Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC3872

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-02-2008
Datum publicatie
08-02-2008
Zaaknummer
2200454506
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BH8882, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BH8882
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Openlijk geweld door Ajax-supporters in het supportershome van ADO Den Haag. De verdachte heeft daarbij een vuurwerkbom gegooid. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan twee jaar voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde een stadionverbod. Vrijspraak deelname aan criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004545-06

Parketnummer: 09-757223-06

Datum uitspraak: 8 februari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 6 juli 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek

op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 5 oktober 2007, 9 januari 2008 en 25 januari 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de dagvaarding deels nietig verklaard ten aanzien van de onder 2 subsidiair tenlastegelegde voorbereidingshandelingen voor doodslag en het onder 3 subsidiair tenlastegelegde waar het betreft de in de derde alinea vermelde zinsnede “misdrijf/misdrijven, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenis-straf van acht jaren of meer is gesteld”.

Voorts is de verdachte van het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair, 2 subsidiair en 5 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 3 primair eerste cumulatief/alternatief, 3 primair tweede cumulatief/alternatief en 4 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden als vermeld in het vonnis waarvan beroep, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als weergegeven in het vonnis waarvan beroep en zijn schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Nietigheid van de dagvaarding

Het hof is van oordeel dat de dagvaarding onder 2 subsidiair, waar het betreft het treffen van voorbereidingshandelingen voor doodslag, innerlijk tegenstrijdig is. Derhalve voldoet de dagvaarding ten aanzien hiervan niet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Voorts voldoet het onder 3 subsidiair tenlastegelegde, waar het betreft het treffen van voorbereidingshandelingen voor het plegen van “misdrijf/misdrijven, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld”, zoals vermeld in de derde alinea, niet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

Naar het oordeel van het hof is onduidelijk op welk misdrijf/welke misdrijven precies wordt gedoeld in die derde alinea omdat daar geen verdere omschrijving van wordt gegeven.

Het hof zal de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde, waar het betreft het treffen van voorbereidingshandelingen voor doodslag, en ten aanzien van genoemde zinsnede in het onder 3 subsidiair tenlastegelegde derhalve nietig verklaren.

Vrijspraak

Overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de onder 5 tenlastegelegde deelname aan een criminele organisatie overweegt het hof het navolgende.

Het begrip organisatie als bedoeld in artikel 140 Wetboek van Strafrecht wordt blijkens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (Hoge Raad NJ 1991/442) omschreven als iedere samenwerking van feitelijke aard tussen twee of meer personen, met een zekere structuur en een zekere duurzaamheid. Het samenwerkingsverband moet een gemeenschappelijk doel hebben en haar deelnemers moeten in dat samenwerkingsverband actief zijn ter verwezenlijking van dat doel. Van een criminele organisatie is eerst sprake wanneer de doelstelling van de organisatie (mede) is het plegen van strafbare feiten. Bovendien moeten betrokkenen weten dat de organisatie het oogmerk heeft op het plegen van misdrijven.

Uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is omtrent de georganiseerdheid van de gebeurtenissen van 10 februari 2006 onder meer het volgende naar voren gekomen.

Verschillende medeverdachten hebben verklaard dat in de week voorafgaande aan 10 februari 2006 al is gesproken over "naar Den Haag" gaan. Voor velen was duidelijk dat het ging om een mogelijk gewelddadige confrontatie met ADO-supporters. Uit het dossier komt verder evenwel niet precies naar voren welke personen daarover met elkaar hebben gesproken. Een aantal verdachten heeft verklaard dat zij per sms-berichten zijn opgeroepen om op genoemde datum naar het AJAX-home te komen.

Op de bewuste avond werden routebeschrijvingen naar het ADO-stadion uitgedeeld en voorts werden poten van tafels en stoelen gesloopt. Op een gegeven moment werd er geroepen "we gaan" en een grote groep heeft vervolgens het pand verlaten. Door de vertrekkende AJAX-supporters werden stokken, tafelpoten, houten trapleuningen en knuppels meegenomen naar Den Haag. De medeverdachten [A] en [B] stonden buiten op het parkeerterrein en wezen anderen de auto’s, waarin zij naar Den Haag konden meerijden.

Door medeverdachte [B] is gebeld naar medeverdachte [C] – die reeds in Den Haag was - om te informeren of het rustig was. Na aankomst op de Moerweg in Den Haag is de groep van ongeveer 70 personen op georganiseerde wijze uit de auto's gestapt en opgelopen naar het ADO-home, waarbij is geroepen dat men bij elkaar moest blijven en waarna de hierna te noemen bewezenverklaarde feiten zich hebben voltrokken.

