Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC4348

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
15-02-2008
Zaaknummer
1246-H-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen vervangende toestemming tot erkenning van een minderjarige door de vader, aangezien het hof de kans groot acht dat erkenning ertoe zal leiden dat de belangen van de moeder en kind bij een ongestoorde verhouding zullen worden geschaad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 23 januari 2008

Rekestnummer. : 1246-H-06

Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-6600

[appellant],

wonende te Alphen aan den Rijn,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. I. Hüppler.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende 1],

hierna te noemen: de moeder,

en

2. J[belanghebbende 2]

hierna te noemen: de partner van de moeder,

beiden wonende te Alphen aan den Rijn,

procureur mr. R. van Venetiën,

3. mr. S. Kool,

in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna te noemen [de minderjarige]

kantoorhoudende te Alphen aan den Rijn,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst naar de tussenbeschikking van 13 juni 2007. Bij die beschikking heeft het hof de bijzondere curator verzocht haar standpunt met betrekking tot de onderhavige kwestie, de geschillen rond de erkenning van [de minderjarige], aan het hof te doen toekomen.

De bijzondere curator heeft het hof bij brieven van 27 augustus, 5 oktober en 19 oktober 2007 geïnformeerd. De procureur van de man heeft zijn reactie op het standpunt van de bijzondere curator gegeven bij brief van 1 november 2007. De procureur van de vrouw heeft het hof bij brief van 13 december 2007 een afschrift van een ongedateerd schrijven van de vrouw doen toekomen, welk schrijven een reactie bevat op de contacten die de vrouw had met de bijzondere curator.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De bijzondere curator stelt dat haar visie in juridisch opzicht in deze procedure niet is gewijzigd. Zij voegt daaraan toe dat zij, de stukken lezend, met name het proces-verbaal van de zitting die op 4 april 2007 heeft plaatsgevonden, zich niet kan uitlaten over de belangen van [de minderjarige], alsmede in hoeverre deze belangen worden geschaad bij voortzetting van de procedure. De bijzondere curator acht een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming noodzakelijk om na te gaan in hoeverre de belangen van [de minderjarige] worden geschaad bij een erkenning door zijn biologische vader.

2. De man stelt dat nader onderzoek door de raad niet nodig is: er is op dit moment omgang. Tengevolge van deze omgang zal de band tussen [de minderjarige] en de man behouden blijven en verder worden opgebouwd. In het dagelijks leven van [de minderjarige] zal niets veranderen door een erkenning, hetgeen ook wel blijkt uit de verklaring van de man ter zitting van 4 april 2007, dat het niet zijn bedoeling is om zich te bemoeien met de dagelijkse opvoeding en verzorging van [de minderjarige] door de vrouw.

3. Het hof stelt voorop dat erkenning een familierechtelijke rechtshandeling betreft die gericht is op het doen ontstaan van een in juridische zin familierechtelijke betrekking met een kind. Erkenning van [de minderjarige] door de man kan enkel met voorafgaande toestemming van de moeder. Die toestemming kan door de toestemming van de rechter worden vervangen, indien – voorzover hier van belang – de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden. Het hof acht zich, gelet op de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting van 4 april 2007, voldoende in staat een afweging van deze belangen te maken. Een nader onderzoek, als door de bijzondere curator bepleit, acht het hof niet nodig.

4. Met name ter zitting van 4 april 2007 is het hof gebleken dat de man een (mede)beslissingsrecht wil in het leven van [de minderjarige]. Hij stelt dat hij beslissingen over bijvoorbeeld de school wil nemen, samen met de moeder. Geconfronteerd met de stelling dat de moeder het gezag alleen heeft en de moeder en [de minderjarige] recht hebben op een ongestoorde verhouding met elkaar antwoordt de man dat hij doelt op medebeslissen in positieve zin en niet in negatieve zin. Hij stelt betrokken te willen zijn bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige], met name de belangrijke beslissingen.

5. Vast staat dat de moeder van de geboorte van [de minderjarige] af alleen het gezag over hem uitoefent. De moeder stelt in het verleden last te hebben gehad van de man (stalking), zij stelt voorts dat de man in het verleden een periode niets met [de minderjarige] te maken wilde hebben en dat de man voor de buitenwereld in die periode geheim wenste te houden de biologische vader van [de minderjarige] te zijn. De man ontkent de aantijgingen en stelt dat hij zich geblokkeerd voelt in zijn streven contact met [de minderjarige] te onderhouden sedert de komst van de partner van de moeder in het leven van [de minderjarige].

6. Het hof constateert dat er thans sprake is van omgang tussen de man en [de minderjarige], hetgeen betekent dat de moeder, zoals dat behoort, haar medewerking aan die omgang verleent. Het hof heeft ter zitting van 4 april 2007 vastgesteld dat de moeder er bijzonder veel waarde aan hecht dat zij de man niet in haar leven met [de minderjarige] behoeft toe te laten, anders dan in het kader van de omgang. Zij vreest dat haar relatie met [de minderjarige] onder druk zal komen te staan indien zij verdere invloed van de zijde van de man dient te ondergaan, dan wel toe te laten, hetgeen haar, gelet op de wijze waarop zij het verleden met de man beleeft, ernstig zorgen baart. De man maakt op het hof de indruk dat hij in alle gevallen invloed op het leven van [de minderjarige] wenst te hebben, bij voorkeur in goed overleg met de moeder, maar als het niet in goed overleg lukt, zal zijn invloed er ook moeten zijn. Het hof acht, al het vooroverwogene in acht nemend en wegend, de kans groot dat erkenning van [de minderjarige] door de man er toe zal leiden dat de belangen van de moeder en het kind bij een ongestoorde verhouding zullen worden geschaad.

7. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Van Nievelt en Punselie, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2008.