Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC3874

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-02-2008
Datum publicatie
08-02-2008
Zaaknummer
2200563206
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BH8889, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BH8889
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestorming ADO-home door supporters van Ajax.

Verweer raadsman: de verdachte was door een ADO-supporter herkend door een in een fotoconfrontatiemap opgenomen foto van de verdachte. Die foto was bij een eerdere strafzaak van de verdachte gemaakt; de verdachte was vervolgens daarvan vijgesproken.

Het hof verwerpt dit verweer: De foto was uitsluitend bestemd voor de identificatie van daders in het kader van het onder leiding van de officier van justitie verrichte opsporingsonderzoek naar de onderhavige strafbare feiten. Niet is aangevoerd dat deze foto is gebruikt voor enig ander doel dan voormeld of op enigerlei wijze is getoond of ter beschikking is gesteld aan het algemene publiek, en de stukken omtrent zodanig gebruik ook niets inhouden, zodat niet gezegd kan worden dat door het handelen van de officier van justitie en de politie in zoverre inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005632-06

Parketnummer: 09-757379-06

Datum uitspraak: 8 februari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 18 september 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 5 oktober 2007, 12 december 2007, 21 december 2007 en 25 januari 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de dagvaarding deels nietig verklaard ten aanzien van de onder 2 subsidiair tenlastegelegde voorbereidingshandelingen voor doodslag en het onder 3 subsidiair tenlastegelegde waar het betreft de in de derde alinea vermelde zinsnede misdrijf/misdrijven, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenis-straf van acht jaren of meer is gesteld”.

Voorts is de verdachte van het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair, 2 subsidiair, 3 primair eerste cumulatief/alternatief en 5 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 3 primair tweede cumulatief/alternatief en 4 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden als vermeld in het vonnis waarvan beroep, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen als weergegeven in het vonnis waarvan beroep en zijn schadevergoedings-maatregelen opgelegd.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken van het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair, 2 subsidiair en 5 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Nietigheid van de dagvaarding

Het hof is van oordeel dat de dagvaarding onder het 3 subsidiair tenlastegelegde, waar het betreft het treffen van voorbereidingshandelingen voor het plegen van “misdrijf/misdrijven, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld”, zoals vermeld in de derde alinea, niet voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof is onduidelijk op welk misdrijf/welke misdrijven precies wordt gedoeld in die derde alinea omdat daar geen verdere omschrijving van wordt gegeven.

Het hof zal de dagvaarding ten aanzien van het hierboven vermelde onderdeel van het onder 3 subsidiair tenlastegelegde derhalve nietig verklaren.

Vrijspraak

Overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 primair eerste cumulatief/alternatief is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Beroep op onrechtmatig verkregen bewijs

Ter terechtzitting in hoger beroep van 21 december 2007 heeft de raadsman van de verdachte overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat een foto van de verdachte (fotonummer 266, pagina 2110) door de politie ten onrechte in een zogenoemde “fotoconfrontatiemap” is opgenomen. De betreffende opname van de verdachte is door de politie gemaakt in een andere de verdachte betreffende strafzaak, waarin diens vervolging niet heeft geleid tot een veroordeling maar tot een vrijspraak.

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte nooit toestemming heeft verleend tot het opnemen van zijn foto in enige verzameling. Aldus legitimeerde die strafzaak allerminst tot het doen opnemen van de foto van de verdachte in politieadministraties of in ieder geval zouden die foto’s daar uit moeten zijn verwijderd. Ook overigens zou volgens de raadsman geen genoegzame grondslag aanwezig zijn tot het doen opnemen van bedoeld fotomateriaal in dergelijke confrontatiemappen.

De raadsman verbindt aan het gestelde de conclusie dat het gebruik van die foto in de onderhavige strafzaak als een schending van het door artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer heeft te gelden, en dan ook als op onrechtmatige wijze verkregen bewijs moet worden aangemerkt. Slotsom is, aldus de raadsman, dat de onderwerpelijke fotoconfrontatie derhalve van het bewijs van het tenlastegelegde moet worden uitgesloten, zoals bedoeld in artikel 359a, eerste lid onder b van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof stelt op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en de stukken van het geding in dit kader de volgende feiten vast.

