doen, geen gekke dingen doen, in één keer goed, anders sla ik een gat in je hersens.'25 Eén van de overvallers spreekt volgens [slachtoffer] Nederlands met een Surinaams accent, de ander spreekt niet algemeen beschaafd Nederlands. [slachtoffer] ziet een gedeelte van diens pols en ziet dan een blanke huidskleur.26 Hij ziet ook dat de man een zilverkleurige revolver in zijn hand houdt. [slachtoffer] moet geldcassettes legen in een zwarte sporttas. Daarna worden zijn armen met tie-rips op zijn rug vastgebonden. Ook wordt er nog hevig aan zijn been gerukt. Vervolgens vluchten de overvallers weg, waarna [slachtoffer] op de alarmknop drukt.27 Om 13.14 uur wordt bij de Regionale Meldkamer Politie Haaglanden een melding van de overval verwerkt.28

Omstreeks 13.14 uur gaat de genoemde Mercedes Vito met kenteken [kenteken] rijden vanaf het Theo Man Bouwmeester-pad te Den Haag.29 Om 13.40 uur worden door leden van het arrestatieteam van het regiokorps Haaglanden op de rijksweg A20 de verdachte en [medeverdachte 2] aangehouden. Zij rijden op dat moment respectievelijk als bestuurder en bijrijder in de Mercedes Vito met kenteken [kenteken].30 In die auto wordt in een zwarte sporttas een hoeveelheid geld aangetroffen en in beslag genomen. Op de geldbundelstroken staat een kantoorstempel vermeld van het kantoor 's-Gravenhage Van Hogenhoucklaan.31 Na (her)telling blijkt het te gaan om een bedrag van EUR 233.685,--.32 In de sporttas wordt een zwarte bivakmuts aangetroffen33, die wordt veiliggesteld ten behoeve van DNA-onderzoek.34

Uit onderzoek van het NFI blijkt dat het celmateriaal in de bemonstering van deze bivakmuts afkomstig kan zijn van de verdachte en dat de kans dat een willekeurig gekozen man hetzelfde DNA-profiel bezit als dat van het celmateriaal in de bemonstering van de bivakmuts, minder dan één op één miljard bedraagt.35 Daarnaast worden in de sporttas een zwartkleurig pistool en een zilverkleurige revolver aangetroffen en veiliggesteld, die overeen komen met de door de slachtoffers gegeven beschrijvingen van de vuurwapens.36 Tenslotte wordt in de sporttas een communicatieontvanger (merk ICOM type ICR5) (het hof begrijpt: een scanner) met antenne gevonden.37 In de Mercedes wordt een jas aangetroffen, met daarin onder meer een geplastificeerd kaartje met daarop een vierkant teken met cijfers en letters 311005A, een T-teken met de cijfers 30078102 en een rond teken met de cijfers en letters 65 35 75 24 5R 4L 3R 2L.38 [slachtoffer 1] herkent dat kaartje op 18 oktober 2005 als het kaartje dat zij tijdens de overval heeft gepakt om een kluis te openen.39 In de jas wordt ook een sleuteletui met vijf sleutels gevonden40. Deze sleutels blijken van de verdachte te zijn.41 [slachtoffer 1] herkent op 16 november 2005 de op een foto afgebeelde, bij de verdachte [medeverdachte 2] in beslag genomen schoenen42 als de schoenen die één van de overvallers tijdens de overval heeft gedragen.43 Eerder had zij deze schoenen al omschreven en getekend.44

Alle genoemde verklaringen van personen zijn zakelijk weergegeven.

9.2. Weergave feiten en omstandigheden feit 2

Op 18 augustus 2005 om 8.10 uur is er een gesprek tussen [medeverdachte 2] en [vrouw 1]. Zij vraagt hem waar hij is, maar hij zegt dat hij dat niet mag zeggen.45 Uit zendmastgegevens blijkt dat de mobiele telefoon van [medeverdachte 2] op dat moment aanstraalt op de zendmast die staat op de Hillevliet te Rotterdam, in de directe omgeving van de Beijerlandselaan te Rotterdam.46

Op 14 september 2005 te 9.04 uur peilt de BMW met kenteken [kenteken] van [medeverdachte 2] uit op het [straatnaam] te Delft en om 10.03 op de Beijerlandselaan te Rotterdam.47 Op het [straatnaam] (nummer [x]) te Delft woont [naam vriendin], de vriendin van de verdachte. Hij verblijft in die tijd op dat adres.48

Op 17 september 2005 te 11.01 uur vraagt de verdachte in een telefoongesprek aan [medeverdachte 2] hoe laat hij bij hem is, waarop [medeverdachte 2] antwoordt: 'Om 12.00 uur'.49 Om 12.11 die dag peilt de BMW met kenteken [kenteken] van [medeverdachte 2] uit op het [straatnaam] te Delft.50 Vervolgens is de BMW om 13.23 uur op de Beijerlandselaan te Rotterdam. In een telefoongesprek van 15.25 uur zegt de verdachte tegen verdachte [medeverdachte 3] dat hij bij de Spaanse Polder is en dat hij naar hem toekomt. Op de achtergrond is [medeverdachte 2] te horen.51 Om 17.12 uur is de BMW weer op de Beijerlandselaan.52

