Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC4562

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
19-02-2008
Zaaknummer
22-003982-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich tijdens een begeleid verlof vanuit TBS kliniek ‘De Kijvelanden’, onttrokken aan zijn begeleidster. Van te voren had hij zijn vlucht voorwaardelijk gepland met als enig doel het gebruiken van cocaïne. Tijdens de vlucht heeft de verdachte verschillende ernstige misdrijven begaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003982-07

Parketnummer: 10-700240-06

Datum uitspraak: 19 februari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 juli 2007 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1975,

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, PCS Unit 4 (BIBA en BGG) te

's-Gravenhage.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 23 november 2007 en 5 februari 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2, eerste alternatief impliciet primair (poging gekwalificeerde doodslag) en het onder 2, tweede alternatief (afpersing) tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2, eerste alternatief impliciet subsidiair (poging doodslag), 2, derde alternatief (diefstal met geweld), 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest, en is gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd. Omtrent het beslag is beslist als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Het hof overweegt ten aanzien van het onder 2, eerste cumulatief alternatief tenlastegelegde (poging (gekwalificeerde) doodslag) als volgt.

Ter terechtzitting is door en namens de verdachte aangevoerd, dat de verdachte niet de opzet op de dood van het slachtoffer had. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij weliswaar het slachtoffer met zijn handen bij de nek heeft vastgepakt, maar dat hij het slachtoffer niet heeft proberen te wurgen. De verdachte heeft verklaard het geweld te hebben aangewend ter verkrijging van de pincode van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft hierover verklaard dat hij voelde dat de verdachte zijn handen om zijn nek drukte en dat hij nog wel kon ademen en antwoord kon geven.

Gelet op deze verklaringen is niet is komen vast te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer had.

Daarnaast is niet vast komen te staan dat de verdachte, nadat hij volgens het slachtoffer zijn ene hand op de kin en zijn andere hand op het achterhoofd van het slachtoffer had gelegd, de handen in een tegengestelde richting heeft bewogen, nu de verdachte zulks ontkent en mede gelet op de verklaring van het slachtoffer, dat hij is opgesprongen of weggedraaid en van het bed is gerold. Derhalve is ook hier niet komen vast te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer.

Het hof is concluderend van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2, eerste cumulatief alternatief is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2, tweede cumulatief alternatief tenlastegelegde (afpersing) overweegt het hof, in navolging van de rechtbank, dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg is komen vast te staan dat de verdachte de bankpas en de jas heeft weggenomen en niet het slachtoffer heeft gedwongen tot afgifte van deze goederen, zodat de verdachte ook hiervan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, derde alternatief, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

ten aanzien van het onder 2, derde cumulatief alternatief bewezenverklaarde:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

verkrachting;

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen, waarbij het hof de overwegingen van de rechtbank overneemt en op bepaalde punten aanvult.

De verdachte heeft zich op 6 oktober 2006, tijdens een begeleid verlof vanuit TBS kliniek ‘De Kijvelanden’, onttrokken aan zijn begeleidster. Van te voren had hij zijn vlucht voorwaardelijk gepland met als enig doel het gebruiken van cocaïne. De verdachte is met de metro naar het centrum van Rotterdam gegaan en heeft daar voor een aanzienlijk geldbedrag een zeer grote hoeveelheid cocaïne gebruikt. Het geld daarvoor had hij verkregen door onder meer de verkoop van een aantal van zijn persoonlijke bezittingen aan medebewoners van de kliniek en het ten eigen bate aanwenden van het geld dat hij van de kliniek had gekregen om levensmiddelen voor zijn leefgroep te kopen. Toen de door de cocaïne veroorzaakte roes verminderde, is de verdachte op zoek gegaan naar mogelijkheden om opnieuw aan geld te komen om nog meer cocaïne te kopen. De verdachte heeft zich toen schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld door uit een auto een tas te pakken en deze met kracht uit de handen van de bestuurster te trekken, nadat hij haar verbaal had bedreigd. Vervolgens is de verdachte gevlucht toen hij werd achtervolgd. Onder valse voorwendselen heeft hij de toegang tot een woning verkregen, waar hij van de nietsvermoedende en hulpbiedende bewoner diens bankpas en jas heeft weggenomen. Bij deze diefstal heeft de verdachte grof fysiek geweld gebruikt, waarmee hij het slachtoffer letsel heeft toegebracht.

