Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC4927

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
22-02-2008
Zaaknummer
2200735806
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BJ9930, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ9930
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft aan iemand een ruimte voor het kweken van hennepplanten beschikbaar gesteld en zich zodoende medeplichtig gemaakt aan het door die persoon bereiden van hennepplanten en stelen van de benodigde elektriciteit

Voorts heeft de verdachte zich samen met een ander of anderen schuldig gemaakt aan een brutale poging tot diefstal van werktuigen vanuit een bedrijfspand.

Tenslotte heeft de verdachte een aanzienlijke hoeveelheid ongeregistreerde viagrapillen ter aflevering in voorraad gehad. Zodoende heeft hij de volksgezondheid in gevaar gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-007358-06

Parketnummers: 11-510112-05 en 11-700562-06

Datum uitspraak: 12 februari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

Meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 21 december 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1956,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 9 oktober 2007 en 29 januari 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen, waarvan kopieën in dit arrest zijn gevoegd.

Het hof heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien.

Het zal die nummering in dit arrest aanhouden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1, 2, 3, 4, 8, 9, 10, 11 primair en 12 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 5, 6, 7, 11 subsidiair en 12 subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest, met beslissingen omtrent de vordering van de benadeelde partij en de in beslag genomen voorwerpen, een en ander zoals is vermeld in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte van het onder 2 primair, 3 primair, 4, 10, 11 primair en 12 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en dat hij ter zake van het onder 1, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 5, 6, 7, 8, 9 en 11 subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de gevangenneming van de verdachte zal bevelen.

Vrijspraken

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte

onder 2 primair, 3 primair, 4, 10, 11 primair en 12 primair ten laste is gelegd.

Het hof is, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat wel bewezen is hetgeen de verdachte onder 12 subsidiair is tenlastegelegd en dat niet is bewezen hetgeen onder 1, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 8 is ten laste gelegd. Het hof overweegt daartoe het navolgende.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde (zaak Postkantoor Den Haag)

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de verdachte medeplichtig is geweest aan de onderhavige overval door (een) bivakmuts(en) aan [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of zijn/hun mededader(s) te leveren.

Het hof is, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat ook niet is bewezen dat de verdachte de bij die overval gebruikte gestolen Mercedes Vito met kenteken [kenteken] aan hen heeft geleverd. Naar 's hofs oordeel kunnen de inhoud van het tapgesprek tussen [persoon 1] en [persoon 3] (op bladzijde 585 van zaaksdossier Postkantoor Den Haag) en de overige door de advocaat-generaal aangevoerde feiten en omstandigheden die conclusie niet dragen. Daarom zal de verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde (zaak Mercedes Vito)

Nu het hof niet bewezen acht dat de verdachte de genoemde Mercedes Vito aan [persoon 1] en/of [persoon 2] heeft geleverd en naar zijn oordeel slechts vaststaat dat deze auto op 10 oktober 2005 en 11 tot en met 13 oktober 2005 ergens op het kamp aan de Wieldrechtse Zeedijk te Dordrecht (waar ook de verdachte woont), heeft stilgestaan, maar niet dat hij die auto op enig moment voorhanden heeft gehad, dient de verdachte van deze feiten te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde (zaak Made)

Naar 's hofs oordeel staat genoegzaam vast dat de verdachte op 16 januari 2006 tussen 19.54 uur en 21:53 uur in de directe nabijheid van het bedrijfspand [bedrijf A] te Made is geweest, waar op die datum tussen 18:00 uur en 22.10 uur 's avonds het in de tenlastelegging vermelde gereedschap werd weggenomen. Nu zich in het dossier evenwel geen enkel bewijsmiddel bevindt, waaruit volgt dat de verdachte, dan wel een mededader, dat gereedschap heeft weggenomen, zal de verdachte ook van dit feit worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 5, 6, 7, 9, 11 subsidiair en 12 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

5

hij op 6 juni 2006 te Dordrecht opzettelijk ongeregistreerde farmaceutische specialités, te weten 1020 tabletten Vigora 50 (werkzaam bestanddeel sildenafil, zijnde de werkzame stof in Viagra, ter aflevering in voorraad heeft gehad;