Op 19 september 2005 te 11.19 uur zegt de verdachte tijdens een telefoongesprek tegen [medeverdachte 3] dat hij om 14.00 uur bij hem moet zijn.53 Om 13.23 uur zegt de verdachte in een telefoongesprek tegen [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 3] hier met smart op [medeverdachte 2] zit te wachten en dat zij bij de verdachte thuis wat dingetjes zullen doorspreken.54 Om 17.10 uur rijden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de BMW met kenteken [kenteken] op de Beijerlandselaan te Rotterdam. Om 17.56 uur parkeert [medeverdachte 2] de BMW op de Hilledijk en stapt uit. [medeverdachte 3] loopt in de richting van het Grenswisselkantoor aan de Beijerlandselaan 7. Hij kijkt om 17.59 uur vanaf de overzijde naar het Grenswisselkantoor. Samen met [medeverdachte 2] blijft hij enige tijd naar de ingang van het Grenswisselkantoor kijken. Om 18.18 uur komt er een vrouw uit het Grenswisselkantoor. Zij sluit de ingang. [medeverdachte 2] loopt op de Beijerlandselaan in haar richting en passeert haar. Vervolgens rent hij weg. Hij rijdt weg in de BMW, waarna [medeverdachte 3] om 18.24 uur achter de vrouw aanloopt tot in het NS-station Rotterdam Zuid. Hij zit op een bankje, terwijl de vrouw enkele meters verder op een ander bankje zit.55

Om 18.43 uur vraagt [medeverdachte 3] in een telefoongesprek met de verdachte of de verdachte 'Joop' even kan bellen en zeggen dat [medeverdachte 3] bij ESSO op de Brielselaan staat. De verdachte zegt dat toe.56 Om 18.45 uur zegt de verdachte in een telefoongesprek met [medeverdachte 2] dat 'die andere' hem heeft gebeld en dat hij bij Esso op de Brielselaan staat. Om 18.46 uur staat [medeverdachte 3] op de Brielselaan te Rotterdam te bellen.57 Om 18.48 uur zegt de verdachte tijdens een telefoongesprek met [medeverdachte 3] dat 'hij' [medeverdachte 3] zal bellen.58 Twee minuten later geeft de verdachte telefonisch aan [medeverdachte 2] het 06-nummer van [medeverdachte 3] door.59 Vervolgens belt [medeverdachte 2] [medeverdachte 3] en vraagt waar die staat. [medeverdachte 3] zegt dat hij aan de andere kant bij Esso staat, waarop [medeverdachte 2] zegt dat hij er over tien minuutjes is.60 Om 18.54 uur loopt [medeverdachte 3] in de richting van de Beijerlandselaan. Om 19.00 uur rijdt [medeverdachte 2] in de BMW met kenteken [kenteken] op de Beijerlandselaan. [medeverdachte 3] loopt daar op dat moment.61 Om 19.09 zegt [medeverdachte 2] tijdens een telefoongesprek tegen [medeverdachte 3] dat hij in de straat is, waarop [medeverdachte 3] zegt: 'okay, telefooncel'.62

Op 21 september 2005 te 16.38 uur stappen [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en de verdachte in de BMW met kenteken [kenteken]. Om 16.54 uur wordt de auto geparkeerd op de Beijerlandselaan te Rotterdam. 2 minuten later stapt de verdachte uit en loopt langs de winkels van de Beijerlandselaan. Om 17.25 uur rijdt de BMW met kenteken [kenteken] op de 2e Rosestraat te Rotterdam. [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en de verdachte zitten in de auto. Om 17.28 uur rijden zij stapvoets voorbij het Grenswisselkantoor aan de Beijerlandselaan. Om 17.35 uur wordt de auto zodanig geparkeerd dat het Grenswisselkantoor goed is te zien. Om 18.01 uur komt uit het Grenswisselkantoor een vrouw. Zij sluit de deur en loopt weg. De BMW met kenteken [kenteken] rijdt om 18.02 uur via de Beverstraat naar de Beijerlandselaan. [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en de verdachte stappen alledrie uit en lopen om 18.13 uur in de richting van het NS-station.63 Om 18.17 uur lopen zij het station Lombardijen in64 en om 18.19 uur lopen zij op perron 3-4 van dat station. De vrouw loopt dan op perron 1-2.65

Op 22 september 2005 wordt door het Grenswisselkantoor aan de Beijerlandselaan te Rotterdam de openings- en sluitingsprocedure gewijzigd. Vanaf de sluiting op 22 september 2005 gaat er een medewerker van het beveiligingsbedrijf Securicor mee. Dit herhaalt zich dagelijks bij opening en sluiting van het kantoor.66

