Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC4360

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
15-02-2008
Zaaknummer
1443-R-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gebruiksvergoeding (voormalige) echtelijke woning; behoefte vrouw aan bijdrage in levensonderhoud; limitering; draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 23 januari 2008

Rekestnummer. : 1443-R-06

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 05-2576

F2 RK 06-1011

[appellant],

voorheen wonende te Mumbai, India, thans wonende te Londen, Engeland,

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. J.J.M. Schlicher,

tegen

[verweerster],

wonende te Rotterdam,

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Als informant is aangemerkt:

de raad voor de kinderbescherming,

Regio Rotterdam-Rijnmond

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 16 oktober 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2006.

De vrouw heeft op 28 november 2006 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 14 september 2007 een gewijzigd appelverzoek ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 22 november 2006, 25 oktober 2007 en 26 oktober 2007 aanvullende stukken ingekomen.

De procureur van de man heeft op 26 oktober 2007 haar pleitnota op voorhand aan het hof doen toekomen.

De raad heeft het hof bij brief van 31 augustus 2007 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 2 november 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn procureur en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. W.A. van der Stroom-Willemsen.

Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN DE VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank Rotterdam.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

De echtscheidingsbeschikking is op 16 november 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

a) de omgangsregeling tussen de man en de minderjarige [geboren in ] 2004];

b) de door de man te betalen partneralimentatie;

c) de niet-ontvankelijkheid van de man inzake de gebruiksvergoeding die hij van de vrouw vordert ter zake het gebruik van de voormalige echtelijke woning.

2. De man verzoekt in zijn appelschrift de bestreden beschikking, te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alsnog:

I. een omgangsregeling vast te stellen tussen de man en [de minderjarige] van zeven maal per jaar voor een periode van drie dagen, alsmede twee keer op jaarbasis twaalf aaneengesloten dagen om een vakantie door te brengen met [de minderjarige]. Voorts dat wordt vastgelegd dat wanneer de man in Europa is vanwege hetzij werkbezoeken, hetzij familiebezoeken, hij ook omgang kan hebben met [de minderjarige];

II. een gebruikersvergoeding vast te stellen, welke minimaal gelijk is aan de helft van de hypotheekrente van de echtelijke woning op jaarbasis;

III. de behoefte van de vrouw vast te stellen op een bedrag van € 1.965,- per maand;

IV. de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te bepalen op een bedrag van € 1.965,- per maand, voor een periode van drie jaar, gerekend vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3. De man heeft schriftelijk zijn eis gewijzigd, zoals verwoord in zijn brief van 13 september 2007, ingekomen bij het hof op 14 september 2007. De wijziging heeft betrekking op de omgangsregeling alsmede de partneralimentatie. De eis luidt als volgt:

I. een omgangsregeling vast te stellen tussen de man en [de minderjarige], waarbij het de man is toegestaan een keer per veertien dagen omgang te hebben met [de minderjarige] in Nederland van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 18.00 uur, alsmede twee aaneengesloten weken in de zomervakantie, een aaneengesloten week in de kerstvakantie, het ene jaar een week in de voorjaarsvakantie en het daaropvolgende jaar in de herfstvakantie en zo om en om en van jaar tot jaar;

II. daarenboven verzoekt de man het hof zijn bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te bepalen op een bedrag van € 1.965,- bruto per maand voor het tijdvak 16 november 2006 tot 1 september 2007 en vanaf 1 september 2007 tot 16 november 2009 op een nog nader door de man uit te rekenen bedrag op maandbasis gegeven de daling van zijn arbeidsinkomen.

4. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt de man in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans de grieven van de man af te wijzen. In haar incidenteel appel vordert de vrouw te bepalen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de bestreden beschikking wordt bekrachtigd, behoudens voor zover daarin verwervingskosten op € 150,- per maand zijn gesteld en de vermogensinkomsten en fiscale voordelen buiten beschouwing zijn gelaten, hetwelk resulteert in een nader te duiden hogere behoefte van de vrouw en dito alimentatie, als nader door het hof vast te stellen.