Door zijn handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van zijn slachtoffer ernstig geschonden.

Berovingen als hiervoor beschreven brengen bij de slachtoffers hevige gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. Dit geldt te meer voor laatstgenoemd slachtoffer, nu een en ander zich heeft afgespeeld in diens woning, een plaats waar een mens zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. Extra wrang is dat dit slachtoffer de verdachte heeft binnen gelaten in de veronderstelling dat hij een mens in nood, belaagd door anderen, hulp bood. Aannemelijk is dat de slachtoffers nog lang angstig en op hun hoede zullen zijn. De ervaring leert dat slachtoffers van berovingen vaak een langdurige en ernstige psychische nasleep van wat hun is overkomen, ondervinden.

Hierna heeft de verdachte wederom cocaïne gebruikt. De verdachte heeft zich vervolgens op straat schuldig gemaakt aan de brute verkrachting van zomaar een vrouw. Dit feit wordt de verdachte extra aangerekend, nu hij wist dat het gebruik van cocaïne maakt dat het gevoel van de al aanwezige lust en drang naar seks bij hem wordt versterkt in een dergelijke mate dat hij aan dit gevoel geen weerstand meer kan bieden. De verkrachting moet voor het slachtoffer een uitermate angstige en vernederende ervaring zijn geweest. Zij heeft tijdens de verkrachting gevreesd voor haar leven. De verdachte heeft hierdoor een grove inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer. Verdachtes handelen kan tevens voor het slachtoffer nadelige psychische gevolgen van mogelijk langere duur met zich mee brengen.

Een aantal maanden voorafgaand aan de bovenbeschreven feiten heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van een medebewoner van `De Kijvelanden', waarbij hij het slachtoffer letsel heeft toegebracht.

Drie van de bewezenverklaarde feiten zijn zeer ernstige en grove geweldsdelicten, die voor grote ophef en onrust in de samenleving hebben gezorgd. Dit geldt temeer, nu deze feiten in een zeer kort tijdsbestek - op één dag - zijn gepleegd door - kort gezegd - een ontsnapte tbs¬-er. De feiten hebben in Hoogvliet en Rotterdam, maar ook in de rest van Nederland, bij burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid te weeg gebracht.

Op dergelijke ernstige feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Wel houdt het hof rekening met de bewezenverklaring van feit 2 die afwijkt van die van de rechtbank.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 november 2007, is de verdachte meermalen veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten, waaronder op 22 februari 2000 voor verkrachting, waarvoor de terbeschikkingstelling van de verdachte is gelast met de verpleging van overheidswege. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Over de persoon van de verdachte is op 8 juni 2007 gerapporteerd door psychiater A.G.S. de Ranitz en psycholoog J.M. Oudejans, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht. Beide deskundigen komen – zakelijk weergegeven - tot de navolgende bevindingen, conclusies en advies. De verdachte lijdt aan een ernstige persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven met antisociale, narcistische en afhankelijke trekken. Daarnaast is er sprake van een ernstige verslaving aan middelen. Deze stoornissen zijn in sterke mate met elkaar vervlochten en beïnvloeden elkaar op ongunstige wijze. Ten slotte zijn er aanwijzingen voor het bestaan van een dysthyme stemmingsstoornis. De kernproblematiek van de verdachte ligt in het beschadigde zelfgevoel, de overtuiging dat hij in alle opzichten tekortschiet en faalt. De verdachte is afhankelijk van de aandacht en steun van anderen om een positief zelfgevoel op te houden. De afhankelijkheid van anderen leidt tot chronische schaamte- en insufficiëntiegevoelens. De verdachte gaat de confrontatie met zijn afhankelijkheid en kwetsbaarheid uit de weg. Dat bepaalt niet alleen zijn sterke beperkingen wat betreft hechting en het aangaan van intieme relaties, maar ook de neiging tot verheimelijking, vermijding en goedmoedige aanpassing. De verdachte houdt zich groot en kan zo een gunstige indruk maken en gemakkelijk overschat worden door behandelaars.

