Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC3394

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-02-2008
Datum publicatie
04-02-2008
Zaaknummer
22-002809-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft na een feest bij een partycentrum in Rotterdam op straat twee broers in koelen bloede in het hoofd geschoten. Oplegging gevangenisstraf 15 jaar. Promis bewijsmotivering. Benadeelde partijen: toekenning wettelijke rente. De drager in de kosten van lijkbezorging kan geen schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002809-06

Parketnummer(s): 10-630040-05

Datum uitspraak: 1 februari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (India) op [geboortedag] 1974,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Midden Holland, huis van bewaring De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 23 februari 2007 en 18 januari 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van de onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag op [Y] en de onder 2 impliciet subsidiair tenlaste-gelegde poging tot doodslag op [X] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Aanhoudingsverzoek verdediging

De raadsman heeft het hof bij pleidooi verzocht om aanhouding van de zaak, teneinde nader onderzoek te doen plaatsvinden door prof. dr. W.A. Wagenaar, doch alleen ingeval het hof niet zonder meer de belastende getuigenverklaringen buiten beschouwing wenst te laten. Prof. dr. W.A. Wagenaar zou de totstandkoming en validiteit van deze verklaringen kunnen onderzoeken, waarbij specifiek in acht dienen te worden genomen de omstandigheden waaronder herinneringen zijn gevormd en eventuele waarnemingen hebben plaatsgevonden.

Het hof acht het verrichten van onderzoek als verzocht redelijkerwijs niet noodzakelijk, gelet op de navolgende bewijsoverweging, op hetgeen omtrent de betrouwbaarheid van de getuigen is overwogen, alsmede gelet op de omstandigheid dat een gewijzigd inzicht van Wagenaar e.a. met betrekking tot de herkenning door bekenden niet gesteld is. Het hof wijst het verzoek derhalve af.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet in de vervolging van de verdachte kan worden ontvangen, omdat mogelijk ontlastend beeldmateriaal door justitieel nalaten thans niet meer kan worden achterhaald. Het gaat om de videobeelden van de bewakingscamera van ‘De Hooiberg’, alsmede om de door aanwezigen gemaakte foto’s van het feest van die avond, die aanvankelijk op internet zouden zijn gepubliceerd.

Indien vastgesteld kan worden dat de foto’s zijn vernietigd nadat de raadsman daarom had verzocht op 23 september 2005, danwel nadat de officier van justitie op 28 september 2005 had toegezegd na te gaan of de foto’s achterhaald konden worden, is de lacune in de onderzoeksmogelijkheden aan het openbaar ministerie toe te rekenen, aldus de raadsman. Gezien deze ernstige schending van de beginselen van ‘equality of arms’ en ‘fair trial’ behoort het openbaar ministerie dan ook in dat geval niet-ontvankelijk in de vervolging te worden verklaard. Datzelfde geldt - blijkens de toelichting van de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep - voor de videobeelden.

Het hof verwerpt het verweer.

Ten aanzien van de digitale foto’s van het feest in ‘De Hooiberg’ heeft het hof – nog daargelaten of zulks een schending van de door de raadsman genoemde beginselen oplevert - geen enkele aanwijzing dat deze ná het verzoek van de raadsman van het internet zijn gehaald, zodat deze tot die tijd hadden kunnen worden achterhaald, danwel dat een afgedrukte versie ervan pas daarna is vernietigd.

Met betrekking tot de videobeelden is het hof evenmin van laakbaar optreden door het openbaar ministerie gebleken. Blijkens het aanvullend proces-verbaal van politie, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar M. Kapias, d.d. 5 oktober 2007, nr. 2005132657, is er destijds bij het opsporingsonderzoek in de onderhavige strafzaak één videoband van ‘De Hooiberg’ veiliggesteld, maar daarop was alleen een lege zaal te zien en de datum van opname was onbekend. Verbalisant Kapias heeft een uitdraai bijgevoegd, waaruit blijkt dat deze constatering door de politie reeds op 25 april 2005 digitaal is geboekt. Daaruit leidt het hof af dat de bewakingscamera tussen 17 en 25 april 2005 en derhalve tijdig veilig is gesteld, zodat het ontbreken van relevante beelden niet aan het openbaar ministerie kan worden toegeschreven. Daarnaast heeft het hof geen enkele aanwijzing dat er nog videobeelden zijn geweest die níet tijdig veilig gesteld zouden zijn en die vervolgens ná het verzoek van de raadsman zouden zijn vernietigd, zodat deze tot die tijd hadden kunnen worden achterhaald.