Naar het oordeel van het hof is op grond van het vorenstaande op zichzelf genoegzaam gebleken dat de actie van AJAX-supporters om op 10 februari 2006 naar het stadion van ADO Den Haag te gaan teneinde daar te gaan vechten met ADO-supporters, in zekere mate een georganiseerd karakter had.

Het hof acht evenwel louter op grond van bovengenoemde omstandigheden niet bewezen dat de bewezenverklaarde misdrijven uitvloeisel zijn geweest van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband dat

het plegen van misdrijven tot oogmerk had.

Ter onderbouwing van het bestaan van een criminele organisatie heeft de advocaat-generaal in haar requisitoir op dit punt in vrij algemeen gekozen bewoordingen onder meer gewezen op het via MSN en sms afspraken maken over het gebeuren van 10 februari 2006, het achterlaten en/of uitzetten van mobiele telefoons, het uitdelen van routebeschrijvingen en het schonen

van een website achteraf.

Het hof is evenwel van oordeel dat deze afspraken, die merendeels betrekking hebben op de actie van 10 februari 2006, op zichzelf onvoldoende zijn om het bestaan van een criminele organisatie te kunnen aannemen. Het organiseren van een voetbalrel is naar het oordeel van het hof van een andere graad van georganiseerdheid en complexiteit en derhalve niet te vergelijken met een georganiseerd drugstransport, zoals aan de orde in het arrest van de Hoge Raad van 15 mei 2007 (LJN BA7696), waarop de advocaat-generaal zich beroept.

De vermelding in het dossier dat sommige verdachten bovendien eerder zouden zijn aangehouden in verband

met supportersgeweld, is naar het oordeel van het hof eveneens onvoldoende voor het bestaan van een organisatie als hiervoor bedoeld, omdat het dossier geen duidelijkheid verschaft omtrent de wijze van organisatie van dat eerdere geweld, noch over de wijze waarop die eerder aangehouden verdachten bij dat geweld betrokken zouden zijn. Ook het feit dat eerder een reis naar Londen is georganiseerd, waaraan een deel van de verdachten in deze zaak heeft deelgenomen, maakt het voorgaande niet anders. Uit het dossier blijkt niet, althans onvoldoende dat bij die gelegenheid sprake is geweest van supportersgeweld of de intentie daartoe.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit het dossier grotendeels van aannames en vermoedens voor het bestaan van een criminele organisatie, welke evenwel niet voldoende feitelijk geconcretiseerd zijn. De rol van de afzonderlijke verdachten in deze organisatie en hun onderlinge samenwerking in een zeker duurzaam verband wordt feitelijk evenmin voldoende concreet – naar plaats, tijd, handeling en persoon – onderbouwd in dit dossier. Het enkele feit dat verbalisant [R] in zijn proces-verbaal stelt dat de verdachte de leider is van deze criminele organisatie, maakt dit vanzelfsprekend niet anders. De door het openbaar ministerie in de appelmemorie en ter terechtzitting in hoger beroep verstrekte toelichting bij de in eerste en tweede aanleg gepresenteerde bewijsmiddelen voor de criminele organisatie kan niet afdoen aan het oordeel van het hof dat in dit geval onvoldoende is gebleken van een organisatie, waarin de deelnemers niet ieder voor zich, maar in een zekere duurzame onderlinge samenwerking deelnemen.

Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 5 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het 3 primair eerste cumulatief/alternatief,

3 primair tweede cumulatief/alternatief en 4 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Beslissing ten aanzien van gevoerde verweren

De raadsman heeft namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 9 januari 2008 de navolgende uitdrukkelijk onderbouwde standpunten gevoerd.

- Standpunt 1: de processen-verbaal inhoudende de verklaringen van de getuigen [G1], [G2], [G3] en [G4] mogen niet door het hof als bewijs worden gebruikt, nu het hof zich geen oordeel heeft kunnen vormen ten aanzien van de betrouwbaarheid van deze getuigen. Met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 1 februari 1994 stelt de raadsman zich op het standpunt dat de beginselen van een behoorlijke procesorde in onderhavig geval met zich meebrengen dat het openbaar ministerie de genoemde getuigen ter terechtzitting had moeten oproepen dan wel dat het hof zodanige oproeping ambtshalve had moeten bevelen.