Op 23 september 2005 te 9.52 uur is de BMW met kenteken [kenteken] op de Beijerlandselaan te Rotterdam.67 Om 13.24 uur zegt de verdachte in een telefoongesprek tegen [medeverdachte 2] dat '[bijnaam]' (hof: dit betreft [medeverdachte 3]68) met smart op een telefoontje van [medeverdachte 2] zit te wachten. De verdachte zegt ook dat [medeverdachte 2] met [bijnaam] 'dat ene' kan afwerken. Daarop zegt [medeverdachte 2]: We zijn niet meer belangrijk, het is niet meer zoals het was. Het is allemaal verkloot.' De verdachte antwoordt: 'Nou ik hoor het later wel van je', waarop [medeverdachte 2] instemmend reageert.69 Om 14.59 uur zegt de verdachte tijdens een telefoongesprek tegen [medeverdachte 3] dat [medeverdachte 2] nog het één en ander te doen heeft en dan even bij [medeverdachte 3] langs schiet. [medeverdachte 3] antwoordt: 'dan hoor ik het. Ik heb het vuur onder mijn schoenen zitten.' De verdachte zegt daarop dat hij dat weet.70

Op 10 oktober 2005 te 10.21 uur is de BMW met kenteken [kenteken] op de Beijerlandselaan te Rotterdam.71 De medewerker van Securicor is die dag om 10.10 uur bij het Grenswisselkantoor vertrokken.72 Om 10.50 uur maakt de verdachte in een telefoongesprek met [medeverdachte 2] een afspraak om 12.30 uur.73

Op 12 oktober 2005 staat de Toyota met kenteken [kenteken] die in gebruik is bij [medeverdachte 2]74 tussen 9.54 uur en 10.14 uur stil op de Beijerlandselaan te Rotterdam.75 De medewerker van Securicor is die dag om 10.14 uur bij het Grenswisselkantoor vertrokken.76

Alle genoemde verklaringen van personen zijn zakelijk weergegeven.

9.3. Weergave feiten en omstandigheden feit 4

Op 5 juli 2005 doet [aangever feit 4] aangifte van diefstal van zijn kentekenplaten met het kenteken [kenteken].77 Op 5 oktober 2005 wordt de verdachte meermalen geobserveerd in een Mercedes Vito met kenteken [kenteken].78 Ook op 10 oktober 2005 wordt hij bij die Mercedes gezien, wanneer hij in een wasstraat in Tilburg met een hogedrukspuit in de richting van de laadruimte van die auto spuit.79 Op 14 oktober 2005 wordt de verdachte, die op dat moment als bestuurder rijdt in de Mercedes Vito met kenteken [kenteken], aangehouden.80 De stuurkolom van de Mercedes blijkt te zijn geforceerd en in de auto liggen gedeelten van het omhulsel van de stuurkolom.81 De verdachte heeft naar zijn zeggen wel eerder in de Mercedes Vito gereden dan op de dag van de aanhouding op 14 oktober 2005. Hij leende de auto iedere keer en is ermee naar Weert en Dordrecht geweest. Hij heeft nooit kentekenpapieren gezien en heeft daar ook nooit naar gevraagd.82

10. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (EUR 233.685) toebehorende aan Postkantoren B.V. welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededader met voornoemd oogmerk - zakelijk weergegeven -

- die [slachtoffer 1] bij haar arm heeft/hebben vastgepakt en tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd: 'meekomen, meekomen' en

- een pistool en/of een revolver aan die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer] heeft/hebben getoond;

- op dreigende toon tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat zij geen fouten mocht maken, omdat zij anders een kogel door haar hoofd zou krijgen, althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en

- die [slachtoffer] bij zijn nek heeft/hebben vastgepakt en op de grond heeft/hebben gegooid en

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: 'Ga liggen, hoofd voorover, niet kijken, niet praten, anders schiet ik je dood.', althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en

- op dreigende toon tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: 'We richten een bloedbad aan en als je een fout maakt slaan we een gat in die grijze kop van je.', althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: 'Jij wil geintjes uithalen, als je geintjes uithaalt schiet ik je door je kop heen.', althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: 'Je moet het rustig doen, geen gekke dingen doen, in een keer goed, anders sla ik een gat in je hersens.', althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en

- de handen van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer] met tie-rips op hun rug heeft/hebben vastgebonden en

- met kracht aan een been van die [slachtoffer] heeft/hebben gerukt en/of getrokken;

2

hij in de periode van 18 augustus 2005 tot en met 12 oktober 2005 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen ter voorbereiding van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld in vereniging hetgeen het misdrijf van artikel 312 lid 1 en lid 2 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht en/of afpersing in vereniging hetgeen het misdrijf van artikel 317 lid 1 en lid 3 van het Wetboek van Strafrecht oplevert, opzettelijk

