Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC4380

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
15-02-2008
Zaaknummer
550-H-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag en omgang ten aanzien van een kind in Nederland en een vader die op dat moment in Marokko verblijft en een verblijfsverguningsprocedure in Nederland ondergaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 30 januari 2008

Rekestnummer. : 550-H-06

Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-3617

[appellant],

voorheen wonende te ’s-Gravenhage, doch thans verblijvende in Marokko,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. A. Neermawatie Nandoe,

tegen

[verweerster],

thans verblijvende op een geheim te houden woonplaats,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. J.C. Meijroos.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie ’s-Gravenhage.

Als informant is aangemerkt:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Utrecht,

locatie Utrecht.

HET VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 10 januari 2007, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij die beschikking heeft het hof de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord, verzocht een onderzoek in te stellen naar de wenselijkheid van gezamenlijk, dan wel eenhoofdig gezag over [de minderjarige] en naar de mogelijkheid van een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] en daaromtrent aan het hof rapport en advies uit te brengen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

De Raad van de Kinderbescherming, regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord, heeft het hof bij brief van 6 februari 2007 medegedeeld de zaak te hebben overgedragen aan de Raad voor de Kinderbescherming, regio Utrecht, hierna te noemen: de Raad.

De Raad heeft het hof bij brief van 14 augustus 2007 het raadsrapport van 13 augustus 2007 doen toekomen.

Op 19 december 2007 is de mondelinge behandeling voortgezet. Verschenen zijn: de procureur van de vader en de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. P.C. Smit. Namens de Raad is verschenen de heer J. van Westen. De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De verschenen personen hebben het woord gevoerd.

Nadien zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen: van de zijde van de vader een faxbericht van 27 december 2007 met een afschrift van de huwelijksakte.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In het rapport van 13 augustus 2007 adviseert de Raad, voor zover van belang, het eenhoofdig gezag van de moeder in stand te laten en om geen omgangsregeling tussen de minderjarige en de vader te treffen. Aan het advies legt de Raad het volgende ten grondslag. De Raad is van mening dat voor gezamenlijk gezag communicatie tussen beide ouders noodzakelijk is. De vader verblijft nog steeds in afwachting van een verblijfsvergunning voor Nederland in Marokko. Gedurende het onderzoek van de Raad heeft de vader geen contact met de Raad opgenomen om zelf zijn visie kenbaar te maken over het gezag en de omgangsregeling. De vader laat hierin niet zijn betrokkenheid en verantwoordelijkheid naar [de minderjarige] zien. Op dit moment is de Raad van mening dat de vader, gezien zijn verblijf in Marokko, niet in staat is om zijn gezag goed te kunnen uitoefenen. Daarnaast concludeert de Raad dat een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] op dit moment niet mogelijk is, aangezien de vader nog steeds in Marokko verblijft. Het is voor de Raad moeilijk de mogelijkheden van een omgangsregeling van de vader te beoordelen, nu men zich daartoe aangewezen acht op telefonisch contact. De Raad is bereid om, wanneer de vader een verblijfsvergunning heeft en in Nederland woonachtig is, opnieuw te bekijken in hoeverre een omgangsregeling in het belang van [de minderjarige] is.

2. Ter zitting is van de zijde van de vader aangevoerd dat een door de vader bij de IND ingediend verzoek tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) in behandeling is genomen. De duur van de procedure is ongeveer zes maanden. Omwille van de omgangsregeling heeft de vader ook een verzoek tot een kortverblijfvergunning (KVV) ingediend. Deze laatste procedure frustreert echter de MVV-procedure, omdat de IND zich op het standpunt stelt dat de behandeling van het verzoek MVV niet kan worden voortgezet hangende een procedure tot verlening van een KVV en de IND weigert beide procedures als een geheel te behandelen. De vader wil graag de KVV-procedure voortzetten, opdat hij op zeer korte termijn contact kan hebben met [de minderjarige]. De vader is thans in afwachting van een uitspraak in de KVV-procedure. De eerstvolgende zitting is gepland op 1 februari 2008.

