Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC4322

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
C06/870
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BK4930, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BK4930
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tariefswijziging waterleidingbedrijf m.b.t. vastrecht bij complexen met centrale meter; redelijkheid en billijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

Rolnummer: 06/870

Zaak-/rolnummer Rechtbank: 235904 / HA ZA 05-1009

arrest van de vierde civiele kamer d.d. 12 februari 2008

inzake

1. de stichting STICHTING STADSWONEN,

2. de stichting STICHTING OUDERENHUISVESTING ROTTERDAM,

3. de stichting MAASANKER, thans h.o.d.n. Laurens Wonen,

alle gevestigd te Rotterdam,

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: Stadswonen c.s.,

procureur: mr. E. Grabandt,

tegen

de naamloze vennootschap EVIDES N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Evides,

procureur: mr. V.P. Aarts .

1. Het geding

Bij dagvaarding van 14 juni 2006 zijn Stadswonen c.s. in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 maart 2006, gewezen tussen Stadswonen c.s. als eiseressen en Evides als gedaagde. Bij memorie van grieven (tevens houdende aanvulling van eis) hebben Stadswonen c.s. zeven grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, alsmede hun eis gewijzigd. Evides heeft de grieven bij memorie van antwoord (met één productie) bestreden. Ter terechtzitting van 8 januari 2008 hebben partijen hun standpunten aan de hand van pleitnotities mondeling doen toelichten, Stadswonen c.s. door mr. H.J. ter Meulen, advocaat te Best, en Evides door haar procureur mr. Aarts voornoemd. Ter gelegenheid van het pleidooi hebben Stadswonen c.s. tevens nog een akte houdende bewijsaanbod genomen. Vervolgens hebben partijen hun procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd.

2. Beoordeling van het hoger beroep

1. Stadswonen c.s. hebben bij memorie van grieven hun eis aangevuld met - kort gezegd - een voorwaardelijk subsidiaire vordering tot terugbetaling door Evides van de over 2003 geïncasseerde bedragen aan vast recht, alsmede zowel primair als subsidiair met een vordering tot betaling door Evides van een onkostenvergoeding. Het hof gaat uit van de eis zoals deze in hoger beroep is gewijzigd.

2. Het hof gaat voorts uit van de feiten zoals deze door de rechtbank in haar vonnis van 15 maart 2006 onder 2.1 tot en met 2.8 zijn vastgesteld, nu hiertegen in hoger beroep geen grieven of anderszins bezwaren zijn gericht. Voor een aanvulling van deze feiten met hetgeen door Stadswonen c.s. de in de memorie van grieven onder 7 naar voren is gebracht, ziet het hof onvoldoende aanleiding.

3. Het gaat in de onderhavige zaak in de kern om de vraag of Evides, producent en leverancier van drinkwater in een groot gebied van Zuid-Holland, gerechtigd is om met ingang van 1 januari 2003 haar tariefstructuur aldus te wijzigen, dat terzake van de levering van drinkwater aan (onder meer) Stadswonen c.s. voor elk verbruiksadres een vastrecht in rekening wordt gebracht, waarbij onder "verbruiksadres” door Evides wordt verstaan: GBA-adres. Stadswonen c.s. zijn onder meer eigenaar van wooncomplexen waarin zich diverse (zelfstandige en/of onzelfstandige) wooneenheden bevinden ten behoeve van o.a. ouderen en studenten. In deze procedure zijn de wooncomplexen relevant die beschikken over één centrale drinkwatermeter, en waarbij de overeenkomst tot de levering van drinkwater is gesloten tussen Stadswonen c.s. enerzijds en (de rechtsvoorgangster van) Evides anderzijds. Tot 1 januari 2003 werd aan Stadswonen c.s. ter zake van de drinkwaterlevering aan deze centraal bemeterde wooncomplexen één vastrecht in rekening gebracht per complex, hetgeen per 1 januari 2003 is gewijzigd in één vastrecht per verbruiksadres. Stadswonen c.s. maken tegen deze wijziging van de tariefstructuur bezwaar.

4. Evides heeft bij memorie van antwoord het preliminaire verweer gevoerd dat Stadswonen c.s. geen belang hebben bij hun vordering, aangezien zij het door hen verschuldigde vastrecht doorberekenen aan hun huurders en derhalve zelf geen nadeel of schade van de tariefswijziging ondervinden. Dit verweer wordt verworpen. Het enkele feit dat Stadswonen c.s. de door Evides in rekening gebrachte bedragen aan vastrecht doorberekenen aan hun huurders, brengt niet mee dat zij als contractuele wederpartijen van Evides en als verhuurders van sociale wooneenheden geen rechtens te respecteren belang hebben bij hun vordering.

