Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC4178

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
2210086206
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BK5172, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BK5172
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof spreekt de verdachte, in de pers aangeduid als Mohamed Fahmi B., vrij van deelname aan een criminele organisatie. De Hofstadgroep heeft onvoldoende organisatorische substantie gehad om tot het bestaan van een organisatie, als bedoeld in de artikelen 140 en 140a Sr, te kunnen concluderen. Teruggave inbeslaggenomen goederen aan de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 1000036504

Datum uitspraak: 23 januari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 maart 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1981,

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende aan het adres [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 30 januari 2007, 15 februari 2007, 9, 11, 25 en 30 mei 2007, 1, 11, 12, 13, 14 en 27 juni 2007, 23, 24, 26, 27 juli 2007, 12, 13, 24, 26 en 27 september 2007, 15, 16, 24 en 26 oktober 2007, 14, 28, 29 en 30 november 2007 en 7 en 10 januari 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van voorarrest, met verbeurd-verklaring van alle onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen bij inleidende dagvaarding, zoals op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader omschreven, vermeld staat en zoals ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep op vordering van respectievelijk de officieren van justitie en de advocaten-generaal gewijzigd.

Van de nadere omschrijving tenlastelegging en de vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2A en 2B (na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep 2 subsidiair A en B) tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van voorarrest, met beslissingen omtrent het beslag en de voorlopige hechtenis zoals nader in het vonnis waarvan beroep is omschreven.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bruikbaarheid van de ‘OVC-gesprekken’

Ter terechtzitting in hoger beroep van 28 november 2007 heeft de raadsman van de verdachte het verweer gevoerd dat de OVC-gesprekken dienen te worden uitgesloten van het bewijs nu de inhoud en de context van deze gesprekken niet in voldoende mate is te toetsen omdat slechts gedeelten ter beschikking zijn gesteld. Voorts blijkt niet dat de minister de benodigde toestemming heeft gegeven, waardoor sprake is van een zeer vergaande schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (verder EVRM), aldus de raadsman. Bij dupliek op 10 januari 2008 heeft de raadsman voorts het verweer gevoerd dat ook sprake is van schending van artikel 13 EVRM nu de rechtmatigheid niet kan worden getoetst. Dit alles brengt – naar het oordeel van de raadsman – met zich dat sprake is van schending van artikel 6 EVRM.

Het hof overweegt naar aanleiding hiervan het navolgende.

Uit het proces-verbaal met bijlagen d.d. 19 april 2005, op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend door [verbalisant], (map 24, pagina 3009 e.v.) blijkt dat op 5 januari 2005 een drietal CD-roms - met kopieën van originelen van opnames van vertrouwelijke communicatie in een pand aan de Antheunisstraat - van de AIVD in ontvangst zijn genomen door de teamleiding van het onder nummer RL8026 bekende onderzoek. Deze CD-roms zijn later uitgewerkt en vervolgens nog gecorrigeerd door een beëdigd vertaler Arabisch. Alle versies bevinden zich in het dossier (map 24, AHA OVC 002 en map 71, AHA OVC 003 en AHA OVC 004). Uit de uitwerkingen blijkt dat de opnames gesprekken betreffen die in de periode van 3 tot en met 10 november 2004 werden gevoerd in de woning aan de Antheunisstraat [huisnummer] te 's-Gravenhage alwaar de medeverdachten [Ismail A.] en [Jason W.] verbleven. Zij zijn voornamelijk te horen, alsmede [Zakaria T.] en enkele anderen. Uit het dossier blijkt dat de opnames zijn gemaakt door de AIVD die het pand aan de Antheunisstraat [huisnummer] heeft afgeluisterd. Deze opnames zal het hof hierna aanduiden als de OVC-gesprekken.