Nu ook overigens geen omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

VRIJSPRAAK

Het hof acht de onder 1 impliciet primair tenlastegelegde moord op [Y] en de onder 2 impliciet primair tenlastegelegde poging tot moord op [Z] niet wettig en overtuigend bewezen, zodat het hof de verdachte van die feiten overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal – zal vrijspreken.

BEWIJSOVERWEGING

Algemeen

Op zondag 17 april 2005 vond omstreeks kwart over vijf ’s ochtends een schietincident plaats in de Galvanistraat te Rotterdam, ter hoogte van het partycentrum ‘De Hooiberg’ (1). Twee broers werden daar in het hoofd geschoten. De oudste broer, [Y], overleed door die schotwond (2). De jongere broer, [Z], is met ernstige verwondingen aan schedel en slaap in kritieke toestand naar het ziekenhuis gebracht. Hij heeft het overleefd, doch met tot dusver blijvend letsel (3). Een aantal mensen heeft gezien dat er geschoten werd, onder wie de jongste broer van de twee slachtoffers, genaamd [Z] (4).

Beide geloste schoten zijn de verdachte tenlastegelegd. De verdachte erkent die avond op het feest in ‘De Hooiberg’ te zijn geweest (5). Ook erkent de verdachte dat hij met [A], [B], [C] en twee meisjes in een Toyota Avensis na het feest is weggereden (6). Hij ontkent evenwel de schoten te hebben gelost.

Het hof overweegt ten aanzien van het tenlastegelegde daderschap – mede naar aanleiding van hetgeen door de advocaat-generaal en de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht - het volgende.

Daderschap

Aan het einde van het feest in partycentrum ‘De Hooiberg’ verlieten de broers rond vijf uur ’s ochtends het feest (7). [X] werd er door een portier via de nooduitgang uitgezet, na een eerdere woordenwisseling met een andere feestganger en twee waarschuwingen door die portier (8). Ook [Y] en [Z] verlieten het partycentrum. Eenmaal buiten liep [Z] enkele meters achter zijn broers aan. Hij zag dat zijn broers toen door Hindoestaanse mannen werden aangevallen. Er vielen klappen. Kort daarna stopte het gevecht en zag [Z] dat één van de mannen zijn rechterarm strekte, met in zijn rechterhand een klein zwart voorwerp. In het verlengde daarvan stonden zijn broers. Plotseling hoorde [Z] een knal, zag dat er een vlam uit het zwarte voorwerp kwam en zag tegelijkertijd dat zijn broer [Y] met een hoofdwond op de grond viel. Kort daarna hoorde [Z] een tweede knal, zag wederom een vlam uit dat voorwerp komen en zag daarbij dat zijn broer [X] met een hoofdwond op de grond viel. De Hindoestaanse mannen stapten in een lichtgrijze of zilverkleurige auto. Die auto reed weg in de richting van de Benjammin Franklinstraat (9).

Een kennis van de verdachte, genaamd [C], bestuurde die lichtgrijze auto (10). In de auto zaten al twee vrouwen, die door [C] en zijn vrienden [B] en [A] naar huis zouden worden gebracht. [B] en [A] stonden bij de vechtpartij. Ook [C] stapte uit zijn auto om te kijken wat er aan de hand was; hij liet de motor draaien (11). [A] stond op dat moment in het groepje met ruziënde mannen en had net een duw gegeven. [A] hoorde een paar seconden daarna een knal. Hij keek in de richting waar de knal vandaan kwam en zag de verdachte, die hij kende als ‘[bijnaam verdachte]’, met gestrekte arm ongeveer drie meter van hem af staan, met in de hand een klein zwart pistool (12).

Ook [C] zag van een afstand dat de verdachte, hem bekend als ‘[bijnaam verdachte]’, zijn rechterarm strekte naar één van de mannen, hij hoorde een knal en zag de man vallen (13).