- Standpunt 2: de verklaringen van [G1], [G2], [G3] en [G4] zijn onbetrouwbaar en mogen om die

reden niet als bewijs worden gebruikt. Voorts heeft de raadsman betoogd dat de gehanteerde foto-confrontatie in strijd is met zowel het Besluit Toepassing Maatregelen als de richtlijnen die aan een zogenaamde foslo-confrontatie verbonden zijn.

Concluderend stelt de raadsman dat bovengenoemde belastende verklaringen onbetrouwbaar zijn en niet als bewijs mogen worden gebruikt, gelet op het feit dat deze grotendeels bij de rechter-commissaris zijn ingetrokken of gewijzigd en het feit dat de politie op een ontoelaatbare sturende wijze foto-confrontaties heeft uitgevoerd en medeverdachten heeft verhoord.

- Standpunt 3: voor zover voldoende wettig bewijs aanwezig is, mist dit bewijs de overtuigingskracht om tot een bewezenverklaring te komen. De verdachte heeft immers een alibi dat wordt bevestigd door diverse consistente getuigenverklaringen en tapgesprekken.

Het hof overweegt ten aanzien van deze standpunten het volgende.

Standpunt 1 en 2

De medeverdachte [G3] is in alle ADAX-zaken op 10 mei 2006 onder ede door de rechter-commissaris gehoord. Aldaar is hij niet teruggekomen op zijn tegenover de politie afgelegde belastende verklaringen ten aanzien van de verdachte. Het hof acht de verklaringen van [G2], [G1] en [G4] betrouwbaar, nu deze steun vinden in de verklaringen van [G3] en deze bovendien onderling consistent zijn waar zij de verdachte aanwijzen als degene die de bom heeft gegooid. Naar ’s hofs oordeel kunnen de door [G2], [G1] en [G4] afgelegde verklaringen daarom als bewijsmiddel worden gebezigd.

Daarbij overweegt het hof voorts nog dat, nu deze personen niet door het openbaar ministerie zijn opgeroepen en hun oproeping ambtshalve ook niet door het hof is bevolen, het desgewenst op de weg van de verdediging had gelegen te verzoeken deze getuigen ter terechtzitting in hoger beroep als getuigen te doen horen, temeer nu hun verklaringen door de rechtbank als bewijsmiddel zijn gebezigd.

Ten aanzien van de fotoconfrontatie

Uit het dossier is gebleken dat aan medeverdachten niet alleen de foto van de verdachte is getoond, maar tevens de foto’s van andere verdachten van wie betrokkenheid bij voetbalgeweld werd vermoed.

Het door de raadsman gelaakte feit dat aan de getuigen foto’s zijn getoond van personen die in het verleden betrokken waren bij voetbalgerelateerd geweld, levert naar ’s hofs oordeel geen strijd op met het Besluit Toepassing Maatregelen, noch met de richtlijnen die aan een zogenaamde foslo-confrontatie verbonden zijn.

De fotoconfrontaties zijn slechts bestemd ter identificatie van de daders in het kader van het onder leiding van de officier van justitie verrichte opsporingsonderzoek naar de onderhavige strafbare feiten.

Het hof overweegt voorts dat hetgeen de raadsman ten aanzien van de fotoconfrontatie en de wijze van verhoren door de politie – wat daar ook van zij - heeft aangevoerd, geen aanleiding geeft om tot een ander oordeel te komen, nu ook overigens niet is gebleken dat tijdens de verhoren door de politie ontoelaatbaar sturend is opgetreden en ook niet van andere onregelmatigheden is gebleken.

Standpunt 3

Gelet op de door het hof gebezigde bewijsmiddelen acht het hof de door de verdediging aangevoerde ontlastende getuigenverklaringen niet betrouwbaar. Voorts ziet het hof in de inhoud van de tapgesprekken geen aanwijzing dat de verdachte niet in Den Haag is geweest op 10 februari 2006.

Op grond van het vorenstaande verwerpt het hof de verweren van de raadsman.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feiten 3 en 4

Ten aanzien van het bestanddeel openlijkheid

Blijkens de verklaring van slachtoffer [BP2] (proces-verbaal van aangifte d.d. 11 februari 2006, pagina 181 en 182) was het ADO home op vrijdag 10 februari 2006 een voor het publiek toegankelijke plaats. Immers, [BP2] heeft verklaard dat het home iedere vrijdag geopend is, dat alle deuren open staan en iedereen het home kan binnen lopen.