- personenauto's (te weten een Toyota Paseo, kenteken [kenteken] en een BMW, kenteken [kenteken]) en

- GSM's

kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar

- met die GSM's een afspraak gemaakt in de buurt van het Grenswisselkantoor, gevestigd aan de Beijerlandselaan te Rotterdam en

- met en vanuit voertuigen observaties gedaan op het Grenswisselkantoor, gevestigd aan de Beijerlandselaan te Rotterdam en

- met een rijdend voertuig en lopend personeel van het Grenswisselkantoor, gevestigd aan de Beijerlandselaan te Rotterdam gevolgd en/of geobserveerd;

4 subsidiair

hij in de periode van 5 oktober 2005 tot en met 14 oktober 2005 in Nederland kentekenplaten (kenteken [kenteken]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die kentekenplaten wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

11. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hierboven onder 9 zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

12. Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

Anders dan de raadsvrouw - die kort gezegd heeft betoogd dat niet de verdachte, maar een onbekend gebleven derde persoon samen met [medeverdachte 2] de overval heeft gepleegd, waarna de verdachte in Wassenaar in de Mercedes Vito met kenteken [kenteken] is gestapt - gaat het hof er van uit dat de verdachte één van de overvallers in de bank was. De verklaring van de verdachte dat hij pas in Wassenaar is ingestapt, acht het hof niet geloofwaardig.

Het hof overweegt daartoe dat de verdachte op de avond vóór de overval met [medeverdachte 2] dicht bij het postkantoor is gezien, vlak nadat deze daar had ingebroken. [medeverdachte 2] had toen gereedschap bij zich dat hij die dag samen met de verdachte bij Gamma had gekocht. Het hof leidt daaruit af dat zij de overval samen hebben voorbereid.

Daarnaast is in de jas van de verdachte het geplasti-ficeerde kaartje gevonden met cijfers en letters die zijn gebruikt om één van de kluizen te openen en is in de bivakmuts die werd aangetroffen in de zwarte sporttas waarin tevens het weggenomen geld lag - en die volgens [medeverdachte 2] ook de avond van tevoren bij zijn inbraak in het postkantoor was gebruikt - DNA-materiaal aangetroffen dat van de verdachte afkomstig kan zijn. De kans dat een willekeurig gekozen man hetzelfde DNA-profiel bezit als dat van het celmateriaal in de bemonstering van de bivakmuts, bedraagt minder dan één op één miljard. Daarnaast heeft de verdachte geen redelijke verklaring gegeven voor het feit dat hij slechts 26 minuten na de melding van de overval samen met [medeverdachte 2] werd aangehouden in een auto waarin (onder meer) het bij de overval weggenomen geld en daarbij gebruikte zaken, zoals het geplastificeerde kaartje, bivakmutsen, vuurwapens en een scanner werden aangetroffen.

Aan 's hofs oordeel doet niet af de door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheid dat [slachtoffer] de zwarte inktachtige vlek die de verdachte op zijn rechterpols heeft, niet is opgevallen toen één van de overvallers - volgens de raadsvrouw niet [medeverdachte 2] - hem een vuurtje gaf. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij (slechts) een gedeelte van de pols van de overvaller heeft gezien, terwijl [slachtoffer 1] heeft gezegd dat beide overvallers handschoenen droegen, zodat niet is uit te sluiten dat de inktvlek - waarvan overigens niet vaststaat dat de verdachte die op 14 oktober 2005 al had - was bedekt.

Ook het door de raadsvrouw aangevoerde feit dat de grote bril die één van de overvallers - volgens de raadsvrouw niet [medeverdachte 2] - volgens [slachtoffer 1] zou hebben gedragen, nadien niet is aangetroffen, leidt het hof niet tot een ander oordeel. In het licht van het voorgaande kan aan 's hofs oordeel ook niet afdoen het door de raadsvrouw aangevoerde feit dat in de sporttas in de Mercedes Vito nog een derde bivakmuts met het DNA-materiaal van [medeverdachte 1] is aangetroffen. Behalve deze muts zijn er geen aanwijzingen voor de betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij dit feit en overigens zijn in de sporttas nog meer voorwerpen aangetroffen die niet zijn gebruikt bij de overval, zoals twee pruiken.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

Uit de onder 9.2 vermelde peilbakengegevens, tapgesprekken en observaties in onderling verband en samenhang bezien, blijkt naar 's hofs oordeel dat de verdachte en/of zijn medeverdachte(n) zich in de periode van 18 augustus 2005 tot en met 12 oktober 2005 meermalen - dikwijls nadat men (vlak) van tevoren met elkaar heeft gebeld - in wisselende samenstelling begeeft/begeven naar de Beijerlandselaan te Rotterdam, waar zich een Grenswisselkantoor bevindt. Zij zijn daar vooral aanwezig rond openings- en sluitingstijd.