Gezien bovengenoemde verklaring van [Z] viel op dit moment [Y] neer. Blijkens een schotresten-onderzoek van het NFI betrof de schootsafstand tussen de schutter en [Y] circa 25 tot 150 centimeter (14).

[C] stapte toen snel in de auto (15). [A] stond op dat moment nog steeds circa drie meter van de verdachte af. Hij zag dat de verdachte de loop richtte op een andere Hindoestaanse man, hoorde weer een knal en zag een vlam uit het pistool van de verdachte komen (16). Ook [C] hoorde een tweede knal en zag vanuit zijn auto een tweede man op de grond vallen, terwijl hij zag dat de verdachte zijn rechterarm gestrekt hield (17). [B] en [A] zijn toen bij [C] in de auto gestapt, [B] voorin en [C] achterin (18). Ook de verdachte stapte achter in de auto, samen met [D] (19). De verdachte riep ‘Rijden, rijden.’ (20) [C] is toen – derhalve met vijf personen op de achterbank en [A] op de bijrijdersplaats - in de richting van de Benjamin Franklinstraat weggereden (21).

Eén van de twee vrouwen die achterin de auto van [C] zaten, genaamd [E], hoorde de twee haar onbekende mannen die als laatsten in de auto stapten in het Hindoestaans met een Pakistaans accent tegen elkaar praten (22). Ook haar nichtje [F] herinnert zich dat er in de auto Pakistaans werd gesproken (23). [E] hoorde daarbij dat één van de mannen toen zei dat hij zijn pistool weg moest doen (24).

[E] doelt hier kennelijk op een gesprek tussen de verdachte en [D], want uit haar politie-verklaring volgt dat [E] de bestuurder en de drie andere inzittenden al ten minste van gezicht kende en bovendien waren de verdachte en [D] als laatsten ingestapt.

Betrouwbaarheid getuigenverklaringen

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen betwist. Het ging hem met name om de opgegeven signalementen van de schutter en de daarmee veelal niet overeenkomende herkenning van de verdachte bij daarop volgende foslo-confrontaties. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op eventueel eigen belang bij het verdraaien van de waarheid, alsmede op eventuele vertroebeling van het geheugen door ofwel de schrik na de geloste schoten ofwel door de reeds verstrekte informatie en de reeds lopende geruchten in de Hindoestaanse gemeenschap.

Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebezigde verklaringen overweegt het hof het volgende.

Het hof ziet geen redenen om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Z] te twijfelen. Deze verklaring is kort na het schietincident afgelegd - al om kwart over acht ’s ochtends - waardoor de kans op ‘vertroebeling’ door geruchten en later bekend gemaakte informatie klein is. Bovendien is bij [Z] geen enkel belang gebleken of aannemelijk geworden om hetgeen hij heeft waargenomen te verdraaien. Het hof acht de verklaring van [Z] derhalve betrouwbaar.

Van de twee vrouwen die op de achterbank bij [C] in de auto zitten, is evenmin gebleken of aannemelijk geworden dat zij er enig belang bij zouden kunnen hebben om anders te verklaren dan hetgeen zij in de auto hebben gehoord.

De verklaringen van [B] heeft het hof niet voor het bewijs gebezigd, omdat hij in beschonken toestand verkeerde en het schieten zelf niet heeft gezien.

Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [C] en [A] overweegt het hof het volgende.

Toen de politie door hun aanvankelijke versie van die avond heenprikte, hebben zij toegegeven dat zij eerst er uit angst voor hebben gekozen om hun verklaringen - samen met [B] - op elkaar af te stemmen. De inhoud van die verklaringen heeft het hof niet voor het bewijs gebezigd.

Gezien de inhoud van hun aanvankelijke verklaringen en de wijze waarop zij derhalve kennelijk een en ander wilden verdoezelen, komt het hof het aannemelijk voor dat hun aanvankelijke onjuiste keuze inderdaad was ingegeven door angst voor de verdachte. Zij kenden de verdachte; hij zou hen dus voor eventueel verhaal kunnen vinden en zij hadden ondervonden waartoe de verdachte kennelijk in staat was. Een ander motief tot het afstemmen van die verklaringen is niet gebleken. De politie heeft hen uitgebreid verhoord en heeft hun aanvankelijke versie doorzien. De versie die daarop volgt, betreft van beiden een gedetailleerde verklaring, die deels steun vindt in andere bewijsmiddelen. De politie heeft daarbij niet nogmaals geconstateerd dat zij de waarheid verdraaiden. Het hof is ook anderszins niet gebleken dat zulks het geval is geweest. Het hof heeft [A] ter terechtzitting in hoger beroep op 23 februari 2007 als getuige gehoord. Ook daarbij heeft hij geen leugenachtige of weifelende indruk gemaakt. Hij bleef bij zijn verklaring, kwam geloofwaardig over en wees vervolgens de verdachte in de zittingszaal aan als de schutter.