Omtrent de waarneembaarheid van het geweld voor het publiek of iemand in het publiek is voorts het volgende van belang. [BP2] heeft, door zijn aanwezigheid in het home, geweld waargenomen.

Voorts heeft getuige [getuige K] (proces-verbaal d.d. 12 februari 2006, pagina 235 en 236) verklaard dat zij zich op 10 februari 2006 bevond in de nabijheid van het speelveld van het ADO-stadion en dat zij omstreeks 23.30 uur een zeer harde knal hoorde. Nadat zij zich verplaatst had, kreeg zij zicht op het terrein gelegen voor het supportershome en zag voor de ingang van het supportershome een grote groep mannen staan die bijna allen een knuppel, stok of ander lang voorwerp in hun handen vast hielden. Vervolgens zag [getuige K] dat door één persoon iets naar binnen werd gegooid en gelijk daarop zag zij dat er een grote hoeveelheid rook uit het supportershome kwam. Uit de verklaringen van [BP2] en [getuige K] blijkt dat zij het geweld, al dan niet deels, hebben waargenomen.

Op grond van het vorenstaande is naar ’s hofs oordeel voldaan aan het in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht vereiste openlijke karakter van het geweld.

Ten aanzien van medeplegen poging zware mishandeling en openlijk geweld

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘opzettelijk’ in artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht dient minimaal vast te staan dat er sprake is van voorwaardelijk opzet, namelijk dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat ADO-supporters als gevolg van het gebruik van de wapens door personen in de groep waartoe de verdachte behoorde zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen.

De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht.

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het navolgende omtrent de gebeurtenissen op 10 februari 2006 komen vast te staan.

Een weekend voor het gebeuren bij ADO Den Haag op 10 februari 2006 – tijdens de wedstrijd Feijenoord/AJAX - was er al een plan om naar Den Haag te gaan. Via MSN had medeverdachte [G2] gehoord dat ze zouden gaan vechten (proces-verbaal van verhoor d.d. 22 februari 2006, pagina 811 e.v.).

Medeverdachte [D] verklaart (proces-verbaal van verhoor d.d. 29 maart 2006, pagina 1403 e.v.) dat zij naar Den Haag zouden gaan voor een confrontatie met supporters van ADO Den Haag en dat hij in het AJAX-honk diverse supporters zag lopen met wapens, waaronder paraplu’s, stokken, bezemstelen en tafelpoten. Bij de auto’s werden zij toegewezen om in bepaalde auto’s te stappen, dit werd onder meer gedaan door medeverdachten [A] en [B]. Op een gegeven

moment gingen zij rijden volgens de mee gegeven route-beschrijving richting Den Haag.

[D] zag tijdens het lopen in de richting van het ADO-home ongeveer 75 % van de groep met iets in zijn handen lopen, een stok of iets dergelijks (verklaring bij de rechter-commissaris d.d. 11 mei 2006).

Medeverdachte [G4] zegt (verklaring bij de rechter-commissaris d.d. 9 mei 2006) dat ze het stadion in liepen en door het tweede hek gingen, alwaar het ADO-home is. [G4] verklaart bij de politie (proces-verbaal d.d. 27 maart 2006, pagina 1397 e.v.) dat medeverdachte [A] zich midden in de groep bevond die vooraan stond en dat hij vlak naast [roepnaam verdachte] stond (hof: de verdachte). [G4] zag de verdachte de bom gooien en zag hem als eerste het ADO-home binnen gaan.

Medeverdachte [G3] (proces-verbaal van verhoor d.d. 28 maart 2006, pagina 1387) heeft gezien dat de verdachte een soort strijkerachtig ding afstak en deze met een zwaaiende beweging van zich afgooide. Bij de rechter-commissaris (verklaring d.d. 10 mei 2006) heeft [G3] deze verklaring bevestigd.

Medeverdachte [G1] heeft bij de politie verklaard (proces-verbaal van verhoor d.d. 29 maart 2006, pagina 1365 e.v.) dat hij bij het hek, vlak voor het ADO-home stond, dat de afstand tussen het hek en de deur van het home 10 tot 15 meter was en dat hij goed zicht had op de deur. [G1] zag dat een op dat moment onbekende man een bom in zijn hand had en een gooiende beweging maakte met zijn hand in de richting van de deur van het home. Later heeft hij bij een fotoconfrontatie de verdachte aangewezen als de bommengooier. [G1] zegt dat hij de verdachte goed kon herkennen, omdat deze zowat de

enige was zonder gezichtsbescherming.