Op 19 september 2005 observeren [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] het Grenswisselkantoor - rond sluitingstijd - en volgen en observeren een medewerkster die zojuist het kantoor heeft afgesloten. Later die dag brengt de verdachte zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], die zich op dat moment bevindt bij het ESSO tankstation aan de Brielselaan te Rotterdam, met elkaar in contact, waarna [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] een afspraak maken en zich beiden naar de Beijerlandselaan begeven. Het is het hof bekend dat de Brielselaan zich in de directe nabijheid van de Beijerlandselaan bevindt.

Op 21 september 2005 observeren [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en de verdachte het Grenswisselkantoor - rond sluitingstijd - en volgen en observeren rijdend en lopend een medewerkster die het kantoor afsluit.

Vanaf 22 september 2005 gaat er bij de opening en de sluiting van het Grenswisselkantoor een beveiliger van Securicor mee.

Op 23 september 2005 is [medeverdachte 2] - rond openingstijd - op de Beijerlandselaan en deelt een paar uur later aan de verdachte telefonisch mee dat 'het verkloot' is. Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 2] op 23 september 2005 kennis heeft gekregen van de gewijzigde openings- en sluitingsprocedure van het Grenswisselkantoor en dat hij dat in het telefoongesprek aan de verdachte meedeelt.

Uit het feit dat op 10 oktober 2005 de BMW van [medeverdachte 2] - rond openingstijd - op de Beijerlandselaan is, waarna [medeverdachte 2] 30 minuten later met de verdachte een afspraak maakt, en het feit dat slechts twee dagen later de Toyota van [medeverdachte 2] zich - tijdens openingstijd - daar wederom bevindt, leidt het hof af dat de verdachten - na een korte periode van inactiviteit en op 12 oktober 2005 kennelijk veiligheidshalve met een andere auto - zijn doorgegaan met hun voorbereidingshandelingen.

Op grond van het vorenstaande staat naar 's hofs oordeel vast dat de verdachte en zijn mededaders in de bewezen verklaarde periode een overval op het Grenswisselkantoor aan de Beijerlandselaan te Rotterdam hebben voorbereid.

Het hof is van oordeel dat de verdachte door zijn uit het voorgaande blijkende, actieve betrokkenheid zo bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn mededaders dat voor wat betreft de gehele bewezen verklaarde periode sprake was van medeplegen van de verdachte. In dat licht is naar 's hofs oordeel de door de raadsvrouw aangevoerde stelling dat niet vaststaat dat de verdachte op 12 oktober 2005 de Toyota - die gelet op het voorgaande naar 's hofs oordeel kennelijk bestemd was voor de overval - voorhanden heeft gehad, niet relevant.

Het verweer van de raadsvrouw dat de verdachten na

12 oktober 2005 vrijwillig zijn teruggetreden wordt verworpen, nu niet aannemelijk is geworden dat de door de verdachte en/of zijn medeverdachten verrichte voorbereidingshandelingen op enig moment tengevolge van omstandigheden van de wil van de verdachte(n) afhankelijk, niet zijn voltooid. Bij dat oordeel betrekt het hof het feit dat [medeverdachte 2] en de verdachte twee dagen nadat de Toyota van [medeverdachte 2] voor het laatst was uitgepeild op de Beijerlandselaan te Rotterdam, werden aangehouden voor de overval op de postbank te Den Haag. Die aanhouding kan uiteraard bezwaarlijk worden beschouwd als een van de wil van de verdachte(n) afhankelijke omstandigheid.

Uit het feit dat bij alle onder 9.2 vermelde telefoon-gesprekken sprake was van 06-nummers leidt het hof af dat de verdachte en zijn medeverdachten GSM's voorhanden hebben gehad, zoals is bewezen verklaard.

Zowel de op 19 september 2005 door [medeverdachte 2] als de op 21 september 2005 door [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en de verdachte geobserveerde en gevolgde vrouw heeft de deur van het Grenswisselkantoor afgesloten. Hieruit leidt het hof af dat op beide dagen sprake is geweest van personeel van dat kantoor, zoals is bewezen verklaard.

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde

Het hof is van oordeel dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan opzetheling van de kentekenplaten. Door niet te vragen naar kentekenpapieren, terwijl de stuurkolom van de auto was geforceerd en in de auto gedeelten van het omhulsel van de stuurkolom lagen, heeft de verdachte naar 's hofs oordeel bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de kentekenplaten van diefstal afkomstig waren.

13. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Medeplegen van voorbereiding van diefstal, voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en/of afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van het onder 4 subsidiair bewezen verklaarde:

Opzetheling.

14. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Hij is dus strafbaar.

15. Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich - nota bene tijdens een proefverlof - samen met een ander schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een postkantoor in Den Haag, op een moment dat dat kantoor wegens lunchpauze gesloten was. De daders, die zich met bivakmutsen onherkenbaar hadden gemaakt, hebben de twee aanwezige medewerkers een vuurwapen getoond en voortdurend levensbedreigende taal jegens hen geuit. Bovendien hebben zij de handen van de beide slachtoffers met tie-rips op hun rug vastgebonden, alles met het doel een groot geldbedrag weg te nemen. Ondertussen hielden zij met een politiescanner de eventuele komst van de politie in de gaten. Nadat door de slachtoffers onder dwang het geld in een sporttas was gedaan, zijn de verdachte en zijn mededader gevlucht.

Zodoende hebben de verdachte en zijn mededader zeer ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de beide slachtoffers en hun gevoel van veiligheid op hun werkplek fors aangetast. Blijkens hun verklaringen hebben zij het gebeurde als zeer beangstigend en bedreigend ervaren.

De verdachte en zijn mededader hebben zich kennelijk laten leiden door hun eigen financieel gewin, zonder er bij stil te staan dat slachtoffers van delicten als de onderhavige in de regel nog geruime tijd lijden onder de psychische en lichamelijke gevolgen van hetgeen hun is aangedaan. Ter terechtzitting in hoger beroep van 29 januari 2008 heeft één van de slachtoffers als benadeelde partij verklaard dat zij als gevolg van het gebeurde ook nu nog angstgevoelens en lichamelijke klachten heeft. Feiten als de onderhavige brengen in de regel ook bij burgers heftige gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Gedurende de direct aan deze bankroof voorafgegane periode van ongeveer twee maanden heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de voorbereiding van een overval op een Grenswisselkantoor in Rotterdam, onder meer door dat kantoor geregeld te observeren en na sluitingstijd personeel te observeren en volgen. Het delict dat de verdachte en zijn mededaders voor ogen stond is een zeer ernstig feit en veroorzaakt zoals hiervoor al is overwogen in het algemeen gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Tenslotte heeft de verdachte kentekenplaten geheeld. Ook dit feit verdient bestraffing, nu heling het plegen van diefstallen en inbraken lucratief maakt en een afzetmarkt voor gestolen voorwerpen in stand houdt.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft het hof laten meewegen dat bij de verdachte en zijn mededaders sprake is geweest van een grote mate van professionaliteit, zowel bij de overval op het postkantoor, als bij de voorbereiding van de overval op het Grenswisselkantoor. Beide feiten zijn nauwkeurig voorbereid. Ten aanzien van de overval op het postkantoor geldt dat een mededader ter verkenning van de bank daar al op de avond van tevoren heeft ingebroken, terwijl de verdachte in zijn buurt was alsmede dat de daders het tijdstip van de overval zorgvuldig hadden uitgekozen en tijdens de overval bivakmutsen droegen, kennelijk om later niet herkend te kunnen worden. Ook de beschikbaarheid van vuurwapens, een scanner en een vluchtauto getuigt van professioneel handelen.

Tijdens de voorbereiding van de overval op het Grenswisselkantoor hebben de daders zich in wisselende samenstelling gedurende bijna twee maanden zeer geregeld begeven in de directe nabijheid van dat kantoor en zelfs personeel van dat kantoor geobserveerd en gevolgd. Ook daaruit spreekt professioneel handelen.

Het hof heeft tenslotte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 januari 2008, waaruit is gebleken dat hij al heel vaak onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder een poging tot doodslag, een overval op een geldinstelling, meerdere overtredingen van de Wet Wapens en Munitie en - in het verleden - medepleging van afpersing. De verdachte moet beschouwd worden als een beroepscrimineel die geen blijk geeft bereid te zijn om zijn gedrag te verbeteren.

Het hof is alles overwegende van oordeel dat het opleggen van een gevangenisstraf van na te melden lange duur een passende en geboden reactie vormt.

16. Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de in beslag genomen scanner zal worden verbeurdverklaard en dat de walkie talkie zal worden teruggegeven aan de verdachte.

De scanner, merk ICOM, type ICR5 (beslagnummer T501J1) met antenne zal worden verbeurdverklaard, nu met behulp daarvan het onder 1 bewezen verklaarde is begaan.

De walkie talkie zal - bij gebreke van enige gebleken relatie tot de bewezen verklaarde feiten - worden teruggegeven aan de verdachte.

17.1. Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde tot een bedrag van EUR 1.750,--.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is door noch namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit. Daarom leent de vordering van de benadeelde partij zich voor toewijzing. Het hof zal naar maatstaven van billijkheid een bedrag van EUR 1.750,-- toekennen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

17.2. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 bewezen verklaarde feiten is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 1.750,-- ten behoeve van het slachtoffer.

18. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 46 (oud), 47, 55, 57, 63, 312, 317 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

19. BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 subsidiair ten laste gelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezen verklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

8 (acht) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave van een walkie talkie, merk Contell aan de verdachte.

Verklaart verbeurd 1 scanner, merk ICO, type ICR5 met antenne (beslagnummer T501J1).