6

hij in de periode van 25 april 2006 tot en met 6 juni 2006 te Dordrecht opzettelijk heeft bereid in panden aan de Wieldrechtse Zeedijk een hoeveelheid van 45 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende Lijst II;

7

hij in de periode van 25 april 2006 tot en met 6 juni 2006 te Dordrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een pand aan de Wieldrechtse Zeedijk heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Eneco Netbeheer B.V., waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

9

hij op 16 januari 2006 te Made, gemeente Drimmelen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een bedrijfspand gelegen aan de [adres], weg te nemen twee heftrucks, een vrachtwagen, een semi-dieplader, een aggregaat, een stoomcleaner, een machinedeelreiniger en twee gereedschapswagens, toebehorende aan [bedrijf A] en zich daarbij de toegang tot dat bedrijfspand te verschaffen en die weg te nemen heftrucks, vrachtwagen, semi-dieplader, dat aggregaat, die stoomcleaner, die machinedeelreiniger en die gereedschapswagens onder hun bereik te brengen door middel van braak en inklimming, met zijn mededader(s) een gat in het hekwerk van dat bedrijf heeft gemaakt, een koepel van dat bedrijf heeft verbroken en via een raam van de kantine van dat bedrijf naar binnen is gegaan, een plaatje van het beveiligingssysteem van dat bedrijf eraf heeft geschroefd, die heftrucks en machinedeelreiniger op die semi-dieplader heeft geplaatst, die heftrucks op die semi-dieplader heeft vastgesjord, de sleutels van die vrachtwagen heeft gepakt, die vrachtwagen heeft verplaatst en dat aggregaat, die stoomcleaner en die gereedschapswagens gereed heeft gezet om mee te nemen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

11 subsidiair

een onbekend gebleven persoon in de periode van 8 maart 2006 tot en met 28 maart 2006 te Dordrecht in een pand aan de Wieldrechtse Zeedijk heeft bereid een hoeveelheid van 113 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst II, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 8 maart 2006 tot en met 28 maart 2006 te Dordrecht opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft, door aan die onbekend gebleven persoon voornoemd pand voor het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

12 subsidiair

Een onbekend gebleven persoon in de periode van 8 maart 2006 tot en met 28 maart 2006 te Dordrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een pand aan de Wieldrechtse Zeedijk heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Eneco Netbeheer B.V., tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 8 maart 2006 tot en met 28 maart 2006 te Dordrecht opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft door aan die onbekend gebleven persoon voornoemd pand voor het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 9

Uit het proces-verbaal analyse telefoongesprekken d.d. 24 augustus 2006 (documentcode 0608241525.AMB, blz. 96/97 zaaksdossier Made) blijkt dat de mobiele telefoon van de verdachte op 16 januari 2006 tussen 19.54 uur en 21.53 uur aanstraalt op de zendmasten 51609 en 51610 aan de Brieltjensweg te Made, die zich - blijkens een ter terechtzitting in hoger beroep getoonde plattegrond - op circa één kilometer afstand bevindt van [bedrijf A] aan de [adres] te Made, waar die avond tussen 18.00 uur en 22.10 uur wordt ingebroken en gepoogd de in de tenlastelegging vermelde goederen weg te nemen. De verdachte heeft (kort gezegd) verklaard dat het best mogelijk is dat hij op 16 januari 2006 binnen het bereik van de zendmast is geweest en dat hij die nacht met zijn vriendin [voornaam] die in de buurt ('s Gravendeel) woont heeft zitten bellen.

Om 20:45 uur heeft de verdachte tijdens een (relationeel) telefoongesprek via een portofoon contact met een andere man die zegt: 'alles goed', waarop de verdachte antwoordt: 'alles prima' (blz. 100 zaaksdossier Made).

Tijdens zijn telefoongesprek om 21.53 uur (blz. 108 zaaksdossier Made) spreekt de verdachte op de achtergrond wederom via een portofoon met eerdergenoemde man, die tegen de verdachte zegt: 'er scheen een auto op dat terrein. Hij scheen er echt op. Dus hij zal het wel gespannen (het hof begrijpt: gezien) hebben'. De verdachte vraagt vervolgens: 'Wat moet ik doen? Ophalen?', waarop de andere man bevestigend antwoordt.