[G1] stond tussen de twee hekken en de verdachte stond voorbij het hek, op zo’n 5 meter van [G1]. Hij zag dat de verdachte, na het gooien van de bom, als eerste richting de deur van het home liep.

Voorts heeft medeverdachte [G2] verklaard (proces-verbaal van verhoor d.d. 27 maart 2006, pagina 1380 e.v.) dat hij de verdachte in een auto heeft gezien toen hij wegging na het incident bij ADO in Den Haag. Hij zag

de verdachte uit een auto stappen en vervolgens aan de passagierszijde van een andere auto instappen. [G2] herkende de verdachte duidelijk.

Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd, concludeert

het hof dat de verdachte een vuurwerkbom bij zich had, dat hij met een groep bewapende AJAX-supporters is opgetrokken naar het ADO-home en dichtbij zoal niet binnen in het home is geweest, waar volgens de aangevers is geslagen met honkbalknuppels op hoofden en lichamen. De verdachte heeft zelf een vuurwerkbom gegooid.

Door aldus te handelen heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat er personen zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen.

Mede gelet op het feit dat de verdachte de vuurwerkbom heeft gegooid, is het hof van oordeel dat het aandeel van de verdachte in zowel de samenwerking als de uitvoering zodanig is geweest dat sprake is geweest van medeplegen van poging tot zware mishandeling en van deelname aan het openlijk geweld.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 3 primair, eerste cumulatief/alternatief en 3 primair, tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde:

De eendaadse samenloop van:

Medeplegen van poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd

en: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Ten aanzien van het onder 4 primair bewezenverklaarde:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.

Nu sprake is van eendaadse samenloop bij het onder 3 primair eerste cumulatief/alternatief en 3 primair tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde zal het hof bij deze feiten slechts de bepaling van artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht toepassen, omdat daarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte

is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de

verdachte terzake van het onder 3 primair eerste cumulatief/alternatief, 3 primair tweede cumulatief/alternatief, 4 primair en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte zal worden opgelegd de bijzondere voorwaarde dat hij gedurende de proeftijd bij alle officiële wedstrijden van AJAX niet binnen een straal van twee kilometer van het speelveld of het stadion mag komen gedurende een periode van twee uur vóór de wedstrijd tot twee uur na de wedstrijd.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op 10 februari 2006 samen met anderen openlijk geweld gepleegd tegen personen die zich in het supportershome van ADO Den Haag bevonden en tegen goederen in dit home en heeft zich samen met die anderen schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van ADO-supporters.

De verdachte en zijn mededaders, allen AJAX-supporters, zijn de bewuste avond naar het ADO-home gegaan, alwaar op dat moment slechts een tiental personen nietsvermoedend zat te kaarten of tafeltennis speelde. Na ontploffing van een vuurwerkbom voor de deur van het home is een aantal AJAX-supporters het home binnen gestormd onder het schreeuwen van kreten als “Amsterdam” en “hooligans” en het kapot slaan van ruiten. Het ADO-home was in korte tijd in een enorme chaos veranderd.

Een aantal van de aanwezigen van ADO is afgetuigd met slagvoorwerpen, er zijn rookpotten ontstoken en er is brand gesticht. Enige anderen hebben zich kunnen opsluiten in een voorraadhok, teneinde aan het geweld van de AJAX-supporters te ontkomen. Toen zij bemerkten dat er rook onder de deur vandaan kwam, moesten zij die ruimte verlaten met het risico dat zij alsnog met de agressieve AJAX-supporters zouden worden geconfronteerd. Eén van de slachtoffers is bovendien in zijn arm en zij gestoken.

De zich in het dossier bevindende aangiften geven weer dat de slachtoffers die avond hebben gevreesd voor hun leven en grote angsten hebben moeten doorstaan. Uit de later ingekomen slachtofferverklaringen komt nog naar voren dat hetgeen hen op 10 februari 2006 is overkomen een enorme impact heeft gehad op hun leven. Zo hebben zij onder meer last (gehad) van angst, slapeloosheid en boosheid na 10 februari 2006.

Voorts is er als gevolg van de vernielingen aanzienlijke materiële schade aangericht in het ADO-home.

Het hof rekent het de verdachte en zijn medeverdachten zeer aan dat zij met zo’n enorme overmacht aan AJAX supporters naar het ADO-home zijn gegaan en hun gewelddadige actie hebben voortgezet, terwijl er op dat moment weinig personen in het home aanwezig waren. Het hof acht deze actie dan ook zeer laf en buiten proportie.