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot het gevorderde bedrag van

EUR 1.750,00 (duizend zeven honderd vijftig euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, van een bedrag van

EUR 1.750,00 (duizend zeven honderd vijftig euro),

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van

35 (vijfendertig) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Dit arrest is gewezen door mr. B.A. Stoker-Klein,

mr. A.J.M. Kaptein en mr. G.J.W. van Oven, in bijzijn van de griffier mr. W.R. van Hattum.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 februari 2008.

1 Zie blz. 2 en 3 zaaksdossier Postkantoor Den Haag en het proces-verbaal

van 20 november 2007, nr. 0711201300.AMB.

2 Zie blz. 2 en 3 zaaksdossier Postkantoor Den Haag en het proces-verbaal

van 20 november 2007, nr. 0711201300.AMB.

3 Zie blz. 3 zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

4 Zie blz. 2 proces-verbaal d.d. 15 augustus 2006, nr. 0608150900.AMB.

5 Zie algemeen proces-verbaal van het opsporingsonderzoek [naam onderzoek] d.d. 29

augustus 2006, blz. 29.

6 Zie onder meer blz. 5 proces-verbaal d.d. 15 augustus 2006, nr.

0608150900.AMB.

7 Zie blz. 223 zaaksdossier Vlijmen.

8 Zie blz. 36, 39 en 40 zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

9 Zie blz. 607 zaakdossier Postkantoor Den Haag.

10 Zie blz. 53 zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

11 Zie proces-verbaal d.d. 20 november 2007, nr. 0711221000.AMB.

12 HR 19 december 1995, NJ 1996, 249 (Zwolsman) en HR 30 maart 2004, NJ 2004,

376.

13 Zie onder meer algemeen proces-verbaal van het opsporingsonderzoek [naam onderzoek]

d.d. 29 augustus 2006, blz. 4 en 5.

14 Zie algemeen proces-verbaal van het opsporingsonderzoek [naam onderzoek] d.d. 29

augustus 2006, blz. 29.

15 Zie blz. 47 en 48 zaaksdossier GWK Beijerlandse Laan.

16 Zie blz. 4 proces-verbaal d.d. 15 augustus 2006, nr. 0608150900.AMB.

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 oktober 2005, nr. 2005361755-

9, blz. 124-126 zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

18 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 oktober 2005, documentcode

0510201633.AMB, blz. 179, 180 en 196 zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 oktober 2005, nr. 2005361755-

9, blz. 124-126 zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 oktober 2005, nr. 2005361755-

9, blz. 124-126 zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

21 Een geschrift, zijnde een niet ondertekend proces-verbaal van observeren

d.d. 13 oktober 2005, nr. 05405131005.se1, blz. 13 zaaksdossier

Postkantoor Den Haag.

22 Proces-verbaal van observeren d.d. 14 oktober 2005, nr. 05405141005.se4, blz. 19 zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

23 Proces-verbaal van observeren d.d. 14 oktober 2005, nr. 05405141005.se4, blz. 20 zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

24 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 oktober 2005, nr. PL1521/2005/48213-1, blz. 34-37 Zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

25 Proces-verbaal van verhoor d.d. 1 november 2005, documentcode 0511011245.A09, blz. 397 Zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

26 Proces-verbaal van verhoor d.d. 1 november 2005, documentcode 0511011245.A09, blz. 397 Zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

27 Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 15 oktober 2005, nr. PL1521/2005/48213-4, blz. 39-43 Zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

28 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 oktober 2005, documentcode 0510151513.AMB, blz. 22-25 Zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

29 Proces-verbaal analyse bakens d.d. 15 oktober 2005, documentcode 0510151030.AMB, blz. 17 Zaaksdossier Postkantoor Den Haag alsmede peilbakengegevens Mercedes Vito met kenteken [kenteken], blz. 435 algemeen proces-verbaal.

30 Proces-verbaal van aanhouding d.d. 14 oktober 2005, persoonsdossier verdachte.

31 Proces-verbaal d.d. 15 oktober 2005, documentcode 05101511715.AMB, blz. 80 Zaaksdosssier Postkantoor Den Haag.

32 Proces-verbaal d.d. 26 oktober 2005, documentcode 0510251405.AMB, blz. 208 en 209 zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

33 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek Mercedes Vito [kenteken] d.d. 17 oktober 2005, documentcode 0510171045.AMB, blz. 133 Zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

34 Proces-verbaal d.d. 21 december 2005, Xpolnr. 2005 126119A, blz. 428 Zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

35 Deskundigenrapport Nederlands Forensisch Instituut d.d. 30 mei 2006, m.n. blz. 10.

36 Proces-verbaal 'overname bestelbus [kenteken]' d.d.15 oktober 2005, X-pol

37 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek Mercedes Vito [kenteken] d.d. 17 oktober 2005, documentcode 0510171045.AMB, blz. 133 Zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

38 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek Mercedes Vito [kenteken] d.d. 17 oktober 2005, documentcode 0510171045.AMB, blz. 133 Zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

39 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 18 oktober 2005, documentcode 0510181400.G34, blz. 159 Zaaksdossier Postkantoor Den Haag; proces-verbaal van verhoor d.d. 1 november 2005, documentcode 0511011350.A10, blz. 244 en 248.