Met betrekking tot de herkenning van de verdachte als schutter door [Z], [C] en [A] overweegt het hof nog het volgende.

De getuigen spreken allemaal van één schutter. Uit het dossier komen geen aanwijzingen naar voren dat andere mensen toen en daar ook geschoten hebben. Het gaat dus om één en dezelfde persoon, over wie zowel [Z] heeft verklaard als de kennissen van de verdachte.

Prof. dr. W.A. Wagenaar heeft met P.J. van Koppen de betrouwbaarheid van getuigen bij het herkennen van gezichten toegelicht, in “Het recht van binnen”, Kluwer 2002, pp. 543 e.v. Daarin komt onder verwijzing naar verschillende onderzoeken o.a. naar voren dat het herkennen van mensen die maar een enkele keer zijn gezien, veel moeilijker is dan het herkennen van bekenden.

Uit feit dat in de onderhavige zaak juist bekenden van de verdachte hem duidelijk als schutter herkenden, terwijl niet is gebleken dat ook andere personen op dat moment hun wapen trokken, leidt het hof af dat de verklaring van [Z] eveneens betrekking heeft op de verdachte. Het door [Z] opgegeven signalement van de schutter en de foslo-confrontatie acht het hof derhalve in dezen niet van belang (25).

Daarnaast acht het hof de verklaring van [D], voor zover deze in bovenstaande bewijsoverweging wordt gebezigd, gezien het feit dat deze gesteund wordt door de verklaringen van [A], [C] en de verdachte zelf, eveneens betrouwbaar.

BMW of Toyota?

Met betrekking tot de vraag of de schutter wel in de Toyota Avensis van [C] zat en niet in een – door een aantal getuigen omschreven – BMW, overweegt het hof het volgende. De verklaringen stemmen overeen in de kleur van de auto, alsmede in de richting waarin de auto wegreed: de Benjamin Franklinstraat/ partycentrum Gandhi. Niemand heeft kort na het schieten een andere auto zien wegrijden. Uit de camerabeelden blijkt evenmin van een andere auto die toen en daar reed (p. 332 in het dossier). [C] herkent zijn auto ook op de prints van die camerabeelden (p. 255). Voorts is sprake van een zodanig grote gelijkenis tussen deze Toyota Avensis (zie de foto op p. 328 in het dossier) en een ruime BMW (van de 3/5-serie of van het type E36), dat naar ’s hofs oordeel goed voorstelbaar is dat getuigen in het donker bij zo’n snelle gang van zaken menen een BMW te zien, terwijl het een Toyota Avensis, een minder algemeen bekend type auto, betreft. Bovendien is op de achterbank in de vluchtauto een bloedspoor aangetroffen (p. 323 e.v.), voor welke omstandigheid een voor de verdachte ontlastende verklaring ontbreekt.

Conclusie

Al het voorgaande in onderlinge samenhang beschouwend acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag op [Y] en de onder 2 impliciet subsidiair tenlastegelegde poging tot doodslag op [X] heeft begaan, op de wijze als in de hierna opgenomen uitgestreepte bewezenverklaring is omschreven.

Het hof merkt daarbij nog op dat de volgende omstandigheden, gelegen in het gedrag en de proceshouding van de verdachte, in onderlinge samenhang het hof eens te meer in de overtuiging van verdachtes daderschap ten aanzien van de schietpartij bij partycentrum ‘De Hooiberg’ op 17 april 2005 hebben bevestigd.