5. De rechtbank heeft de vorderingen van Stadswonen c.s. afgewezen. Hiertegen richten zich de grieven. Deze falen, nu het hof het oordeel van de rechtbank deelt. Het hof overweegt hierover het volgende.

6. Ingevolge art. 3p van de Waterleidingwet, is een eigenaar van een waterleidingbedrijf, zoals Evides, verplicht om aan degene die daarom verzoekt een aanbod te doen drinkwater te leveren. De eigenaar van het waterleidingbedrijf is ingevolge lid 3 van dit artikel verplicht om tarieven en voorwaarden te hanteren die redelijk, transparant en niet discriminerend zijn. Zoals de rechtbank (in hoger beroep niet bestreden) voorop heeft gesteld in r.o. 4.8 van haar vonnis, heeft Evides op grond van de door haar (als zodanig niet betwiste) gehanteerde Algemene Voorwaarden en de Tarievenregeling, zoals deze golden vóór de wijziging van 1 januari 2003 en ook nadien, een ruime bevoegdheid om niet alleen de hoogte van de vastrechttarieven maar ook de structuur ervan te wijzigen. Dit geldt ook voor het wijzigen van de wijze van heffing. Evides kan bij het gebruiken van haar bevoegdheid echter niet geheel naar eigen goeddunken te werk gaan, maar - mede gezien de monopoliepositie die Evides heeft bij de levering van drinkwater - er moet sprake zijn van deugdelijke argumenten ter rechtvaardiging van de wijzigingsbeslissing.

7. Evides heeft in dit verband argumenten aangevoerd van harmonisatie, gelijke behandeling en bedrijfseconomische noodzaak, ter rechtvaardiging van de wijziging van de tariefheffing per 1 januari 2003. Deze argumenten kunnen als volgt worden samengevat:

- harmonisatie van de drinkwatertarieven in het verzorgingsgebied van Evides was nodig vanwege historisch ontstane (willekeurige) verschillen tussen de binnen het gebied in rekening gebrachte tarieven, ook ten aanzien van de vastrechtberekening;

- Evides sluit aan bij de wijze waarop elders in haar voorzieningengebied de tarieven worden berekend;

- het vastrecht betreft geen vergoeding voor bepaalde kosten, maar is niets anders dan een vast bedrag in het totale watergeld dat zodanig is vastgesteld, dat bij wisselend waterverbruik niettemin verzekerd is dat de inkomsten uit dat vastrecht een belangrijke bijdrage vormen aan de dekking van de vaste kosten van het waterbedrijf, die voor het grootste deel bestaan uit de kosten van aanleg, instandhouding en bedrijfsvoering van de productie- en leidingeninfrastructuur;

- andere waterbedrijven hanteren een vergelijkbare berekeningswijze, waarbij het vastrecht wordt gerelateerd aan het totaal van de vaste kosten;

- voor een verschil in het verschuldigde vastrecht tussen woningen die een eigen watermeter hebben en woningen die centraal worden bemeterd, bestaan geen goede gronden. Huishoudens achter een centrale aansluiting doen in dezelfde mate een beroep op de productie- en leidingeninfrastructuur als individueel aangesloten huishoudens, zodat het ook redelijk is dat zij aan de kosten hiervan op gelijke wijze bijdragen. De kostenbesparing van Evides bij wooncomplexen met een centrale in plaats van individuele bemetering, rechtvaardigt geen uitzondering hierop aangezien deze kostenbesparing slechts een zeer gering deel betreft van de totale exploitatiekosten van Evides waarop het vastrecht is gebaseerd.

8. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat voormelde argumenten voldoende rechtvaardiging vormen voor de wijziging door Evides van haar tariefstuctuur, welke heeft geleid tot een wijziging in de berekening van het vastrecht voor de door Stadswonen c.s. geëxploiteerde wooncomplexen. Anders dan Stadswonen c.s. menen, is het hof van oordeel dat hierbij niet alleen financiële en bedrijfseconomische argumenten een rol kunnen spelen. Het is juist dat als gevolg van de wijziging elke wooneenheid die als apart GBA-adres is geregistreerd met ingang van 1 januari 2003 vastrecht verschuldigd is geworden, terwijl dat voorheen niet zo was, maar het hof is van oordeel dat het besluit van Evides om alle woningen en wooneenheden op dit punt gelijk te gaan behandelen, ongeacht de vraag of sprake is van centrale of individuele bemetering, niet onredelijk is. Hiervoor bestaan voldoende redengevende argumenten, waaronder met name het argument dat op deze wijze alle huishoudens die een beroep doen op de productie- en leidingeninfrastructuur van het waterbedrijf op gelijke wijze bijdragen aan de vaste kosten ervan. Het verweer van Stadswonen c.s. dat de situatie van een huurder in een complex met een centrale watermeter zowel juridisch als feitelijk niet gelijk is aan die van een huurder in een woning met een individuele watermeter is op zich juist, doch hetgeen Stadswonen c.s. in dit verband hebben aangevoerd weegt naar het oordeel van het hof niet op tegen het argument van Evides dat op deze wijze alle huishoudens die een beroep doen op de productie- en leidingeninfrastructuur van het waterbedrijf op gelijke wijze bijdragen aan de vaste kosten ervan.