40 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek Mercedes Vito [kenteken] d.d. 17 oktober 2005, documentcode 0510171045.AMB, blz. 133 Zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

41 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 december 2005, documentcode 0511281500.AMB, blz. 383 en 384 zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

42 Blz. 362 zaakdossier Postkantoor Den Haag.

43 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 november 2005, documentcode 0511210857.AMB, blz. 359-361 zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

44 Bijlage bij het proces-verbaal van verhoor d.d. 1 november 2005 met documentcode 0511011350.A10, blz. 247 zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

45 Blz. 17 zaaksdossier GWK Beijerlandselaan.

46 Proces-verbaal analyse voorobservaties d.d. 25 oktober 2005, documentcode 0510251020.AMB, blz. 3.

47 Blz. 538 algemeen proces-verbaal.

48 Zoals onder meer blijkt uit het proces-verbaal d.d. 5 januari 2006, documentcode 0601051000.V12, blz. 452 en 453 zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

49 Blz. 18 zaaksdossier GWK Beijerlandselaan.

50 Blz. 543 algemeen proces-verbaal.

51 Blz. 19 zaaksdossier GWK Beijerlandselaan.

52 Blz. 543 algemeen proces-verbaal.

53 Blz. 22 zaaksdossier GWK Beijerlandselaan.

54 Blz. 24 zaaksdossier GWK Beijerlandselaan.

55 Proces-verbaal van observeren d.d. 19 september 2005, nr. 05405190905.se1,

blz. 46-50 zaaksdossier GWK Beijerlandselaan.

56 Blz. 25 zaaksdossier Beijerlandselaan.

57 Proces-verbaal van observeren d.d. 19 september 2005, nr. 05405190905.se1,

blz. 49 zaaksdossier GWK Beijerlandselaan.

58 Blz. 27 zaaksdossier Beijerlandselaan.

59 Blz. 28 zaaksdossier Beijerlandselaan.

60 Blz. 29 zaaksdossier Beijerlandselaan.

61 Proces-verbaal van observeren d.d. 19 september 2005, nr. 05405190905.se1,

blz. 49 zaaksdossier GWK Beijerlandselaan.

62 Blz. 30 zaaksdossier Beijerlandselaan.

63 Proces-verbaal van observeren d.d. 21 september 2005, nr. 05405210905.se4.

blz. 57-58 zaaksdossier GWK Beijerlandselaan.

64 Proces-verbaal onderzoek camerabeelden NS station Lombardijen d.d. 21

december 2005, XPOLnr. 2005126119-235, blz. 139-140 zaaksdossier GWK

Beijerlandselaan.

65 Proces-verbaal van observeren d.d. 21 september 2005, nr. 05405210905.se4.

blz. 57-58 zaaksdossier GWK Beijerlandselaan.

66 Proces-verbaal analyse voorobservaties d.d. 25 oktober 2005, documentcode

0510251020.AMB, blz. 14.

67 Blz. 548 algemeen proces-verbaal.

68 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 november 2005, nr. 2005126119-205, blz. 117 zaaksdossier GWK Beijerlandselaan.

69 Blz. 42 zaaksdossier GWK Beijerlandselaan.

70 Blz. 44 zaaksdossier GWK Beijerlandselaan.

71 Blz. 579 algemeen proces-verbaal.

72 Proces-verbaal analyse voorobservaties d.d. 25 oktober 2005, documentcode

0510251020.AMB, blz. 15.

73 Blz. 45 zaaksdossier GWK Beijerlandselaan.

74 Blz. 2 zaaksproces-verbaal GWK Beijerlandselaan.

75 Blz. 611 algemeen proces-verbaal.

76 Blz. 15 Proces-verbaal analyse voorobservaties d.d. 25 oktober 2005,

documentcode 0510251020.AMB.

77 Proces-verbaal van aangifte d.d. 5 juli 2005, nr. PL1573/2005/11663-2, blz. 12-14 zaaksdossier Mercedes Vito [kenteken].

78 Proces-verbaal van observeren d.d. 5 oktober 2005, nr. 05405051005.se1, blz. 18 zaaksdossier Mercedes Vito [kenteken].

79 Proces-verbaal van observeren d.d. 10 oktober 2005, nr. 05405101005.se1,

blz. 25 zaaksdossier Mercedes Vito [kenteken].

80 Proces-verbaal van aanhouding d.d. 14 oktober 2005, persoonsdossier

verdachte.

81 Proces-verbaal d.d. 15 oktober 2005, Xpolnr. 2005126119-115, blz. 31 en 413 zaaksdossier Postkantoor Den Haag.

82 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 18 september 2006, blz. 4 proces-verbaal van de terechtzitting.