5. Ter terechtzitting heeft de vrouw haar verzoek mondeling vermeerderd en heeft zij het hof verzocht de kinderalimentatie vast te stellen op een bedrag van € 795, - netto per maand.

6. De man heeft twaalf grieven tegen de bestreden beschikking gericht en de vrouw in haar incidenteel appel twee grieven. Het hof zal de grieven afzonderlijk behandelen, tenzij een gevoegde behandeling tot de mogelijkheden behoort.

Omgangsregeling

7. Ter terechtzitting hebben partijen overeenstemming bereikt. Zij zijn het navolgende overeengekomen: een omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige], waarbij het de man is toegestaan een keer per veertien dagen omgang te hebben met [de minderjarige] in Nederland van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 18.00 uur.

Voor wat betreft de vakanties hebben partijen het volgende afgesproken:

a) voor de zomervakantie twee aaneengesloten weken, zolang het betreft een vakantie binnen Europa;

b) voor de kerstvakantie een aaneengesloten week;

c) voor de voorjaars- en herfstvakantie het ene jaar een week in de voorjaarsvakantie en het daaropvolgende jaar in de herfstvakantie en zo om en om en van jaar tot jaar.

8. Nu partijen overeenstemming hebben bereikt, zal het hof dienovereenkomstig beslissen.

Gebruiksvergoeding

9. Uit de tweede grief van de man volgt dat hij van mening is dat hij ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard terzake de gebruiksvergoeding betreffende de echtelijke woning. De man is van mening dat hij recht heeft op een redelijke gebruiksvergoeding. De man stelt die gebruiksvergoeding op minimaal de helft van de hypotheekrente op jaarbasis van de echtelijke woning.

10. De vrouw is van mening dat de woning in Rotterdam niet de echtelijke woning in de zin van artikel 1:165 BW is. De echtelijke woning staat in India. Daarnaast voldoen partijen ieder de helft van de lasten met betrekking tot de woning te Rotterdam zolang de woning in Rotterdam nog onverdeeld is. De vrouw is van mening dat zij al voldoende bijdraagt aan de kosten van de woning.

11. Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat de vordering van de man ter zake de gebruiksvergoeding voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding. Beide partijen zijn mede-eigenaar van de woning te Rotterdam. In beginsel zijn beide partijen gelijk gerechtigd op de vruchten van deze gemeenschap en dienen beide partijen in beginsel bij te dragen in de kosten van de woning. De redelijkheid kan met zich meebrengen dat de partij die niet het gebruik heeft van de woning desondanks van de andere deelgerechtigde een redelijke vergoeding kan bedingen. In casu bewoont de vrouw met der partijen kind de woning. De vrouw is voor haar levensonderhoud afhankelijk van de onderhoudsbijdrage van de man. Door het toekennen van de gebruiksvergoeding zou de behoefte van de vrouw toenemen. Ter zitting is gebleken dat de woning een geringe overwaarde heeft en het eigen vermogen van de man in de woning slechts gering is. Onder de gegeven omstandigheden acht het hof het niet redelijk en billijk om een gebruiksvergoeding thans vast te stellen. Het hof geeft partijen evenwel dringend in overweging op korte termijn een passende oplossing te zoeken voor de woning te Rotterdam.

Huwelijksgerelateerde behoefte vrouw

12. De derde tot en met de achtste grief van de man zijn gericht tegen de vaststelling van de behoefte van de vrouw op een bedrag van € 3.180,- per maand. De man is van mening dat de behoefte van de vrouw ten onrechte is vastgesteld aan de hand van een vuistregel. Deze vuistregel houdt in dat de behoefte een percentage is van het netto gezinsinkomen minus kosten van de minderjarige. De man is van mening dat de casus van partijen geen standaardgeval is en de vuistregel niet onverkort toegepast kan worden. De man stelt dat de vrouw geen enkele onderbouwing heeft gegeven voor de door haar gestelde behoefte. De man is van mening dat de welstand van partijen tijdens hun huwelijk mede bepalend is voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw, als ook het inkomsten- en uitgavenpatroon tijdens de laatste jaren van het huwelijk. De man stelt dat de behoefte van de vrouw door haar nieuwe leefsituatie is verminderd. Haar uitgavenpatroon tijdens het huwelijk, in verband met de maatschappelijke positie van de man in zijn functie, kan niet bepalend zijn voor haar huidige behoefte. De man is van mening dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen, na aftrek van de kosten van [de minderjarige] van € 400,- per maand, vastgesteld moet worden op een bedrag van € 3.275,-, 60% daarvan bedraagt € 1.965,- per maand.