9. Ook het argument van Stadswonen c.s. dat Evides als gevolg van de centrale bemetering afnemerskosten bespaart, is onvoldoende zwaarwegend voor een ander oordeel. Evides heeft toegelicht dat het vastrecht is gebaseerd op een deel van haar totale exploitatiekosten, en dat de zogenaamde afnemerskosten in verhouding daartoe slechts van zeer geringe omvang zijn. Het betoog van Stadswonen c.s. dat het vast recht gerelateerd dient te zijn aan specifieke kosten van Evides, en dat Evides slechts in redelijkheid mag overgaan tot het hanteren van een andere tariefstructuur ter zake van het vast recht als zij kan aantonen dat daar financiële en/of bedrijfseconomische redenen aan ten grondslag liggen, wordt verworpen. Evides is vrij om voor haar vast recht uit te gaan van een deel van haar totale exploitatiekosten. Het rapport van de commissie Traas waarop Stadswonen c.s. zich in dit verband beroepen, maakt dit niet anders. In het midden kan blijven of dit rapport, gelet op het latere rapport Prijsstructuur, nog actueel is, nu het rapport Traas aan de keuze van Evides om voor haar vast recht uit te gaan van een deel van haar totale exploitatiekosten niet in de weg staat. Voorts is het hof van oordeel dat Stadswonen c.s. onvoldoende gemotiveerd hebben betwist dat de afnemerskosten in verhouding tot de totale exploitatiekosten van zeer geringe omvang zijn. Stadswonen c.s. heeft haar betwisting van het door Evides bij memorie van antwoord overgelegde overzicht van de kosten bij pleidooi niet nader gemotiveerd of onderbouwd, hetgeen wel van haar verwacht mocht worden nu Evides onbetwist heeft gesteld dat haar jaarstukken gepubliceerd zijn bij zowel de Kamer van Koophandel als op haar website op internet. Ook de stelling van Stadswonen c.s. dat de huurders van centraal bemeterde wooncomplexen op deze wijze extra betalen omdat zij ook al via de huurprijs de kosten van de interne leidingen en de hydrofoorinstallatie dragen, en dat Evides als gevolg van de centrale bemetering afnemerskosten bespaart, is onvoldoende zwaarwegend, nu Stadswonen c.s. niet gemotiveerd hebben gesteld noch is gebleken dat het hier om een substantieel bedrag gaat.

10. Het argument van Stadswonen c.s. tenslotte dat de bewoners van hun wooncomplexen veelal weinig draagkrachtig zijn, en dat een vastrecht van € 66,65 per jaar voor hen een behoorlijke uitgave betreft, is - hoe juist ook - geen doorslaggevend argument om de wijziging in de tariefstructuur ter zake van de berekening van het vast recht in strijd te achten met de redelijkheid en de billijkheid. Ditzelfde geldt voor de door Stadswonen c.s. genoemde voorbeelden van o.a. studentenunits met een gemeenschappelijke natte cel, waarbij het bedrag aan vast recht dat thans in rekening wordt gebracht per studentenunit gelijk is aan het vast recht voor een woning met een groot gezin. Het gaat er in dit geding niet om of en in hoeverre het in rekening gebrachte vast recht in individuele gevallen redelijk is, maar of de wijziging in de tariefstructuur door Evides in overeenstemming is met de redelijkheid en billijkheid. Zoals blijkt uit het voorgaande, is het hof van oordeel dat dit zo is. Het hanteren van één bedrag aan vast recht per GBA-adres, ongeacht het inkomen van de bewoner(s) en ongeacht het aantal bewoners, is als zodanig niet onredelijk. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het gaat om een relatief laag bedrag van € 66,65 per jaar. Dat deze tariefstructuur mogelijk voor sommige gebruikers (enigszins) ongunstiger is dan voor anderen, maakt de tariefstructuur als zodanig niet onredelijk.

11. Voor het overige zijn de door Evides genoemde argumenten, zoals hierboven onder 7 weergegeven, gegrond op feiten en omstandigheden die als zodanig door Stadswonen c.s. niet gemotiveerd zijn betwist. Uit het bovenstaande vloeit voort dat de stelling van Stadswonen c.s. dat, gezien het karakter van de waterlevering en de monopoliepositie van Evides, de betreffende wijziging in de berekening van het vast recht in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, althans onrechtmatig, door het hof wordt verworpen. In zoverre faalt grief I.