Dat deze gewelddadige confrontatie niet is geëindigd met dodelijke slachtoffers is niet aan de verdachte of één van zijn medeverdachten te danken, maar aan de snelle reactie van één van de ADO slachtoffers die de brand is gaan blussen.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 januari 2008, is de verdachte meermalen veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, onder meer wegens geweldsdelicten. Dat heeft

hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Naar het oordeel van het hof komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in de door de eerste rechter opgelegde straf.

Deze buitengewoon laffe actie en de grote impact op de maatschappij die dit voetbalgeweld met zich meebrengt, kunnen niet getolereerd worden en dienen ook vanuit het oogpunt van generale preventie zwaar te worden bestraft.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij een actieve rol heeft gespeeld bij de gebeurtenissen van

10 februari 2006. Hij heeft een vuurwerkbom meegenomen en heeft deze in de richting van de deur van het ADO-home gegooid, met alle gevaar van dien. Ook neemt het hof de verdachte kwalijk dat hij heeft gelogen over zijn betrokkenheid bij de bewezenverklaarde feiten en tevens anderen heeft aangezet tot het afleggen van leugenachtige verklaringen.

Op grond van het vorenoverwogene komt het hof tot het opleggen van navermelde zwaardere straf.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf waarvan een groot deel voorwaardelijk als stok achter de deur, een passende en geboden reactie vormt. Voorts ziet het hof in de ernst van de feiten aanleiding na te melden stadionverbod op te leggen.

Vordering tot schadevergoeding ADO Den Haag N.V.

In het onderhavige strafproces heeft ADO Den Haag N.V. zich als benadeelde partij gevoegd. Als schriftelijk gemachtigde van de benadeelde partij heeft [gemachtigde BP1] een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 primair tenlastegelegde tot een bedrag van

EUR 307,61.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit

in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het vonnis van de rechtbank.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

De vordering van ADO Den Haag NV is door de bij het Voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij derhalve aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 4 primair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve volledig worden toegewezen.

Vordering tot schadevergoeding [BP2]

Voorts heeft [BP2] zich in het onderhavige strafproces als benadeelde partij gevoegd. Als schriftelijk gemachtigde van de benadeelde partij heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te 's-Gravenhage, een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 primair, tweede cumulatief/alternatief

en 4 primair tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 7.394,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van in totaal EUR 2.000,-, bestaande uit EUR 1.000,- ter zake van immateriële schade, bij wijze van voorschot, alsmede EUR 1.000 ter zake van materiële schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het vonnis van de rechtbank.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

[BP2] maakt in zijn hoedanigheid van beheerder van het ADO-home aanspraak op vergoeding van materiële en immateriële schade. Ten aanzien van de gestelde materiële schade is de vordering onderbouwd met een globaal overzicht van de aan het interieur van het ADO-home toegebrachte schade.

Deze vordering is naar het oordeel van het hof deels eenvoudig van aard, terwijl die vordering rechtstreeks haar grondslag vindt in het onder 4 primair aan verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit.

Uit de stukken van het geding kan voorts worden opgemaakt dat [BP2] beheerder is van het ADO-home alsmede dat door de bestorming van het ADO-home door verdachte en zijn medeverdachten aanzienlijke schade is toegebracht aan het interieur daarvan. [BP2] was ten tijde van de bestorming van het ADO-home in het pand aanwezig en is samen met anderen gevlucht in een kast achter de bar.

Deze kast heeft hij nadien moeten verlaten omdat de

kast vol met rook kwam te staan. Gelet hierop is het

hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [BP2] psychische schade heeft ondervonden. De gevorderde immateriële schadevergoeding vindt rechtstreeks haar grondslag in het onder 3 primair tweede cumulatief/alternatief aan verdachte tenlastegelegde

en bewezen verklaarde feit.

Het hof zal de vordering ter zake van geleden materiële schade toewijzen tot het in hoger beroep gevorderde bedrag van EUR 1.000,-, bij wijze van voorschot, en het gevorderde bedrag van EUR 1.000,- ter zake van immateriële schade.

Vorderingen tot schadevergoeding [BP3],

[BP4], [BP5], [BP6], [BP7],

[BP8], [BP8], [BP9] en [BP10]

Voorts hebben zich in het onderhavige strafproces de hiervoor vermelde negen benadeelde partijen gevoegd.