Blijkens het proces-verbaal van politie Amsterdam/Amstelland d.d. 18 april 2006 (pagina 1957), opgemaakt door verbalisant [R], is door hem – [R] – een fotoset gemaakt van personen die binnen de administratie van het Team Voetbal en evenementen van de Regiopolitie Amsterdam/Amstelland voorkwamen. Deze fotoset bevat de door de raadsman bedoelde foto van de verdachte, fotonummer 266, en is door genoemde verbalisant ter beschikking gesteld aan het ADAX-team. In het ADAX-onderzoek is de aangever [BP6] met deze fotoset geconfronteerd.

Deze aangever heeft toen bedoelde foto aangewezen en voorts verklaard dat de getoonde persoon (de verdachte [naam verdachte]) betrokken was bij de aanval op het supportershome van de voetbalclub ADO Den Haag. Hierop is [naam verdachte] aangemerkt als verdachte.

Het hof stelt voorop dat blijkens jurisprudentie van de Europese Commissie (nr. 5877/72 d.d. 12 okt. 1973, Yearbook of the European Convention on Human Rights 1973), het fotograferen van een betrokkene tegen zijn wil en het bewaren van een dergelijke foto door de politie geen inbreuk maakt op de in de door de raadsman aangehaalde Verdragsbepaling neergelegde beginselen.

Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval niet gebleken dat het gaat om een foto die is gemaakt onder zodanige omstandigheden of op zodanige wijze dat daardoor inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Uit het hiervoor vermelde proces-verbaal van verbalisant [R] blijkt voorts, dat deze foto uitsluitend was bestemd voor de identificatie van daders in het kader van het onder leiding van de officier van justitie verrichte opsporingsonderzoek naar de onderhavige strafbare feiten. Niet is aangevoerd dat deze foto is gebruikt voor enig ander doel dan voormeld of op enigerlei wijze is getoond of ter beschikking is gesteld aan het algemene publiek, en de stukken omtrent zodanig gebruik ook niets inhouden, zodat niet gezegd kan worden dat door het handelen van de officier van justitie en de politie in zoverre inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM.

Het door de raadsman gedane beroep op bewijsuitsluiting, zoals hiervoor weergegeven, wordt dan ook verworpen. Voorzover de raadsman nog heeft betoogd dat de fotoconfrontatie bij de medeverdachte [G5] eveneens van het bewijs dient te worden uitgesloten, overweegt het hof dat dit verweer – gelet op het vorenstaande – geen bespreking meer behoeft.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 primair tweede cumulatief/alternatief en 4 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Beslissing ten aanzien van gevoerde verweren

De raadsman heeft namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 21 december 2007 naast het hiervoor al besproken verweer met betrekking tot het gebruik van een foto van de verdachte, voorts nog de navolgende verweren gevoerd.

1. De rechtbank is aan de voor de verdachte ontlastende verklaringen van de getuigen [G1], [G2] en [G3], zoals afgelegd bij de rechter-commissaris op 28 augustus 2006, voorbij gegaan zonder een nadere overweging.

2. De bij de politie afgelegde verklaringen van [G4] kunnen door het hof niet als bewijs worden gebruikt, nu [G4] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep van 12 december 2007 op zijn eerder afgelegde verklaringen is teruggekomen en deze verklaring daarmee afbreuk doet aan het wettig bewijs, dat slechts kan bestaan uit de verklaringen van [BP6] en [G5].

3. Aan de verklaringen van aangever [BP6] kan niet (mede) het wettig en overtuigend bewijs worden ontleend met betrekking tot het onder 3 en 4 tenlastegelegde, nu de verdediging niet in de gelegenheid is geweest o[BP6] te ondervragen.