Rechtmatigheid

Artikel 8 EVRM geeft het recht op eerbiediging van privé- familie- en gezinsleven. Inmenging van enig openbaar gezag is niet toegestaan dan voor zover die inmenging bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

De verdachte was geen bewoner van het pand aan de Antheunisstraat [huisnummer] dat is afgeluisterd, noch was hij één van de gesprekspartners. Er is dus geen sprake van een – al dan niet onrechtmatige - inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, weshalve geen sprake is van schending van artikel 8 EVRM. Uit het feit dat de verdediging verweren over vermeende schending van door het EVRM gegarandeerde rechten in deze zaak aan het hof voorlegt, dat het hof daarover beslissingen heeft genomen en nog zal geven en dat het hof de mogelijkheid heeft om – wanneer een dergelijk verweer slaagt –daaraan consequenties te verbinden, volgt rechtstreeks dat er van een schending van artikel 13 EVRM geen sprake is. Deze procedure is te beschouwen als een ‘daadwerkelijk rechtsmiddel’ in de zin van dat artikel.

Betrouwbaarheid

De verdediging is uitgebreid in de gelegenheid geweest de opnames met daarop de OVC-gesprekken af te luisteren en heeft daarop kunnen reageren. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn daarenboven op 26 juli 2007 een aantal passages van de OVC-gesprekken ten overstaan van het hof afgespeeld, waarbij het hof zelf de kwaliteit van de opnames heeft kunnen waarnemen.

Bij de rechter-commissaris zijn de recherche officier van justitie en voormalig landelijk terreurofficier van justitie, het plaatsvervangend hoofd van de AIVD en het hoofd van de AIVD als getuige gehoord en is de verdediging in de gelegenheid geweest hen te ondervragen.

Deze getuigen waren op grond van de artikelen 85 en 86 van WIV 2002 gebonden aan hun geheimhoudingsplicht en konden slechts beperkt op vragen van de verdediging antwoord geven. [de recherche officier van justitie en voormalig landelijk terreurofficier van justitie] heeft evenwel – onder meer - verklaard dat naar zijn idee alle audio is verstrekt die verstrekt kon worden en hij heeft de procedure rondom de ambtsberichten en het verstrekken van informatie door de AIVD aan het openbaar ministerie uiteengezet. Hij heeft aangegeven dat hij in deze zaak alle onderliggende stukken heeft bekeken en dat hij geen opmerkelijke omstandigheden heeft aangetroffen. [het hoofd van de AIVD] heeft verklaard dat er weliswaar een selectie van de OVC-gesprekken is verstrekt, doch dat de gesprekken die zijn verstrekt integraal zijn overgelegd. Hij heeft voorts verklaard dat het enige selectiecriterium om gesprekken als relevant te beoordelen de staatsveiligheid is.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft [naam], commissaris van politie, hoofd Unit interceptie van de Dienst Specialistische Recherche Toepassingen, op 12 januari 2006 als getuige-deskundige een verklaring afgelegd. Hij heeft een verklaring gegeven voor de bromtonen die op de opnames te horen zijn, te weten dat door het converteren naar een WAV-bestand stiltereductie en stiltedetectie zijn omgezet in bromtonen. Hij heeft verklaard dat het er vanuit zijn expertise authentiek uitzag.

De OVC-gesprekken die aan het dossier zijn toegevoegd beslaan ongeveer twintig uur in de periode van 3 tot en met 10 november 2004. Deze twintig uur betreffen voornamelijk de periode van de inval in de woning aan de Antheunisstraat [huisnummer] en de uren daarna. Bovendien is [Ismail A.], die veelvuldig te horen is op de OVC-gesprekken, ten overstaan van het hof als getuige gehoord en is de verdediging in de gelegenheid geweest hem vragen te stellen omtrent de voorafgaande gebeurtenissen of over wat er na afloop van de gesprekken die aan het dossier zijn toegevoegd, is gebeurd in dat pand.

De OVC-gesprekken zijn – voorzover zij niet in de Nederlandse taal werden gevoerd - vertaald door tolken 148 en – met name - 201. In de uitwerking wordt aangegeven wanneer de tolken onduidelijkheden zijn tegengekomen of een en ander niet hebben verstaan. In het proces-verbaal herbeoordeling OVC, d.d. 24 augustus 2005 op ambtseed opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2], is te lezen dat de OVC op CD-rom bovendien nog aan [beedigd vertaler], beëdigd vertaler Arabisch, zijn overgelegd. Hoogland heeft de OVC-gesprekken vervolgens beluisterd en gecorrigeerd. Deze gecorrigeerde versie is vervolgens aan het dossier toegevoegd. De verdediging is in de gelegenheid geweest naar voren te brengen op welke punten zij de vertaling niet juist acht. Niet betwist is dat de gespreksdeelnemers hoofdzakelijk [Ismail A.], [Jason W.] en [Zakaria T.] betreffen.

