Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC3765

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
408-H-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. De behoefte verandert niet door verhuizing van de moeder naar de vader. Uitvoerige draagkrachtmotivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 30 januari 2008

Rekestnummer. : 408-H-07

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-4127

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. R. van Biezen,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. J.M. van der Linden.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 20 maart 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 22 december 2006.

Van de zijde van de moeder is bij het hof op 12 december 2007 een brief met als bijlagen een pleitnota met onderliggende stukken ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 20 november 2007 en 12 december 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Op 19 december 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: partijen, bijgestaan door hun procureurs. Partijen hebben het woord gevoerd, de procureur van de vader onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnota. Met instemming van beide partijen is de op voorhand toegezonden pleitnota van de zijde van de moeder als voorgedragen beschouwd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN DE VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is - voor zover in hoger beroep van belang - het verzoek van de vader, om de door de moeder aan hem te betalen kinderalimentatie ten behoeve van de hierna te noemen minderjarigen met ingang van 1 april 2006 te bepalen op € 129,- per maand per kind, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de moeder aan de vader te betalen kinderalimentatie voor de minderjarigen:

[kind 1], geboren op [geboortedatum], verder: [kind 1], en

[kind 2], geboren op [geboortedatum], verder: [kind 2],

hierna samen te noemen: de minderjarigen.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover zijn verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie is afgewezen en, in zoverre opnieuw beschikkende, zijn verzoek alsnog toe te wijzen, subsidiair een zodanige beslissing te nemen als het hof vermeent te behoren. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt de vader te veroordelen in de proceskosten (het hof leest: de kosten van het geding in hoger beroep).

BEHOEFTE MINDERJARIGEN

3. De moeder stelt dat de tussen partijen bij convenant van 6 april 2005 overeengekomen alimentatie van € 325,- per maand voor beide kinderen niet maatgevend kan zijn voor de behoefte van de kinderen in de huidige situatie. De moeder voert daartoe aan dat voornoemd bedrag door de vader aan haar betaald zou worden, er vanuit gaande dat de minderjarigen aan haar toevertrouwd zouden worden. Nu er sprake is van een omgekeerde situatie kan de hoogte van de kinderalimentatie die de moeder aan de vader dient te voldoen volgens haar niet maatgevend zijn. De vader heeft de stellingen van de moeder gemotiveerd betwist.

4. Vaststaat dat partijen bij convenant van 6 april 2005 ten behoeve van beide minderjarigen een kinderalimentatie zijn overeengekomen van € 325,- per maand, door de vader te betalen aan de moeder. De vader heeft onbetwist gesteld dat voornoemd bedrag in overeenstemming was met het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de moeder dat er thans sprake is van een omgekeerde situatie, nu zulks geen invloed heeft op de hoogte van de behoefte van de minderjarigen. Voor het overige heeft de moeder geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de behoefte van de minderjarigen op een lager bedrag vastgesteld zou moeten worden. Gelet op het vorenstaande zal het hof de behoefte van de minderjarigen aan een bijdrage van in totaal € 325,- per maand, handhaven. Omdat de vader ter staving van zijn stelling dat hij slechts een geringe dan wel geen draagkrachtruimte heeft of had, een drietal draagkrachtberekeningen heeft overgelegd en de moeder die draagkrachtberekeningen niet, althans onvoldoende heeft betwist, gaat het hof er van uit dat de vader niet in staat is bij te dragen in de kosten van de minderjarigen. Derhalve dient te worden bezien of de draagkracht van de moeder de door de vader verzochte bijdrage toelaat.

DRAAGKRACHT MOEDER IN 2006

5. Vaststaat dat de moeder in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 september 2006 bij haar vorige werkgever werkzaam is geweest en dat zij sinds 18 september 2006 werkzaam is bij haar huidige werkgever. Blijkens de twee jaaropgaven 2006 (als produktie overgelegd bij brief van 12 december 2007) heeft de moeder een inkomen genoten van respectievelijk € 11.185,- en € 5.215,-.

6. Bij het vaststellen van de draagkracht van de moeder in 2006 gaat het hof uit van de periode 10 april 2006 tot 18 september 2006 respectievelijk de periode 18 september 2006 tot en met 31 december 2006, alsmede van voornoemde inkomens, met dien verstande dat het hof die heeft omgerekend naar een bruto inkomen per jaar. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de vader dat uit moet worden gegaan van een netto inkomen van de moeder van € 1.569,- per maand, exclusief vakantietoeslag, overeenkomstig de verdiencapaciteit van de moeder. Het hof acht het redelijk om ten aanzien van 2006 het feitelijk door de moeder genoten inkomen in aanmerking te nemen, temeer nu zij onbetwist heeft gesteld dat zij ten tijde van het huwelijk en daarop aansluitend het geregistreerd partnerschap altijd parttime heeft gewerkt. Uit de aan het hof overgelegde stukken is gebleken dat de moeder haar werkzaamheden bij haar huidige werkgever inmiddels heeft uitgebreid. Gelet op onder meer haar alimentatieverplichting jegens de minderjarigen mocht zulks naar het oordeel van het hof ook van haar worden verwacht. Het vorenstaande neemt niet weg dat het hof het aannemelijk acht dat de moeder enige tijd nodig heeft gehad om tot een uitbreiding van haar werkzaamheden te komen.