Het hof overweegt omtrent de verweren het volgende.

1. Gelet op de door het hof gebezigde bewijsmiddelen die door het hof betrouwbaar en consistent worden geacht en elkaar ook in onderling verband en samenhang beschouwd bevestigen en daarmee versterken, acht het hof in tegenstelling daarmee de door de verdediging aangevoerde getuigenverklaringen niet betrouwbaar.

Het hof overweegt daarbij dat de ten aanzien van de verdachte afgelegde ontlastende verklaringen omtrent zijn aanwezigheid in Den Haag tijdens de gebeurtenissen van 10 februari 2006, naar het oordeel van het hof kunnen worden gezien als het verlengstuk van de leugenachtige verklaring die de verdachte zelf heeft afgelegd over zijn aanwezigheid in Den Haag en zijn betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten. Het hof zal daarop nader ingaan bij de bewijsoverwegingen.

2. [G4] is ter terechtzitting in hoger beroep specifiek met betrekking tot het afgeven van zowel de telefoon van hemzelf als van de telefoon van de verdachte aan zijn vriendin, gebleven bij zijn eerder bij de politie afgelegde verklaring. Hij heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij – toen hij de verdachte nog een keer zag na 10 februari 2006 – met de verdachte had afgesproken dat ze allebei niet over de telefoons zouden verklaren. De verklaring van [G4] omtrent het afgeven van de telefoons van hemzelf en de verdachte vindt voorts steun in de verklaring van [G6] (proces-verbaal d.d. 7 april 2006, pagina 1735 e.v.). Op grond hiervan acht het hof de verklaring van [G4] betrouwbaar en consistent en daarmee bruikbaar voor het bewijs.

3. Het hof is voorts van oordeel dat, nu de raadsman ter zitting in hoger beroep heeft medegedeeld afstand te doen van het horen van de opgeroepen maar niet verschenen getuige [BP6] en de verdediging door het niet horen van deze getuige derhalve niet in zijn verdediging is geschaad, de door hem afgelegde verklaringen tot bewijs kunnen worden gebezigd, temeer nu deze verklaringen ondersteund worden door andere verklaringen.

Op grond van het vorenstaande verwerpt het hof de verweren van de raadsman.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feiten 3 en 4

Ten aanzien van het bestanddeel openlijkheid

Blijkens de verklaring van slachtoffer [BP2] (proces-verbaal van aangifte d.d. 11 februari 2006, pagina 181

en 182) was het ADO home op vrijdag 10 februari 2006 een voor het publiek toegankelijke plaats. Immers, [BP2] heeft verklaard dat het home iedere vrijdag geopend is, dat alle deuren open staan en iedereen het home kan binnen lopen.

Omtrent de waarneembaarheid van het geweld voor het publiek of iemand in het publiek is voorts het volgende van belang. [BP2] heeft, door zijn aanwezigheid in het home, geweld waargenomen. Voorts heeft getuige [Getuige K] (proces-verbaal d.d. 12 februari 2006, pagina 235 en 236) verklaard dat zij zich op 10 februari 2006 bevond in de nabijheid van het speelveld van het ADO-stadion en dat zij omstreeks 23.30 uur een zeer harde knal hoorde. Nadat zij zich verplaatst had, kreeg zij zicht op het terrein gelegen voor het supportershome en zag voor de ingang van het supportershome een grote groep mannen staan die bijna allen een knuppel, stok of ander lang voorwerp in hun handen vast hielden. Vervolgens zag [Getuige K] dat door

één persoon iets naar binnen werd gegooid en gelijk daarop zag zij dat er een grote hoeveelheid rook uit het supportershome kwam. Uit de verklaringen van [BP2] en [Getuige K] blijkt dat zij het geweld, al dan niet deels, hebben waargenomen.

Op grond van het vorenstaande is naar ’s hofs oordeel voldaan aan het in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht vereiste openlijke karakter van het geweld.