13. De vrouw is van mening dat het onderhavige geval wel een standaard geval is en dat de rechtbank de 60% regel terecht heeft toegepast, ondanks dat het hier om een dienstbetrekking in India gaat. Voorts stelt de vrouw dat de man een inkomensoverzicht heeft overgelegd zonder hierin inkomen uit vermogen te betrekken en/of het fiscale voordeel met betrekking tot de hypotheekrente. De vrouw is van mening dat het uitgangspunt moet zijn het laatstgenoten netto besteedbaar inkomen van de man, zijnde € 5.700,-, minus de kosten van [de minderjarige] x 60%. Uitgaande van deze rekenformule komt de vrouw op een netto behoefte van € 3.180,-. Daarnaast voert de vrouw aan dat het uitgavenpatroon van de vrouw vermeerderd is, nu het levensonderhoud in Nederland duurder is geworden voor de vrouw.

14. Het hof overweegt als volgt. Voor de vaststelling van de behoefte dient uitgegaan te worden van het inkomen van partijen tijdens de laatste jaren van het huwelijk, het uitgavenpatroon van partijen in de laatste jaren van het huwelijk, alsmede concrete feiten en omstandigheden van het betreffende geval.

15. De vrouw heeft ter staving van haar behoefte van € 3.180,- per maand een berekening overgelegd bij haar pleitnota in hoger beroep. De man heeft de behoefteberekening van de vrouw betwist.

16. Uit de gewisselde stukken volgt dat partijen op 2 februari 2003 een nieuwbouw woning te Rotterdam hebben gekocht voor een bedrag van € 317.939,-. Partijen hadden de beschikking over een Volvo Estate. Ze gingen minimaal twee maal per jaar op vakantie. Vanaf 2002 heeft de vrouw in Nederland gewerkt en genoot zij inkomen. Haar werkzaamheden heeft zij beëindigd per 1 juni 2003. De man was en is werkzaam bij P&O Nedlloyd. Uit punt 52 van zijn appelschrift volgt dat de man een bruto jaarinkomen genoot voor de perioden:

- augustus 2002 - december 2002 van € 47.645,-;

- januari 2003 – februari 2004 van € 49.153,-;

- maart 2004 – juli 2004 van € 49.400,-;

- augustus 2004 – december 2004 van € 76.420,-;

- januari 2005 – 10 september 2005 van € 95.457,-;

17. Als gevolg van de overplaatsing van de man naar India is het inkomen van de man aanzienlijk gestegen als gevolg van ‘hardship toelages’. Het hof acht het in beginsel niet redelijk en billijk om bij de berekening van de behoefte integraal rekening te houden met deze ‘hardship toelages’ aangezien een dergelijke toelage slechts gekoppeld is aan het verblijf in het buitenland en in beginsel van tijdelijke aard is. Rekening houdend met het inkomen van partijen tijdens hun huwelijk, rekening houdend met de hierboven genoemde besteding, acht het hof de door de vrouw opgestelde behoefteberekening redelijk, met uitzondering van de navolgende post “eten/drinken/vrolijk zijn”. Het hof begroot de behoefte van de vrouw in redelijkheid op € 3.300,- per maand.

Behoeftigheid/limitering

18. De man stelt dat de vrouw binnen een periode van drie jaar in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

19. De vrouw is van mening dat zij niet over drie jaar in staat is om (volledig) in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. De vrouw staat op een wachtlijst om Nederlands te leren spreken, de verdiencapaciteit van de vrouw zal op termijn niet dusdanig zijn dat zij daadwerkelijk een aanvang heeft kunnen maken met haar ‘nieuwe leven’.