De aangever heeft verklaard - zakelijk weergegeven - dat hij op 16 januari 2006 omstreeks 22.00 uur langs zijn bedrijf [bedrijf A] reed en zag dat de vrachtwagen (kennelijk van zijn bedrijf) verplaatst was. Hij is vervolgens teruggereden en heeft het grote licht van zijn auto op het bedrijf gezet, waarna hij, naar hij dacht, iemand zag wegflitsen uit de loods (proces-verbaal van aangifte d.d. 17 januari 2006, nr. PL2043/06-015145, blz. 16 e.v. zaaksdossier Made).

Het hof stelt vast dat de verdachte ten tijde van de inbraak bij [bedrijf A] voortdurend in de directe nabijheid van dat bedrijf is geweest. Noch voor die aanwezigheid, noch voor de genoemde gesprekken per portofoon heeft hij, ook niet ter terechtzitting in hoger beroep, een redelijke verklaring gegeven.

Het hof leidt uit genoemde feiten en omstandigheden af dat de verdachte contact heeft onderhouden met een mededader terwijl die, alleen of met een of meer anderen, de inbraak pleegde en dat hij deze mededader heeft opgehaald toen hij door de eigenaar werd betrapt. Het hof is van oordeel dat de verdachte door deze actieve betrokkenheid bij de poging tot diefstal zo bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn mededader(s) dat moet worden gesproken van medeplegen.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 12 subsidiair

De verdachte heeft steeds ontkend dat de stroom voor de hennepkwekerij illegaal werd afgetapt en gesteld dat deze gewoon via de meter liep. Het hof acht deze verklaring - gelet op het feit dat uit het proces-verbaal van aangifte d.d. 5 april 2006 (nr. PL1810/06-036951) blijkt dat de van fabriekswege aangebrachte verzegelingen aan het telwerkhuis van de elektriciteitsmeter in de woning van de verdachte waren verbroken en verwijderd en dat er aan de bovenzijde van de groepenkast een vier-aderige elektriciteitskabel was bijgeplaatst die uitkwam in een onderverdeelinrichting van waaruit de hennepkwekerij van elektriciteit werd voorzien ongeloofwaardig. Het hof acht dus bewezen dat er sprake is geweest van diefstal van energie.

Het hof is van oordeel dat de verdachte zich, door aan een onbekend gebleven persoon een pand voor het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen, heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat die persoon zich aan diefstal van energie zou schuldig maken. Het is een feit van algemene bekendheid dat het kweken van hennepplanten dikwijls gepaard gaat met diefstal van elektriciteit.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde:

Overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening;

Ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11, eerste lid, van de Opiumwet;

Ten aanzien van het onder 7 bewezen verklaarde:

Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

Ten aanzien van het onder 9 bewezen verklaarde:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming;

Ten aanzien van het onder 11 subsidiair bewezen verklaarde:

Medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11, eerste lid, van de Opiumwet;

Ten aanzien van het onder 12 subsidiair bewezen verklaarde:

Medeplichtigheid aan diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Hij is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft aan iemand een ruimte voor het kweken van hennepplanten beschikbaar gesteld en zich zodoende medeplichtig gemaakt aan het door die persoon bereiden van hennepplanten en stelen van de benodigde elektriciteit. Het hof rekent het de verdachte aan dat slechts ruim twee maanden na de ontmanteling van die kwekerij bij hem in een schuur en een caravan wederom een hennepkwekerij werd aangetroffen, ten behoeve waarvan de verdachte ook energie heeft gestolen.

Door het plegen van deze feiten heeft de verdachte doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel nagestreefd en de netbeheerder benadeeld en een ander daartoe gelegenheid en middelen verschaft.

Naast deze feiten heeft de verdachte zich samen met een ander of anderen schuldig gemaakt aan een brutale poging tot diefstal van werktuigen vanuit een bedrijfspand. De verdachte heeft zich kennelijk alleen laten leiden door financieel gewin en blijk gegeven van een volledig gebrek aan respect voor de eigendommen van de benadeelde.