Ten aanzien van de geweldpleging tegen personen en goederen

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het navolgende omtrent de gebeurtenissen op 10 februari 2006 komen vast te staan.

Een weekend voor het gebeuren bij ADO Den Haag op 10 februari 2006 – tijdens de wedstrijd Feijenoord/AJAX - was er al een plan om naar Den Haag te gaan. Via MSN had medeverdachte [medeverdachte A] gehoord dat ze zouden gaan vechten (proces-verbaal van verhoor d.d. 22 februari 2006, pagina 811 e.v.).

Medeverdachte [B] verklaart (proces-verbaal van verhoor d.d. 29 maart 2006, pagina 1403 e.v.) dat zij naar Den Haag zouden gaan voor een confrontatie met supporters van ADO Den Haag en dat hij in het AJAX-honk diverse supporters zag lopen met wapens, waaronder paraplu’s, stokken, bezemstelen en tafelpoten.

Toen de verdachte en zijn medeverdachten bij het stadion van ADO Den Haag waren gearriveerd, is hij met de groep

- die voor een groot deel bewapend was met stokken en andere slagwapens - meegelopen naar het ADO-home.

[B] zag ongeveer 75 % van de groep met iets in zijn handen lopen, een stok of iets dergelijks (verklaring bij de rechter-commissaris d.d. 11 mei 2006).

De verdachte heeft bij de politie verklaard (proces-verbaal van verhoor d.d. 5 april 2006, pagina 1654 e.v.) dat hij op 10 februari 2006 in het AJAX-home was en daar iets had opgevangen over naar Den Haag gaan. Het was hem bekend dat het een ordinaire knokpartij zou worden voor vergelding van de brand in het home (hof: AJAX-home).

Aangever [BP6] heeft naar aanleiding van een fotoconfrontatie verklaard (proces-verbaal van aangifte d.d. 24 april 2006, pagina 1935): “Over B30 kan ik het volgende zeggen. Wij hoorden die avond die bom en korte tijd later sloeg B30 tegen het raam.” Uit een proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 april 2006 (pagina 1969 e.v.) blijkt dat op fotonummer B30 de verdachte staat afgebeeld.

Medeverdachte [G5] heeft verklaard (proces-verbaal van verhoor d.d. 19 maart 2006, pagina 971), geconfronteerd met fotonummer 266 (hof: de verdachte) dat deze persoon in Den Haag was en dat hij als eerste of één van de eersten het home is binnengegaan. In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 maart 2006 (pagina 976) is gerelateerd dat op fotonummer 266 de verdachte staat afgebeeld.

Ook medeverdachte [B] heeft verklaard (proces-verbaal van verhoor d.d. 29 maart 2006, pagina 1408 e.v.) dat hij de persoon afgebeeld op fotonummer 266, herkent als [voornaam verdachte]. [B] zag de verdachte in Den Haag helemaal voorop in de groep lopen en zag ook dat [voornaam verdachte] in het stadion naar het ADO-home rende.

Voorts heeft medeverdachte [G4] bij de politie verklaard (proces-verbaal van verhoor d.d. 6 april 2006, pagina 1612 e.v.) dat zowel hij als de verdachte in het AJAX-home hun mobiele telefoon aan de vriendin van [G4], [G6], hebben gegeven omdat hij bij een eerdere gelegenheid had bemerkt dat de politie aan de hand van printgegevens van een mobiele telefoon wist waar hij op een bepaald moment was geweest.

[G4] heeft zijn vriendin gevraagd met de telefoons te bellen, teneinde het te doen voorkomen dat hij die avond elders dan in Den Haag was geweest en dus niet bij het incident was betrokken.