Het hof is – gelet op het vorenoverwogene – van oordeel dat de OVC-gesprekken voldoende controleerbaar zijn gebleken. Het hof acht de OVC-gesprekken voldoende betrouwbaar met uitzondering van die gedeeltes waar de tolken en/of [beedigd vertaler] onduidelijkheden hebben gemeld, of waar onduidelijkheden bestaan als gevolg van de kwaliteit van de opnames.

Tot slot

Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden gebleken of aannemelijk geworden die met zich brengen dat er sprake is van enige inbreuk op de rechten van de verdachte.

Dit alles brengt mee dat er geen sprake is van schending van artikel 6 EVRM. De OVC-gesprekken kunnen derhalve meewerken voor een eventuele bewijsvoering.

Vrijspraak

Aan de verdachte, die tot de als zodanig bekend staande “Hofstadgroep” heeft behoord, is onder 1 en 2 ten laste gelegd dat hij – kort gezegd - in de periode van 1 mei 2003 tot en met 10 november 2004 heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, terroristische misdrijven, voor zover het de periode van 10 augustus 2004 tot en met 10 november 2004 betreft, daaronder begrepen.

[Redactie: voor vrijspraakmotivering zie LJN BC4171]

Indien men een groepsrelatie als een netwerk beschouwt, dan kan de “Hofstadgroep” als zodanig worden gekwalificeerd, maar op basis van het onderzoek ter terechtzitting en díe processtukken waarvan de inhoud op betrouwbaarheid kan worden getoetst – de basis waarop het hof zijn oordeel dient te vellen – moet worden geconcludeerd dat dit netwerk onvoldoende organisatorische substantie heeft gehad om tot het bestaan van een organisatie, als bedoeld in de artikelen 140 en 140a Sr te kunnen concluderen. Daarmede is het antwoord op de ter inleiding van deze overwegingen geformuleerde vraag als vanzelf gegeven.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 primair en 2 subsidiair onder A en B is ten laste gelegd, zodat hij daarvan vrijgesproken dient te worden.

Beslissing omtrent het verzoek van de verdediging

Ter terechtzitting van 24 oktober 2007 heeft het hof de voorlopige beslissing genomen dat het verzoek van de verdediging de vader van [Malika C.] en haar broer Mohamed als getuige te horen afgewezen wordt, nu vooralsnog de noodzaak daartoe niet was gebleken voor enige door het hof te nemen beslissing. Gelet op de hiervoor genomen beslissing is het hof thans definitief van oordeel dat de noodzaak tot het horen van deze getuigen niet aanwezig is. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Beslag

Het openbaar ministerie heeft bij requisitoir gevorderd dat de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen, zoals vermeld op de als bijlage bij het requisitoir gevoegde beslaglijst, zullen worden verbeurd verklaard, nu met behulp van deze voorwerpen de strafbare feiten zijn begaan.

Nu de verdachte wordt vrijgesproken van de aan hem tenlastegelegde feiten, zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten van alle onder hem in beslag genomen en nog niet aan hem terug gegeven voorwerpen, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen onder de nummers 1 tot en met 12.

Voor zover er op de in beslag genomen gegevensdragers (nummers 1, 2, 3, 5, 6, 8, 9, 11 en 12) bestanden (documenten dan wel beeld— of geluidsfragmenten) staan waarvan de inhoud als opruiend en/of haatzaaiend en/of bedreigend kan worden gekwalificeerd, overweegt het hof dat het enkele voorhanden hebben van dergelijke bestanden niet in strijd is met de wet of met het algemeen belang, zodat reeds op deze grond de maatregel van onttrekking aan het verkeer niet kan worden opgelegd ten aanzien van deze gegevensdragers.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 2 subsidiair A en B tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de onder hem in beslag genomen en nog niet aan hem terug gegeven voorwerpen, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen onder de nummers 1 tot en met 12.

Dit arrest is gewezen door mr. L.A.J.M. van Dijk,

mr. J.A. van Kempen en mr. S.J.A.M. van Gend, in bijzijn van de griffiers mr. R.E. Perquin en mr. F. Rutten.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 januari 2008.