Als gevolg van zijn pathologie heeft de verdachte vrijwel voortdurend te kampen met grote innerlijke spanningen. Hij is relatief kwetsbaar voor ontregeling in depressieve en paranoïde psychotische richting, maar ook wat betreft het verlies aan impulscontrole. Op gedragsniveau vertaalt zich dit in een mix van antisociale, narcistische en afhankelijke trekken. De antisociale en narcistische trekken komen het meest apert tot uiting buiten een gestructureerde setting, wanneer cocaïne en de aspecten rondom het gebruik daarvan een rol spelen. De combinatie van narcisme en afhankelijkheid is te herkennen in de ingewikkelde relatie tussen onder meer overgave aan en verzet tegen behandeling.

Het gevolg van de neiging tot verheimelijking en de fundamentele ambivalentie bij de verdachte is een (schijn)aanpassing ter verbloeming van zijn afhankelijkheid, zonder daadwerkelijke verandering op persoonlijkheidsniveau. Passend bij zijn problematiek is er sprake van intimiteitsproblematiek. Samen met de zwakke persoonlijkheidsstructuur van de verdachte, zijn gebrek aan een stevig zelfbeeld, een goed gevoel van eigenwaarde en zijn neiging tot dysthymie kan geconcludeerd worden dat de verdachte autonoom vrijwel niet in staat is om zich goed te voelen, uitgezonderd bij gebruik van cocaïne of een ander middel. Dit is één van de redenen waarom zijn verslavingsproblematiek zo hardnekkig is gebleken.

De kernproblematiek van de verdachte van grootheid versus afhankelijkheid met als uitvloeisel intimiteitsproblematiek heeft destijds tot de eerste verkrachting geleid. Het is waarschijnlijk dat de volgende verkrachtingszaken vanuit deze problematiek moeten worden begrepen en zelfs moeten worden gezien als 'selffulfilling prophecy': in de herhaling `bewijst' de verdachte de rechtvaardiging dat hij zich afgewezen kan voelen en geeft hij de omgeving de mogelijkheid hem af te wijzen. Door de herhaling van feiten neemt de intimiteitsproblematiek slechts toe. Aangezien de verdachte zich bovendien nauwelijks afhankelijk en kwetsbaar op kan/durft stellen, verloopt begeleiding moeizaam, terwijl de behoefte aan steun en begeleiding juist toegenomen is. De spanning hierover kwam navrant tot uitdrukking tijdens de resocialisatiepoging (hof: in het najaar van 2006) waar de verdachte, achteraf gezien, nog helemaal niet aan toe was. In wezen werd de verdachte dus overvraagd, hetgeen hem een machteloze (niet te bespreken) woede opleverde. Aldus ensceneerde de verdachte op basis van zijn pathologie een zelfdestructieve spiraal en manifesteerde zich het centrale dilemma in de behandeling.

Hoewel de verdachte er van uitgaat dat hij smachtte naar een cocaïneroes van ongecompliceerd genoegen, lijkt de achterliggende drijvende thematiek reeds van meet af aan in de intimiteitsproblematiek - als onderdeel van de ernstige persoonlijkheidspathologie - besloten te hebben gelegen. Opportunistische en antisociale motieven alleen schieten tekort als verklaringsmodel en de drijvende kracht bij de ten laste gelegde feiten is niet zozeer de zucht naar cocaïne, als wel de ernstige persoonlijkheidspathologie.