Gelet op de hiervoor weergegeven verklaringen van [BP6], [G5] en [B] is voor het hof komen vast te staan dat de verdachte – anders dan hij zelf steeds heeft gezegd – wél aanwezig is geweest bij de onderhavige voetbalrellen in Den Haag op 10 februari 2006. Uit de verklaringen van [G4] en zijn vriendin leidt het hof voorts af dat de verdachte zijn aanwezigheid in Den Haag bewust voor de politie verborgen heeft willen houden door zijn mobiele telefoon aan de vriendin van [G4] af te geven. Zijn verklaringen omtrent het feit dat hij op 10 februari 2006 niet in Den Haag is geweest zijn daarmee naar het oordeel van het hof kennelijk leugenachtig.

Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd, concludeert het hof voorts, dat de verdachte een actief aandeel heeft gehad in het openlijk geweld. De verdachte had zelf een slagwapen bij zich (proces-verbaal van aangifte d.d. 11 februari 2006, pagina 189 e.v.) en is samen met de met stokken en andere slagwapens bewapende groep AJAX-supporters, in de voorste gelederen opgetrokken naar het ADO-supportershome en heeft daar tegen een ruit geslagen. De verdachte is naar het oordeel van het hof dichtbij zoal niet binnen in het home geweest, waar volgens de aangevers is geslagen met honkbalknuppels op hoofden en lichamen.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte naar het oordeel van het hof een significante bijdrage geleverd aan het openlijk in vereniging gepleegde geweld tegen personen en tegen goederen in het ADO-home.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 3 primair, tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Ten aanzien van het onder 4 primair bewezenverklaarde:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de bijzondere voorwaarde van reclasseringscontact.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op 10 februari 2006 samen met anderen openlijk geweld gepleegd tegen personen die zich in het supportershome van ADO Den Haag bevonden en tegen goederen in dit home.

De verdachte en zijn mededaders, allen AJAX-supporters, zijn de bewuste avond naar het ADO-home gegaan, alwaar op dat moment slechts een tiental personen nietsvermoedend zat te kaarten of tafeltennis speelde. Na ontploffing van een vuurwerkbom voor de deur van het home is een aantal AJAX-supporters het home binnen gestormd onder het schreeuwen van kreten als “Amsterdam” en “hooligans” en het kapot slaan van ruiten. Het ADO-home was in korte tijd in een enorme chaos veranderd.

Een aantal van de aanwezigen van ADO is afgetuigd met slagvoorwerpen, er zijn rookpotten ontstoken en er is brand gesticht. Enkele anderen hebben zich kunnen opsluiten in een voorraadhok, teneinde aan het geweld van de AJAX-supporters te ontkomen.

Toen zij bemerkten dat er rook onder de deur vandaan kwam, moesten zij die ruimte verlaten met het risico

dat zij alsnog met de agressieve AJAX-supporters zouden worden geconfronteerd. Eén van de slachtoffers is bovendien in zijn arm en zij gestoken.

De zich in het dossier bevindende aangiften geven weer dat de slachtoffers die avond hebben gevreesd voor

hun leven en grote angsten hebben moeten doorstaan. Uit de later ingekomen slachtofferverklaringen komt nog naar voren dat hetgeen hen op 10 februari 2006 is overkomen een enorme impact heeft gehad op hun leven. Zo hebben zij onder meer last (gehad) van angst, slapeloosheid en boosheid na 10 februari 2006.

Voorts is er als gevolg van de vernielingen aanzienlijke materiële schade aangericht in het ADO-home.

Het hof rekent het de verdachte en zijn medeverdachten zeer aan dat zij met zo’n enorme overmacht aan AJAX- supporters naar het ADO-home zijn gegaan en hun gewelddadige actie hebben doorgezet, terwijl er op

dat moment weinig personen in het home aanwezig waren. Het hof acht deze actie dan ook zeer laf en buiten proportie. Dat deze gewelddadige confrontatie niet is geëindigd met dodelijke slachtoffers is niet aan de verdachte of één van zijn medeverdachten te danken, maar aan de snelle reactie van één van de ADO slachtoffers

die de brand is gaan blussen. Ook neemt het hof de verdachte kwalijk dat hij heeft gelogen over zijn betrokkenheid bij de bewezenverklaarde feiten en tevens anderen heeft aangezet tot het afleggen van leugenachtige verklaringen.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 november 2007, is de verdachte eerder veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een - deels voorwaardelijke - gevangenisstraf, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, een passende en geboden reactie vormt. Voorts ziet het hof in de ernst van de feiten aanleiding na te melden stadionverbod op te leggen.