Tenslotte heeft de verdachte een aanzienlijke hoeveelheid ongeregistreerde viagrapillen ter aflevering in voorraad gehad. Zodoende heeft hij de volksgezondheid in gevaar gebracht.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 januari 2008, is de verdachte al eerder onherroepelijk veroordeeld, onder meer voor schuldheling, verduistering, pogingen tot diefstal in vereniging en valsheid in geschrifte. Op grond van dit strafblad wekt de verdachte de indruk zich regelmatig met criminaliteit bezig te houden.

Het hof is van oordeel - mede gelet op het strafblad van de verdachte, waar ook uit blijkt dat hem eerder werkstraffen werden opgelegd - dat niet het opleggen van een werkstraf zoals de verdachte heeft verzocht, maar het opleggen van een gevangenisstraf van na te melden duur ten aanzien van de feiten 6, 7, 9, 11 en 12 subsidiair een passende en geboden reactie vormt. Daarbij betrekt het hof ook dat de verdachte voor één (ernstig) feit meer wordt veroordeeld dan door de rechtbank.

Ten aanzien van het onder feit 5 bewezen verklaarde zal het hof een geldboete opleggen. Bij het vaststellen van de hoogte daarvan heeft het hof rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte, die ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard werkzaam te zijn in de ijzerhandel.

Het hof ziet geen gronden voor gevangenneming van de verdachte en wijst de vordering daartoe van de advocaat-generaal af.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de 1.020 in beslag genomen tabletten, voorzien van merknaam Vigora, zullen worden onttrokken aan het verkeer en dat de twee portofoons, merk Motorola, zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

De tabletten zijn naar 's hofs oordeel vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, met betrekking tot welke feit 5 is begaan, terwijl deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Nu de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 10 ten laste gelegde, zullen de ter zake van dat feit in beslag genomen portofoons aan hem worden teruggegeven.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft Eneco Netbeheer B.V. zich middels haar gemachtigde [gemachtigde] als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 12 ten laste gelegde tot een bedrag van EUR 2.146,63. Deze vordering is aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het hof de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk zal verklaren.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij evenwel aangetoond dat tot een bedrag van EUR 782,40 materiële schade is geleden. Het hof gaat daarbij van het navolgende uit.

- een oogstperiode van 21 dagen;

elektriciteitsprijs: EUR 143,82

- kosten nieuwe elektriciteitsmeter: EUR 111,97

- kosten wisselen elektriciteitsmeter: EUR 141,61

- uren fraudemedewerker: EUR 385,00

Totaal EUR 782,40

Deze schade is te beschouwen als het rechtstreekse gevolg van het ten laste van de verdachte onder

12 bewezen verklaarde. De vordering zal daarom tot voornoemd bedrag worden toegewezen. Voor het overige acht het hof de vordering niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces. Het hof zal daarom bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is. De vordering kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Een en ander brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder

12 bewezen verklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 782,40 ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 (oud) van de Opiumwet, de artikelen 23 (oud), 24, 24c, 36b, 36c, 36d, 45 (oud), 48, 49, 57, 62, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 3 (oud) van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 8, 10, 11 primair en 12 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het 5, 6, 7, 9, 11 subsidiair en 12 subsidiair ten laste gelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezen verklaarde.

Ten aanzien van de feiten 6, 7, 9, 11 subsidiair en 12 subsidiair:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ten aanzien van feit 5:

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van

EUR 500,00 (vijfhonderd euro),

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 (tien) dagen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

1.020 tabletten, voorzien van merknaam Vigora.

Gelast de teruggave van 2 portofoons, merk Motorola, aan verdachte.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Eneco Netbeheer tot een bedrag van

EUR 782,40 (zevenhonderd tweeëntachtig euro en veertig cent)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij, voorzover zij niet ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding, deze vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer van een bedrag van

EUR 782,40 (zevenhonderd tweeëntachtig euro en veertig cent),

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van

15 (vijftien) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst de vordering tot gevangenneming van de verdachte af.

Dit arrest is gewezen door mr. B.A. Stoker-Klein,

mr. A.J.M. Kaptein en mr. G.J.W. van Oven, in bijzijn van de griffier mr. W.R. van Hattum.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 februari 2008.