Als schriftelijk gemachtigde van de benadeelde partijen heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te 's-Gravenhage, vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 primair, tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde. Dit betreffen de hierna genoemde bedragen:

[BP3] EUR 4.195,-

[BP4] EUR 4.910,-

[BP5] EUR 2.850,-

[BP6] EUR 3.000,-

[BP7] EUR 2.575,-

[BP8] EUR 3.214,-

[BP8] EUR 2.819,95

[BP9] EUR 2.500,-

[BP10] EUR 6.500,-

De hierna vermelde benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gesteld. Hun vorderingen zijn aan

de orde tot de onderstaande bedragen:

[BP8] EUR 3.000,-

[BP5] EUR 2.500,-

[BP4] EUR 1.500,-

Voorts heeft [BP10] op het voegingsformulier in hoger beroep geen bedrag aangegeven, daarom gaat het hof ervan uit dat in hoger beroep slechts het in eerste aanleg toegewezen bedrag van EUR 2.000,- aan de orde is.

De vorderingen van de overige benadeelde partijen zijn aan de orde als door de rechtbank toegewezen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, overeenkomstig het vonnis van de rechtbank. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vorderingen van de benadeelde partijen zijn door en namens de verdachte betwist.

De vorderingen in eerste aanleg van [BP4],

[BP5], [BP8] en [BP10] bestaan uit geleden materiële en immateriële schade. De door deze partijen

in hoger beroep gevorderde schade is, voor zover het geleden materiële schade betreft, op geen enkele wijze onderbouwd.

Met betrekking tot de door [BP3], [BP4], [BP5], [BP6], [BP7], [BP8], [BP8], [BP9] en [BP10] gevorderde immateriële schade is het hof van oordeel dat deze rechtstreeks haar grondslag vindt in het onder 3 primair tweede cumulatief/alternatief aan de verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit.

Voornoemde benadeelde partijen waren op 10 februari 2006 aanwezig in het ADO-home toen zij plotseling werden opgeschrikt door de bestorming van het ADO-home door verdachte en zijn medeverdachten. Bij deze bestorming zijn [BP4], [BP3], [BP5], [BP8] en [BP8] geslagen met knuppels. [BP10] is door een zestal mannen omringd en met knuppels en/of stokken geslagen en is daarnaast nog in zijn arm en rechterzij gestoken. Als gevolg van de hierdoor opgelopen verwondingen moest hij naar het ziekenhuis worden afgevoerd. [BP6], [BP7] en [BP9] hebben hun toevlucht gezocht in een voorraadhok in het ADO-home, waar zij doodsangsten hebben uitgestaan, en als gevolg daarvan zijn zij niet geslagen.

Nu naar het oordeel van het hof gelet op het vorenstaande aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden, dat deze schade rechtstreeks verband houdt met het onder 3 primair, tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde feit en dat derhalve de vorderingen van de benadeelde partijen ter zake van de geleden immateriële schade zich lenen voor gedeeltelijke toewijzing, zal het hof naar maatstaven van billijkheid de volgende bedragen toekennen:

De vorderingen van [BP6], [BP7] en [BP9] zullen worden toegewezen tot een bedrag van EUR 1.000,- per persoon aan immateriële schade.

De vorderingen van [BP3], [BP4], [BP5], [BP8] en [BP8] zullen worden toegewezen tot een bedrag van EUR 1.500,- per persoon aan immateriële schade nu zij – anders dan de hiervoor vermelde drie benadeelde partijen – ook met knuppels zijn geslagen.

De vordering van [BP10] zal worden toegewezen tot een bedrag van EUR 2.000,-, omdat hij door meerdere mensen is omringd en daarbij met knuppels en stokken is geslagen.

Voor het overige acht het hof de vorderingen van de benadeelde partijen niet van zo eenvoudige aard dat

zij zich lenen voor behandeling in het onderhavige strafproces en zullen in zoverre daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Kostenveroordeling

Het vorenstaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die alle voornoemde benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband

met hun vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Voor zover de vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen, geschiedt dit hoofdelijk.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder

3 primair, tweede cumulatief/alternatief en 4 primair bewezenverklaarde feiten is toegebracht, zal het hof

aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 307,61 ten behoeve

van het slachtoffer ADO Den Haag N.V., een bedrag van EUR 1.000,- per persoon ten behoeve van de slachtoffers [BP6], [BP7] en [BP9], een bedrag van EUR 1.500,- per persoon ten behoeve van de slachtoffers [BP3], [BP4], [BP5], [BP8] en [BP8], en een bedrag van EUR 2.000,- per persoon ten behoeve van de slachtoffers [BP10] en [BP2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c,