Vordering tot schadevergoeding ADO Den Haag N.V.

In het onderhavige strafproces heeft ADO Den Haag N.V. zich als benadeelde partij gevoegd. Als schriftelijk gemachtigde van de benadeelde partij heeft [gemachtigde BP1] een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 primair tenlastegelegde tot een bedrag van

EUR 307,61.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit

in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het vonnis van de rechtbank.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

De vordering van ADO Den Haag NV is door de bij het Voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij derhalve aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 4 primair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve volledig worden toegewezen.

Vordering tot schadevergoeding [BP2]

Voorts heeft [BP2] zich in het onderhavige strafproces als benadeelde partij gevoegd. Als schriftelijk gemachtigde van de benadeelde partij heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te 's-Gravenhage, een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 primair, tweede cumulatief/alternatief

en 4 primair tenlastegelegde tot een bedrag van

EUR 7.394,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van in totaal EUR 2.000,-, bestaande uit EUR 1.000,- ter zake van immateriële schade, bij wijze van voorschot, alsmede EUR 1.000 ter zake van materiële schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het vonnis van de rechtbank.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

[BP2] maakt in zijn hoedanigheid van beheerder van het ADO-home aanspraak op vergoeding van materiële en immateriële schade. Ten aanzien van de gestelde materiële schade is de vordering onderbouwd met een globaal overzicht van de aan het interieur van het ADO-home toegebrachte schade.

Deze vordering is naar het oordeel van het hof deels eenvoudig van aard, terwijl die vordering rechtstreeks haar grondslag vindt in het onder 4 primair aan verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit.

Uit de stukken van het geding kan voorts worden opgemaakt dat [BP2] beheerder is van het ADO-home alsmede dat door de bestorming van het ADO-home door verdachte en zijn medeverdachten aanzienlijke schade is toegebracht aan het interieur daarvan. [BP2] was ten tijde van de bestorming van het ADO-home in het pand aanwezig en is samen met anderen gevlucht in een kast achter de bar.

Deze kast heeft hij nadien moeten verlaten omdat de

kast vol met rook kwam te staan.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [BP2] psychische schade heeft ondervonden. De gevorderde immateriële schadevergoeding vindt rechtstreeks haar grondslag in het onder 3 primair tweede cumulatief/alternatief aan verdachte tenlastegelegde en bewezen verklaarde feit.

Het hof zal de vordering ter zake van geleden materiële schade toewijzen tot het in hoger beroep gevorderde bedrag van EUR 1.000,-, bij wijze van voorschot, en het gevorderde bedrag van EUR 1.000,- ter zake van immateriële schade.

Vorderingen tot schadevergoeding [BP3],

[BP4], [BP5], [BP6], [BP7],

[BP8], [BP9], [BP10] en [BP11]

Voorts hebben zich in het onderhavige strafproces de hiervoor vermelde negen benadeelde partijen gevoegd.

Als schriftelijk gemachtigde van de benadeelde partijen heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te 's-Gravenhage, vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 primair, tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde. Dit betreffen de hierna genoemde bedragen:

[BP3] EUR 4.195,-

[BP4] EUR 4.910,-

[BP5] EUR 2.850,-

[BP6] EUR 3.000,-

[BP7] EUR 2.575,-

[BP8] EUR 3.214,-

[BP9] EUR 2.819,95

[BP10] EUR 2.500,-

[BP11] EUR 6.500,-

De hierna vermelde benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gesteld. Hun vorderingen zijn aan

de orde tot de onderstaande bedragen:

[BP9] EUR 3.000,-

[BP5] EUR 2.500,-

[BP4] EUR 1.500,-

Voorts heeft [BP11] op het voegingsformulier in hoger beroep geen bedrag aangegeven, daarom gaat het hof ervan uit dat in hoger beroep slechts het in eerste aanleg toegewezen bedrag van EUR 2.000,- aan de orde is.

