Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC4890

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-01-2008
Datum publicatie
21-02-2008
Zaaknummer
22-001193-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten tijde van het tenlastegelegde feit was de verdachte ongewenst verklaard. Dat is hij nog steeds. Zelfs indien de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit al niet uitzetbaar was, betekent dit niet dat hij Nederland niet voordien had kunnen en moeten verlaten. Nu deze zaak, naar het oordeel van het hof, voorts sterk verschilt met de zaak waarop de raadsman zich beroept, wordt het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan ook verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001193-07

Parketnummer: 09-925048-07

Datum uitspraak: 25 januari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van

16 februari 2007 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Libië) op [geboortedag] 1976 (volgens eigen opgave),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 11 januari 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van

3 maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

De raadsman heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vervolging ter zake van feit 3 moet worden verklaard omdat de verdachte niet uitzetbaar is. Ter onderbouwing heeft de raadsman aan het hof een afschrift van de “opheffing van een maatregel als bedoeld in artikel 59 Vw 2000” d.d. 26 april 2007 betreffende de verdachte, overgelegd, waarin als reden voor de opheffing is vermeld dat de verdachte om medische redenen niet uitzetbaar is.

Voorts heeft de raadsman gewezen op een arrest van dit hof d.d. 15 juni 2006, waarbij het openbaar ministerie in een, naar de mening van de raadsman vergelijkbare, zaak niet ontvankelijk is verklaard in de vervolging. Hoewel het openbaar ministerie reeds voor de onderhavige zaak kennis had kunnen hebben van dit arrest, is er toch tot vervolging van de verdachte overgegaan.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Ten tijde van het tenlastegelegde feit was de verdachte ongewenst verklaard. Dat is hij nog steeds. Zelfs indien de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit al niet uitzetbaar was, betekent dit niet dat hij Nederland niet voordien had kunnen en moeten verlaten. Nu deze zaak, naar het oordeel van het hof, voorts sterk verschilt met de zaak waarop de raadsman zich beroept, wordt het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde:

Diefstal, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken, en dat de verdachte ter zake van het onder 3 tenlastegelegde zal worden schuldig verklaard zonder oplegging van straf.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Dergelijk feiten brengen doorgaans naast onrustgevoelens ook financiële schade voor de slachtoffers mee. Voorts is de verdachte, ondanks de wetenschap dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard, als vreemdeling in Nederland verbleven, tijdens welk verblijf hij door zijn gedrag de Nederlandse samenleving overlast heeft bezorgd. Zijn kennelijk problematische medische situatie maakt dit niet beter.

Blijkens een uittreksel betreffende de verdachte van 15 januari 2007 heeft hij in 2003-2005 zeer vele winkeldiefstallen gepleegd. Dat hij in dat register blijkens een opgave van 15 oktober 2007 niet bekend is, zal voortkomen uit aanpassing van zijn geboorteplaats en -land aan zijn jongste gewijzigde opgave en ontkracht, naar het oordeel van het hof, niet de opgave van 15 januari 2007.

Naar het oordeel van het hof komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in de door de advocaat-generaal gevorderde straf.

Het is op deze grond dat het hof komt tot het opleggen van navermelde zwaardere straf, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 197 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. S.C.H. Koning, mr. R.H.J. de Vries en mr. J.W. Klein Wolterink,

in bijzijn van de griffier mr. J.P. Lahr.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 januari 2008.