20. Het hof overweegt als volgt. Anders dan de man meent heeft naar het oordeel van het hof de rolverdeling tijdens het huwelijk de mogelijkheden voor de vrouw om inkomsten te verwerven verminderd. Als onweersproken staat vast dat de vrouw nog steeds de zorg voor de minderjarige zoon van partijen draagt, zodat de mogelijkheden voor de vrouw om inkomsten te verwerven ook nu nog beperkt zijn. Voorts beheerst de vrouw de Nederlandse taal (nog) niet, hetgeen haar toegang tot de arbeidsmarkt belemmert. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat van de vrouw thans niet verwacht kan worden dat zij op dit moment volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Gezien de zorg voor het nog jonge kind en de onzekerheid omtrent haar inkomen acht het hof het niet redelijk om de alimentatie in duur te beperken.

Draagkracht van de man

21. Het hof gaat thans nader in op de draagkracht van de man.

Bij het vaststellen van de draagkracht van de man zal het hof twee perioden onderscheiden. Periode één is de periode vanaf de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot 3 september 2007 (beëindiging verblijf India). Periode twee loopt vanaf 3 september 2007 (verblijf Londen).

Periode een

22. Gedurende de eerste periode zal het hof rekening houden met een netto maandinkomen van de man van € 5.700,-. Het hof is van oordeel dat de man, tegenover de gemotiveerde betwisting van zijn stellingen door de vrouw, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van hun huwelijk minder dan € 5.700,- bedroeg en vaststaat dat de vrouw geen inkomen genereerde. Het hof houdt voorts rekening met de helft van de woonlasten aangezien tussen partijen vaststaat dat de man gedurende deze periode de helft van de hypotheekrente, alsmede de helft van de premie risicoverzekering voor zijn rekening nam, ter hoogte van € 567,08 per maand.

Periode twee

23. Gedurende de tweede periode geldt het volgende. Het netto maandinkomen van de man is per 1 september 2007 gedaald naar € 5.056,-. Het hof houdt voor deze periode ook rekening met de helft van de woonlasten, aangezien deze feitelijk door de man worden betaald en de woning nog niet verkocht is.

24. Voor beide perioden zal het hof rekening houden met de kinderalimentatie zoals door de rechtbank vastgesteld. Weliswaar heeft de man gesteld dat hij om fiscale redenen er geen bezwaar tegen heeft dat de kinderalimentatie wordt verhoogd tot € 795,- per maand. Het hof heeft echter aldus begrepen dat dit dient plaats te vinden binnen zijn totale draagkracht. Nu de kinderalimentatie niet formeel voorligt aan het hof kan het hof omtrent de kinderalimentatie geen beslissing nemen.

Kosten omgangsregeling

25. In de negende en de tiende grief stelt de man de beslissing van de rechtbank omtrent respectievelijk de verblijfskosten en de vervoerskosten aan de orde.

26. Wat betreft de verblijfskosten komt de man op tegen het oordeel dat daarmee conform de Tremanormen slechts € 5,- per dag is gemoeid. Hij voert daartoe aan dat dit bedrag in geen verhouding staat tot de werkelijke kosten van de man, nu de man geen eigen huisvesting in Nederland heeft. De vrouw stelt dat de verblijfskosten terecht op € 5,- per maand zijn gesteld, nu de man niet onderbouwt of aantoont dat daarmee een hoger bedrag is gemoeid.

27. Met betrekking tot de vervoerskosten bestrijdt de man het oordeel dat terzake vliegtickets met € 200,- per maand rekening moet worden gehouden en terzake vervoerskosten in het kader van de omgang met € 0,-. De vrouw betwist de door de man opgevoerde kosten.

28. Het hof overweegt dat de man niet heeft aangetoond dat met de kosten van verblijf van de minderjarige bij hem meer is gemoeid dan € 5,- per omgangsdag. Met de man is het hof van oordeel dat tot redelijke vervoerskosten niet alleen de kosten van de retourvlucht van de man naar een Nederlands vliegveld moeten worden gerekend, maar ook de kosten van dat vliegveld naar de plaats van omgang. Het hof ziet dan ook geen reden om de in aanmerking te nemen vervoerskosten te beperken tot die van de vliegtickets.