De vorderingen van de overige benadeelde partijen zijn aan de orde als door de rechtbank toegewezen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, overeenkomstig het vonnis van de rechtbank.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vorderingen van de benadeelde partijen zijn door en namens de verdachte betwist.

De vorderingen in eerste aanleg van [BP4],

[BP5], [BP9] en [BP11] bestaan uit geleden materiële en immateriële schade. De door deze partijen in hoger beroep gevorderde schade is, voor zover het geleden materiële schade betreft, op geen enkele wijze onderbouwd.

Met betrekking tot de door [BP3],

[BP4], [BP5], [BP6], [BP7],

[BP8], [BP9], [BP10] en [BP11] gevorderde immateriële schade is het hof van oordeel dat deze rechtstreeks haar grondslag vindt in het onder

3 primair, tweede cumulatief/alternatief aan de verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit.

Voornoemde benadeelde partijen waren op 10 februari 2006 aanwezig in het ADO-home toen zij plotseling werden opgeschrikt door de bestorming van het ADO-home door verdachte en zijn medeverdachten. Bij deze bestorming zijn [BP4], [BP3], [BP5], [BP8] en [BP9] geslagen met knuppels. [BP11] is door een zestal mannen omringd en met knuppels en/of stokken geslagen en is daarnaast nog in zijn arm en rechterzij gestoken. Als gevolg van de hierdoor opgelopen verwondingen moest hij naar het ziekenhuis worden afgevoerd. [BP6], [BP7] en [BP10] hebben hun toevlucht gezocht in een voorraadhok in het ADO-home, waar zij doodsangsten hebben uitgestaan en als gevolg daarvan zijn zij niet geslagen.

Nu naar het oordeel van het hof gelet op het vorenstaande aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden, dat deze schade rechtstreeks verband houdt met het onder 3 primair, tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde feit en dat derhalve de vorderingen

van de benadeelde partijen ter zake van de geleden immateriële schade zich lenen voor gedeeltelijke toewijzing, zal het hof naar maatstaven van billijkheid de volgende bedragen toekennen:

De vorderingen van [BP6], [BP7] en

[BP10] zullen worden toegewezen tot een bedrag van

EUR 1.000,- per persoon aan immateriële schade.

De vorderingen van [BP3], [BP4],

[BP5], [BP8] en [BP9] zullen worden toegewezen tot een bedrag van EUR 1.500,- per persoon aan immateriële schade nu zij – anders dan de hiervoor vermelde drie benadeelde partijen – ook met knuppels zijn geslagen.

De vordering van [BP11] zal worden toegewezen tot een bedrag van EUR 2.000,-, omdat hij door meerdere mensen is omringd en daarbij met knuppels en stokken is geslagen.

Voor het overige acht het hof de vorderingen van de benadeelde partijen niet van zo eenvoudige aard dat

zij zich lenen voor behandeling in het onderhavige strafproces en zullen in zoverre daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Kostenveroordeling

Het vorenstaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die alle voornoemde benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband

met hun vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Voor zover de vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen, geschiedt dit hoofdelijk.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder

3 primair, tweede cumulatief/alternatief en 4 primair bewezenverklaarde feiten is toegebracht, zal het hof

aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 307,61 ten behoeve

van het slachtoffer ADO Den Haag N.V., een bedrag van

EUR 1.000,- per persoon ten behoeve van de slachtoffers [BP6], [BP7] en [BP10], een bedrag van

EUR 1.500,- per persoon ten behoeve van de slachtoffers

[BP3], [BP4], [BP5], [BP8]

en [BP9], en een bedrag van EUR 2.000,- per persoon ten behoeve van de slachtoffers [BP11] en