36f, 45, 47, 55, 57, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van de onder 2 subsidiair tenlastegelegde voorbereidingshandelingen voor doodslag en het onder 3 subsidiair tenlastegelegde waar het betreft de zinsnede in de derde alinea “misdrijf/misdrijven, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of

meer is gesteld”.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair, 2 subsidiair en 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 3 primair eerste cumulatief/alternatief, 3 primair tweede cumulatief/alternatief en 4 primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders

is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat een op 2 (twee) jaren bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd bij alle officiële wedstrijden van AJAX niet binnen een straal van twee kilometer van het speelveld of het stadion mag komen gedurende een periode van twee uur vóór de wedstrijd tot twee uur na de wedstrijd.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ADO Den Haag N.V. tot het gevorderde bedrag van

EUR 307,61 (driehonderdenzeveneuro en éénenzestig eurocent)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij ADO Den Haag N.V. met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, ADO Den Haag N.V., van een bedrag van

EUR 307,61 (driehonderdenzeveneuro en éénenzestig eurocent),

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 6 (zes) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende

hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel

tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer

niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer ADO Den Haag N.V. komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [BP2] tot het gevorderde bedrag van

EUR 2.000,- (tweeduizend euro),

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voorzover de vordering tot schadevergoeding is toegewezen terzake van door de benadeelde partij geleden materiële schade, dit bedrag wordt toegewezen bij wijze van voorschot.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling

van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [BP2] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [BP2], van een bedrag van

EUR 2.000,- (tweeduizend euro),

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [BP2] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [BP6] tot het gevorderde bedrag van

EUR 1.000,- (duizend euro),

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling

van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij

[BP6] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [BP6], van een bedrag van

EUR 1.000,- (duizend euro),

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen, met

dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [BP6] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan

zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [BP7] tot het gevorderde bedrag van

EUR 1.000,- (duizend euro),

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling van

de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij

[BP7] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer,

[BP7], van een bedrag van

EUR 1.000,- (duizend euro)

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen, met

dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [BP7] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [BP9] tot het gevorderde bedrag van

EUR 1.000,- (duizend euro),

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling van

de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij

[BP9] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [BP9], van een bedrag van

EUR 1.000,- (duizend euro)

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen, met

dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [BP9] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan

zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [BP3] tot het gevorderde bedrag van

EUR 1.500,- (duizendenvijfhonderd euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling

van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij

[BP3] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer,

[BP3], van een bedrag van

EUR 1.500,- (duizendenvijfhonderd euro)

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen, met

dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [BP3] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [BP4] tot het gevorderde bedrag van

EUR 1.500,- (duizendenvijfhonderd euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling van

de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij

[BP4] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [BP4], van een bedrag van

EUR 1.500,- (duizendenvijfhonderd euro)

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen, met

dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [BP4] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [BP5] tot een bedrag van

EUR 1.500,- (duizendenvijfhonderd euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat de benadeelde partij deze in zoverre bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling van

de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij

[BP5] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer,

[BP5], van een bedrag van

EUR 1.500,- (duizendenvijfhonderd euro),

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen, met

dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [BP5] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [BP8] tot het gevorderde bedrag van

EUR 1.500,- (duizendenvijfhonderd euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling van

de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij

[BP8] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer,

[BP8], van een bedrag van

EUR 1.500,- (duizendenvijfhonderd euro),

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen, met

dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [BP8] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [BP8] tot een bedrag van

EUR 1.500,- (duizendenvijfhonderd euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat de benadeelde partij deze in zoverre bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling

van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [BP8] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [BP8], van een bedrag van

EUR 1.500,- (duizendenvijfhonderd euro)

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen, met

dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [BP8] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan

zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [BP10] tot het gevorderde bedrag van

EUR 2.000,- (tweeduizend euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling

van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [BP10] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [BP10], van een bedrag van EUR 2.000,- (tweeduizend euro),

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [BP10] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Dit arrest is gewezen door mr. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, mr. J.M. Reinking en mr. R.C.A. Duindam,

in bijzijn van de griffiers mr. C.E. Koppelaars en mr. C.J.A. Sabatier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 februari 2008.