Het hof rondt af op hele bedragen.

7. De moeder heeft in eerste aanleg een draagkrachtberekening overgelegd ( produktie 1 bij haar verweerschrift tegen een zelfstandig verzoek tot vaststelling kinderalimentatie), en heeft in die berekening de volgende maandlasten opgevoerd: € 238,- kale huur minus € 98,- , zijnde de helft van de “gemiddelde basishuur”, € 101,- premie zorgverzekering, € 6,- reiskosten omgangsregeling en € 10,- verblijfkosten omgangsregeling.

8. De vader heeft de huur van de moeder en de daarop in mindering te brengen “gemiddelde basishuur” betwist. Het hof is van oordeel dat de moeder niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de door haar opgevoerde huur, zijnde de helft van de totale huur van de woning die op naam van haar vriend staat, voldoet. Om die reden stelt het hof de huur van de moeder gelijk aan de ondergrens huurtoeslag, door haar “gemiddelde basishuur” genoemd. Het samenwonen van de moeder met haar huidige partner heeft in beginsel tot gevolg dat zij in staat wordt geacht om de woonlasten met haar partner te delen, doch brengt niet met zich dat zulks leidt tot een halvering van de ondergrens huurtoeslag. Het hof neemt derhalve de volledige ondergrens huurtoeslag in aanmerking. De moeder heeft ten aanzien van de premie zorgverzekering ter zitting van het hof erkend, zoals door de vader is gesteld, dat zij recht heeft op zorgtoeslag. Ter zitting van het hof heeft de moeder ontbetwist gesteld dat zij een zorgtoeslag van € 36,- per maand ontvangt, zodat voornoemd bedrag op de verschuldigde premie zorgverzekering in mindering dient te worden gebracht. Het hof houdt voorts rekening met de overige, niet betwiste maandlasten van de moeder.

DRAAGKRACHT MOEDER IN 2007

9. De moeder heeft bij brief van 12 december 2007 een draagkrachtberekening overgelegd, waaruit blijkt dat haar beschikbare draagkrachtruimte € 251,- per maand bedraagt. Het hof neemt die berekening als uitgangspunt. In afwijking van die berekening neemt het hof de door de moeder erkende zorgtoeslag van € 36,- per maand in aanmerking. Bovendien stelt het hof om redenen als eerder vermeld de huur van de moeder gelijk aan de ondergrens huurtoeslag. Uitgaande van deze aanpassingen is de moeder in staat om ten behoeve van de minderjarigen een bijdrage van € 129,- per maand per kind te voldoen. Hoewel uit de berekening van de moeder is gebleken dat enkele maandlasten kennelijk in 2007 zijn gestegen behoeven deze, voor zover ze al zouden worden betwist, gelet op het vorenstaande geen bespreking.

CONCLUSIE

10. Uit dit alles volgt dat de moeder in de periode van 10 april 2006 tot 18 september 2006 een bijdrage van € 40,- per maand per kind kan voldoen en dat zij met ingang van 18 september 2006 de door de vader verzochte bijdrage van € 129,- per maand per kind kan voldoen. Het hof merkt op dat rekening is gehouden met de bijstandsnorm voor een alleenstaande, de voor de moeder geldende heffingskortingen en de fiscale voordelen die zij terzake de inkomstenbelasting geniet. Ten aanzien van 2007 merkt het hof wellicht ten overvloede op dat de minimale bijdrage om voor fiscaal voordeel in aanmerking te komen € 131,- per maand dient te bedragen, doch op grond van de maandelijkse bijdrage van € 129,- per maand per kind en de kosten omgangsregeling komt de moeder eveneens voor fiscaal voordeel in aanmerking. Het hof merkt voorts op dat de moeder haar stelling ter zitting van het hof, dat zij een schuld van € 8.000,- aan de belastingdienst heeft, niet met bewijsstukken heeft gestaafd, zodat het hof die stelling passeert.

11. Het hof ziet geen reden, zoals door de moeder is verzocht, om de vader te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep, en zal dat verzoek derhalve afwijzen.

12. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het verzoek van de vader tot het vaststellen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen is afgewezen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de moeder aan de vader te betalen kinderalimentatie in de periode van 10 april 2006 tot 18 september 2006 op € 40,- per maand per kind en met ingang van 18 september 2006 op € 129,- per maand per kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Stille en Kamminga, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2008.