29. De man stelt de met de omgangsregeling gemoeide verblijfs- en vervoerskosten op € 712,- per bezoek en bij 22 bezoeken per jaar op gemiddeld op € 1.305,33 per maand. Daarbij gaat hij uit van na tegenspraak niet met bescheiden onderbouwde hotelkosten ten behoeve van zichzelf ad € 150,- per bezoek en van na tegenspraak evenmin met bescheiden onderbouwde kosten vliegticket Londen-Rotterdam ad € 243,- enkele reis. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen en gegeven de omstandigheid dat de man, zoals hij stelt, zoveel als mogelijk zijn zakenreizen zal combineren met omgangsweekends, stelt het hof de in aanmerking te nemen kosten omgangsregeling in redelijkheid op € 500,- per maand in totaal.

Verwervingskosten

30. De man stelt in zijn elfde grief dat de rechtbank ten onrechte overwogen heeft dat voor de verwervingskosten rekening kan worden gehouden met een bedrag van € 150,- per maand. De man stelt dat het onjuist is dat hij deze kosten, voorzover die een bedrag van € 150,- te boven gaan, zou moeten bestrijden uit zijn vrije ruimte.

31. De vrouw acht de omvang van de door de man opgevoerde werkelijke verwervingskosten niet redelijk. Zij stelt daartoe dat de man alle kosten vergoed krijgt van zijn werkgever.

32. Het hof zal rekening houden met de door de man opgevoerde verwervingskosten van € 389,- per maand, nu gebleken is dat deze kosten daadwerkelijk door de man worden gemaakt en de kosten het hof qua omvang in relatie tot het werk van de man alleszins redelijk voorkomen.

33. In ogenschouw nemend vorenstaande uitgangspunten zal het hof de partneralimentatie vaststellen over de periode van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tot 3 september 2007 op een bedrag van € 2.090,- per maand en over de periode vanaf 3 september 2007 op een bedrag van € 1.640,- per maand. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.

34. Ten aanzien van het incidenteel appel oordeelt het hof als volgt.

35. De vrouw stelt in de eerste grief dat de rechtbank ten onrechte de verwervingskosten op € 150,- per maand heeft bepaald, nu deze door de werkgever worden vergoed en voorzover dat niet het geval is door de man uit de bijstandsnorm c.q. zijn vrije ruimte dienen te worden voldaan.

36. Zoals hiervoor reeds in rechtsoverweging 32 is uiteengezet zal het hof rekening houden met de door de man opgevoerde verwervingskosten van € 389,- per maand.

37. In de tweede grief stelt de vrouw dat ten onrechte door de rechtbank geen rekening is gehouden bij de vaststelling van het netto besteedbaar inkomen van partijen met het inkomen uit vermogen en met de fiscale voordelen, welke door de man nader dienen te worden geduid. Dit resulteert in een hoger netto besteedbaar inkomen, hogere netto behoefte en een hogere alimentatie voor de vrouw.

38. Het hof is van oordeel dat de vrouw onvoldoende (met stukken) heeft aangetoond dat er sprake is van het inkomen uit vermogen en fiscale voordelen. De tweede grief van de vrouw faalt derhalve.

39. Mitsdien moet beslist worden als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man voor de periode van 16 november 2006 tot 3 september 2007 op € 2.090,- per maand en vanaf 3 september 2007 op € 1.640,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt een omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige], inhoudende:

de man zal een keer per veertien dagen omgang hebben met [de minderjarige] in Nederland van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 18.00 uur, alsmede twee aaneengesloten weken in de zomervakantie, zolang het betreft een vakantie binnen Europa, een aaneengesloten week in de kerstvakantie, te beginnen in 2008, het ene jaar een week in de voorjaarsvakantie, te beginnen in 2008, en het daaropvolgende jaar in de herfstvakantie en zo om en om en van jaar tot jaar;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Kamminga en Bouritius, bijgestaan door mr. Steenks als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2008.