12. Aangezien het hof het oordeel van de rechtbank deelt dat de uitleg door Evides van de begrippen "verbruiker" en "perceel" in die zin dat onder "verbruiksadres wordt verstaan "GBA-adres", redelijk is, ook in het licht van de door Stadswonen c.s. genoemde consequenties voor de bewoners van de centraal bemeterde wooncomplexen, faalt ook grief II. Voorzover in de toelichting op de grief wordt betoogd dat de huidige tariefstructuur leidt tot zeer onredelijke situaties, verwijst het hof naar hetgeen hierboven onder 10 is overwogen.

13. Nu het hof heeft geoordeeld dat de wijziging door Evides van de tariefstructuur gerechtvaardigd was gelet op de door Evides aangevoerde argumenten, kan ook grief III niet slagen. Het hof verwijst naar hetgeen eerder in dit arrest is overwogen en beslist.

14. Ditzelfde geldt voor grief IV. Evides is niet verplicht om het vastrecht te koppelen aan enkele, vast omschreven, kosten, maar heeft de vrijheid om een deel van haar totale exploitatiekosten als vastrecht in rekening te brengen. Van een wezenlijk en substantieel onderscheid in de kostensystematiek tussen centraal en individueel bemeterde woningen, zoals Stadswonen c.s. verdedigen, is het hof niet gebleken. Ook hiervoor verwijst het hof naar hetgeen eerder in dit arrest is overwogen en beslist. De bezwaren in de grief tegen de overweging van de rechtbank dat de huishoudens in individueel bemeterde complexen ook (gaan) bijdragen in de kosten van (de financiering van) het zogenaamde bemeteringsproject waarbij individuele meters worden geplaatst bij de huurders van de (thans) centraal bemeterde complexen, kunnen in het midden blijven. Ook indien bedoelde overweging van de rechtbank buiten beschouwing wordt gelaten, zoals de grief bepleit, leidt dit niet tot een andere beslissing.

15. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat een gelijkschakeling van het vastrecht voor centraal en individueel bemeterde woningen wellicht wel onredelijk zou zijn geweest, indien de besparing door Evides op haar kosten ingeval van centrale bemetering substantieel zou zijn geweest in verhouding tot de totale exploitatiekosten. Dit is echter niet aannemelijk geworden. Zoals het hof hierboven reeds heeft overwogen hebben Stadswonen c.s. onvoldoende gemotiveerd betwist dat de afnemerskosten slechts een zeer gering deel van de totale exploitatiekosten van Evides bedragen. Grief V wordt daarmee verworpen. De stelling van Stadswonen c.s. dat de rechtbank had moeten onderzoeken hoeveel lager de afnemerskosten precies zijn bij centraal bemeterde complexen in vergelijking tot individueel bemeterde woningen, gaat niet op. Het lag op de weg van Stadswonen c.s. om haar stellingen op dit punt nader te motiveren en te onderbouwen, hetgeen zij echter hebben nagelaten.

16. Ook grief VI faalt. Evides heeft onbetwist gesteld dat zij de tariefswijziging tijdig vóór 1 januari 2003 heeft gepubliceerd, en dat zij Stadswonen c.s. door middel van folders hiervan op de hoogte heeft gesteld. Het was weliswaar ongelukkig dat het vastrecht, dat wordt geïnd via Eneco, niet direct per 1 januari 2003 op de juiste wijze is geïnd maar dat het nodig was dit later in het jaar met terugwerkende kracht te doen, doch dit enkele feit maakt het handelen van Evides nog niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid of onrechtmatig. Het hof merkt hierbij op dat het vast recht het gehele jaar 2003 betrof, en dat de inning nog gedurende ditzelfde jaar heeft plaatsgevonden. Van een terugbetalingsverplichting van Evides over 2003 is dan ook geen sprake.

17. Grief VII tenslotte wordt eveneens verworpen. Evenmin als de rechtbank ziet het hof aanleiding tot het opdragen van bewijs aan Stadswonen c.s., nu geen gespecificeerd bewijs is aangeboden van feiten die, indien bewezen, zouden leiden tot een andere beslissing in dit hoger beroep.

18. Nu alle grieven worden verworpen, zal het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. Uit het bovenstaande vloeit voort dat ook de aanvullende eis in hoger beroep zal worden afgewezen. Stadswonen c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

3. Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 maart 2006;

- wijst de aanvullende vorderingen in hoger beroep af;

- veroordeelt Stadswonen c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Evides tot op heden begroot op € 296,- aan verschotten en € 2682,- aan salaris procureur;

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, J.J. Roos en A.G. Beets en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2008, in bijzijn van de griffier.