3. Ter zitting heeft de moeder verklaard dat zij het beste wil voor [de minderjarige]. De moeder acht het in het belang van [de minderjarige] dat zij alleen met het ouderlijk gezag over hem belast blijft en daarbij acht zij een omgangsregeling niet veilig voor [de minderjarige].

4. Ter terechtzitting heeft de Raad verklaard te persisteren bij de inhoud van zijn rapport. Mede gezien het huiselijk geweld in het verleden heeft de Raad aarzelingen bij een omgangsregeling.

5. Het hof oordeelt als volgt.

Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat gezamenlijk gezag in het belang van [de minderjarige] is. Daartoe overweegt het hof als volgt. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder geen feiten of omstandigheden aangevoerd, waaruit voortvloeit dat het uitoefenen van gezamenlijk gezag niet in het belang van [de minderjarige] is, anders dan dat er geen communicatie tussen haar en de vader is en dat de vader thans in Marokko verblijft. Het hof is niet gebleken dat de vader geen inzicht heeft in wat het belang van [de minderjarige] vergt. De vader wil graag voorkomen dat zijn zoon niets van zijn bestaan afweet, althans een vertekend beeld van zijn vader krijgt, hetgeen naar het oordeel van het hof een reële wens is. Het hof is evenmin gebleken dat de communicatieproblemen tussen partijen van dien aard zijn dat gevreesd moet worden dat het belang van [de minderjarige] bij uitoefening van gezamenlijk gezag wordt geschaad. Het enkele feit dat de vader niet op de wijze die de Raad verwachtte van betrokkenheid bij en verantwoordelijkheid voor de minderjarige heeft blijk gegeven doet daar niet aan af. Nu ook anderszins niet is gebleken van omstandigheden die een eenhoofdig ouderlijk gezag over het kind rechtvaardigen, dient de bestreden beschikking te worden vernietigd voor wat betreft de gezagsvoorziening en dient het gezamenlijk ouderlijk gezag gehandhaafd te blijven.

6. Gelet op hetgeen verder uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken, is het hof van oordeel dat het voor de omgangsregeling nog niet voldoende is ingelicht om een oordeel te geven over een omgangsregeling. Uit de verklaringen ter zitting is aannemelijk geworden dat de vader binnen een termijn van zes maanden weer in Nederland zal zijn voor de behandeling van de MVV-procedure. Nu de Raad heeft verklaard bereid te zijn om opnieuw te bekijken in hoeverre een omgangsregeling in het belang van [de minderjarige] is, acht het hof het in het belang van [de minderjarige] om de vader in de gelegenheid te stellen om alsnog medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een afgewogen advies van de Raad over de omgang. Het hof zal de behandeling van deze zaak op grond hiervan aanhouden en het hof verzoekt de Raad alsnog een onderzoek te verrichten naar de mogelijkheid van een omgangsregeling, waarbij de vader nu wel kan meewerken. De Raad wordt verzocht het hof hierover tijdig voor na te melden datum te rapporteren en te adviseren. De zaak zal hiertoe pro forma tot die datum worden aangehouden. Het hof gaat ervan uit de vader zich door zijn procureur deugdelijk over het belang van zijn medewerking in dit onderzoek zal laten informeren en de Raad nauwgezet van de ontwikkelingen rond zijn verblijfsstatus op de hoogte zal houden.

7. Gelet op het vorenstaande wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze betrekking heeft op de gezagsvoorziening, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst af het verzoek van de moeder om alleen met het gezag te worden belast;

en, alvorens verder te beslissen met betrekking tot een omgangsregeling:

heropent het onderzoek;

verzoekt de raad een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheid van een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] zoals hiervoor in rechtsoverweging 6 is uiteengezet en daaromtrent aan het hof rapport en advies uit te brengen;

houdt de behandeling van de zaak aan tot 26 juli 2008 pro forma;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Fockema Andreae-Hartsuiker, Van den Wildenberg en Bouritius, bijgestaan door mr. Steenks als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2008.