Vanwege de aard en de omvang van de stoornissen en de beperkende invloed op het vermogen van de verdachte om zijn wil in vrijheid te bepalen, achten de deskundigen de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar voor alle ten laste gelegde feiten.

Indien de verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij is de kans op recidive zeer groot. Deze inschatting vloeit alleen al voort uit de conclusie ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid, namelijk dat er sprake is van een duidelijke doorwerking van ernstige pathologie van de verdachte in alle ten laste gelegde feiten.

De deskundigen adviseren de verdachte opnieuw de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen met bevel tot verpleging. Alleen in een dergelijke klinische behandeling en in dat juridisch kader zijn er naar de mening van de deskundigen voldoende mogelijkheden om de pathologie van de verdachte effectief te behandelen en voldoende waarborgen voor de maatschappelijke veiligheid.

Ter terechtzitting in hoger beroep zijn voornoemde De Ranitz en Oudejans als getuige-deskundigen gehoord en hebben zij hun bevindingen en vorenbedoelde conclusies nader toegelicht en het advies tot het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege gehandhaafd. Voorts hebben zij verklaard dat zij ten tijde van het opstellen van het pro justitia rapport geen aanleiding hebben gezien te rapporteren over eventuele detentiegeschiktheid van de verdachte en hebben zij verklaard dat, uitgaande van de bevindingen toentertijd, een gevangenisstraf niet hoeft te interfereren met een succesvolle behandeling.

Gelet op deze bevindingen, de conclusies en het advies van de deskundigen, is het hof van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten de verdachte verminderd kunnen worden toegerekend.

Het hof is, gelet op het bovenstaande van oordeel, dat naast voornoemde gevangenisstraf de maatregel van terbeschikkingstelling van de verdachte met dwangverpleging aan de verdachte dient te worden opgelegd. De ernst van de bewezenverklaarde feiten, de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen, mede gelet op het grote gevaar van herhaling, vereisen oplegging van deze maatregel.

De maatregel wordt gegrond op de door de verdachte onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde begane misdrijven, die behoren tot de misdrijven genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Nu voldaan is aan de wettelijke voorwaarden zal het hof de terbeschikkingstelling gelasten en bevelen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Het namens de verdachte gevoerde verweer dat er sprake is van medeschuld van de zijde van de kliniek, waar de verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten werd verpleegd, hetgeen consequenties moet hebben voor de strafmaat, wordt verworpen. De kliniek heeft kennelijk niet gemerkt dat de verdachte zich voornam te vluchten en de signalen over zijn mogelijke vlucht, welke hij stelt te hebben afgegeven, niet gezien, hetgeen het hof zeer betreurt. Dit brengt echter geenszins de omstandigheid mee die de strafwaardigheid van het handelen van de verdachte wegneemt of vermindert.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen strippenkaart zal worden teruggegeven aan de verdachte en dat het inbeslaggenomen mobiele telefoontoestel, het voedingsapparaat (batterij) en het roze batterijklepje van het mobiele telefoontoestel zal worden teruggegeven aan de rechthebbende, te weten [rec[rechthebbende]]

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven strippenkaart zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte, zijnde de rechthebbende van het goed.

Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven mobiele telefoontoestel, het voedingsapparaat (batterij) en het roze batterijklepje van het mobiele telefoontoestel zal het hof de teruggave gelasten aan [rechthebbende], zijnde de rechthebbende van de goederen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 57, 242, 300, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2, eerste cumulatief alternatief en onder 2, tweede cumulatief alternatief tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, derde cumulatief alternatief, 3 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

7 (zeven) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelast de teruggave van de strippenkaart aan verdachte.

Gelast de teruggave van het mobiele telefoontoestel, het voedingsapparaat (batterij) en het roze batterijklepje van dat mobiele telefoontoestel aan [rechthebbende].

Dit arrest is gewezen door mr. B.A. Stoker-Klein, mr. A.J.M. Kaptein en mr. G.J.W. van Oven, in bijzijn van de griffier mr. P. Melis.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 februari 2008.