[BP2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van het onder 3 subsidiair tenlastegelegde waar het betreft de zinsnede in de derde alinea “misdrijf/misdrijven, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld”.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 primair eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 3 primair tweede cumulatief/alternatief en 4 primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor

de duur van

15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat een op 5 (vijf) maanden bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd bij alle officiële wedstrijden van AJAX niet binnen een straal van twee kilometer van het speelveld of het stadion mag komen gedurende een periode van twee uur vóór de wedstrijd tot twee uur na de wedstrijd.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ADO Den Haag N.V. tot het gevorderde bedrag van

EUR 307,61 (driehonderdenzeveneuro en éénenzestig eurocent)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij

ADO Den Haag N.V. met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, ADO Den Haag N.V., van een bedrag van

EUR 307,61 (driehonderdenzeveneuro en éénenzestig eurocent),

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 6 (zes) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer ADO Den Haag N.V. komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [BP2] tot het gevorderde bedrag van

EUR 2.000,- (tweeduizend euro),

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voorzover de vordering tot schadevergoeding is toegewezen terzake van door de benadeelde partij geleden materiële schade, dit bedrag wordt toegewezen bij wijze van voorschot.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling

van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [BP2] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [BP2], van een bedrag van

EUR 2.000,- (tweeduizend euro),

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [BP2] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [BP6] tot het gevorderde bedrag van

EUR 1.000,- (duizend euro),

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling

van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [BP6] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [BP6], van een bedrag van

EUR 1.000,- (duizend euro),

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [BP6] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [BP7] tot het gevorderde bedrag van

EUR 1.000,- (duizend euro),

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling van

de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [BP7] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer,

[BP7], van een bedrag van

EUR 1.000,- (duizend euro)

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [BP7] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [BP10] tot het gevorderde bedrag van

EUR 1.000,- (duizend euro),

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling van

de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [BP10] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [BP10], van een bedrag van

EUR 1.000,- (duizend euro)

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [BP10] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [BP3] tot het gevorderde bedrag van

EUR 1.500,- (duizendenvijfhonderd euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling

van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij

[BP3] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer,

[BP3], van een bedrag van

EUR 1.500,- (duizendenvijfhonderd euro)

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [BP3] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [BP4] tot het gevorderde bedrag van

EUR 1.500,- (duizendenvijfhonderd euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling van

de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij

[BP4] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [BP4], van een bedrag van

EUR 1.500,- (duizendenvijfhonderd euro)

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [BP4] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [BP5] tot een bedrag van

EUR 1.500,- (duizendenvijfhonderd euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat de benadeelde partij deze in zoverre bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling van

de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [BP5] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer,

[BP5], van een bedrag van

EUR 1.500,- (duizendenvijfhonderd euro),

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen, met

dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [BP5] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [BP8] tot het gevorderde bedrag van

EUR 1.500,- (duizendenvijfhonderd euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling van

de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij

[BP8] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer,

[BP8], van een bedrag van

EUR 1.500,- (duizendenvijfhonderd euro),

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen, met

dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [BP8] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [BP9] tot een bedrag van

EUR 1.500,- (duizendenvijfhonderd euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat de benadeelde partij deze in zoverre bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling

van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [BP9] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [BP9], van een bedrag van

EUR 1.500,- (duizendenvijfhonderd euro)

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen, met

dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [BP9] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan

zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [BP11] tot het gevorderde bedrag van

EUR 2.000,- (tweeduizend euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling

van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [BP11] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [BP11], van een bedrag van

EUR 2.000,- (tweeduizend euro),

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [BP11] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Dit arrest is gewezen door mr. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, mr. J.M. Reinking en mr. R.C.A. Duindam,

in bijzijn van de griffiers mr. C.E. Koppelaars en mr. C.J.A. Sabatier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 februari 2008.