De verdachte heeft zich een maand lang schuil gehouden voor de politie. Tussentijds heeft hij zijn uiterlijk veranderd. Blijkens de verklaring van de oom van een vriendin van de verdachte kende hij de verdachte met een baard en veel langer haar en zag hij dat de verdachte opeens – ’s avonds op 7 mei 2005 - gladgeschoren was en kortgeknipt haar had dat netjes in een scheiding was gekamd (26).

Vervolgens heeft de verdachte er na zijn aanhouding voor gekozen om zich grotendeels te beroepen op zijn zwijgrecht, terwijl hij zich bewust was van de voor hem belastende feiten en omstandigheden die als het ware ‘schreeuwden’ om een verklaring van de verdachte. Het lag op dat moment bepaald op de weg van de verdachte om op die voor het bewijs van zijn daderschap redengevende omstandigheden een redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring te geven.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard niets van de commotie te hebben gemerkt kort voordat hij in de auto van [C] stapte, terwijl uit verschillende getuigeverklaringen naar voren komt dat vrijwel alle omstanders tijdens of na het schieten in paniek wegrenden. Hierom acht het hof zijn verklaring ongeloofwaardig. Dat de verdachte niet heeft willen vertellen met wie hij sigaretten zou zijn gaan halen, waardoor hij volgens zijn zeggen niets van de schietpartij zou hebben bespeurd, bevreemdt het hof evenzeer. Dat zou immers de enige persoon zijn die verdachtes onschuld had kunnen aantonen. Een andere reden dan dat die andere persoon niet bestaat, is niet aannemelijk geworden.

Dat de houding van de verdachte zoals hierboven omschreven geheel zou zijn ingegeven door de gevangenisstraf voor de duur van negen maanden die op dat moment nog openstond, acht het hof niet aannemelijk.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het onder 1 en 2 bewezenverklaarde heeft begaan op de redengevende feiten en omstandigheden die in de bovengenoemde bewijsoverweging zijn vervat, op grond van de daarbij in de voetnoten als bewijsmiddelen vermelde ambtsedige - veelal voor fotokopie conform het origineel ondertekende - processen-verbaal en geschriften (de ‘Promis-werkwijze’).

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Doodslag.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van de onder 1 tenlastegelegde doodslag op [Y] en de onder 2 tenlastegelegde poging tot doodslag op [X] zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft na een feest op straat twee broers in koelen bloede in het hoofd geschoten. De oudste broer is vrijwel meteen na het schot overleden. De andere broer is in kritieke toestand naar het ziekenhuis gebracht en heeft het slechts door snel medisch ingrijpen overleefd. Een derde broer heeft dit voor zijn ogen zien gebeuren.

De verdachte heeft met het plegen van deze feiten één van de zwaarste misdrijven die de Nederlandse strafwet kent begaan. De gevolgen zijn op geen enkele wijze meer ongedaan te maken.

Een van de slachtoffers is door de verdachte het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. De nabestaanden zullen de gevolgen van dit onherroepelijke en volkomen onverwachte verlies van hun zoon, broer en vriend altijd moeten dragen.

Het slachtoffer dat het schot overleefd heeft, ondervindt nog dagelijks de gevolgen van verdachtes handelen. Gezien de bij zijn vordering gevoegde medische verklaring, alsmede blijkens zijn slachtofferverklaring en mondelinge toelichting in hoger beroep, zal hij fysiek waarschijnlijk nimmer volledig herstellen van het opgelopen hersenletsel. Zo kan hij geen trappen lopen, zijn linkerhand niet bewegen en ook overigens is hij tot weinig in staat. Het slachtoffer heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog toegelicht niet eens aangepast werk te kunnen verrichten en niet meer de persoon te zijn die hij vroeger was. Dat drukt zo zwaar op hem, dat hij zelfs niet kan zeggen dat hij blij is dat hij nog leeft. Hem bedrukt dat hij niet eens weet waarom op hem geschoten is. De verdachte heeft hem dit toch niet verteld en heeft, op enkele obligate woorden ter zitting na, geen medeleven betoond met het overlevende slachtoffer of met de nagelaten betrekkingen van de doodgeschotene.

Dit soort feiten veroorzaakt gevoelens van diepe geschoktheid en onveiligheid in de maatschappij. Ook omstanders zullen veelal, naar de ervaring leert, nog lang nadelige gevolgen ondervinden van hetgeen ze de verdachte hebben zien doen.

De verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 30 januari 2007 – naast andere veroordelingen - al een keer tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren veroordeeld ter zake van medeplegen van poging doodslag, meermalen gepleegd. Dat betrof blijkens informatie uit het dossier een schietincident in december 2002 bij een uitgaansgelegenheid in Delft. De verdachte behoorde op het moment van de thans bewezenverklaarde schietpartij nog een deel van die gevangenisstraf te ondergaan; hij was enkele maanden daarvoor niet van een proefverlof teruggekeerd. De eerdere veroordeling heeft de verdachte er kennlijk niet van weerhouden het onderhavige feit te begaan.

Het Pieter Baan Centrum heeft de verdachte op verzoek van het hof onderzocht. In het rapport van het Pieter Baan Centrum, opgemaakt en ondertekend door GZ-psycholoog C.T.H.M. Salet en psychiater A.G.S. de Ranitz, d.d. 2 november 2007, wordt – verkort en zakelijk weergegeven - het volgende geconcludeerd:

Vanwege betrokkenes weigering om aan het onderzoek mee te werken, heeft een volledig gedragskundig onderzoek van de betrokkene niet kunnen plaatsvinden. Op basis van observaties en beschikbare informatie zijn er geen aanwijzingen voor een ernstige psychiatrische ziekte. Van een weigering op pathologische gronden kan dan ook niet worden gesproken. Ook een pervasieve ontwikkelings-stoornis en een actuele stemmingsstoornis kunnen uitgesloten worden. Er zijn geen aanwijzingen voor verslavingsproblematiek. Betrokkene lijkt over normaal begaafde intellectuele capaciteiten te beschikken. Op grond van de beperkte informatie die het onderzoek heeft opgeleverd kan geen psychiatrische stoornis in engere zin, nu of in het verleden, worden vastgesteld. Evenmin kan het bestaan van bijvoorbeeld een persoonlijkheids-stoornis met zekerheid worden uitgesloten.

Gelet op de bevindingen is het niet mogelijk de vraag te beantwoorden of bij betrokkene, in het bijzonder ten tijde van de tenlastegelegde feiten, sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geesrvermogens. Gelet op het voorgaande zijn ondergetekenden evenmin in staat om de overige gestelde vragen te beantwoorden.

Deze conclusies geven geen grond om de gepleegde feiten niet volledig aan de schuld van de verdachte toe te rekenen. Ook overigens ziet het hof daartoe geen aanleiding.

Alles overwegende en mede gelet op de bevindingen in dit rapport, is het hof van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Vorderingen tot schadevergoeding

1. [X]

In het onderhavige strafproces heeft [X] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 47.264,52. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De vordering strekkende tot vergoeding van geleden materiële schade ter grootte van EUR 17.174,52, is door of namens de verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist. Nu de vordering het hof onrechtmatig noch ongegrond voorkomt en de gestelde schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezenverklaarde, ligt deze voor toewijzing gereed.

Met betrekking tot de immateriële schade is naar het oordeel van het hof aannemelijk geworden dat deze schade is geleden en dat deze schade rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde feit. Dit deel van de vordering is door en namens de verdachte evenmin voldoende gemotiveerd betwist.

De vordering van de benadeelde partij ter zake van de geleden immateriële schade leent zich voor gehele toewijzing. Het hof zal, mede lettend op de vrij jonge leeftijd van het slachtoffer, naar maatstaven van billijkheid ter vergoeding van geleden en nog te lijden immateriële schade een bedrag toekennen van EUR 30.000,=.

Het hof wijst de wettelijke rente toe over de immateriële schade en het verlies van arbeidsvermogen sedert 17 april 2005 over de helft van deze bedragen, omdat het deels toekomstige schade betreft. Over de overige schade wijst het hof de wettelijke rente geheel toe sedert de indiening van de vordering op 19 december 2005.

Het door het hof toegewezen bedrag is vastgesteld op het bedrag dat tenminste kan worden toegewezen (zg. ‘bij voorschot’). Een vordering bij de burgerlijke rechter tot een aanvullend bedrag is hiermee niet uitgesloten.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op EUR 90,=, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

2. [R]

In het onderhavige strafproces heeft [R] zich - als drager van de kosten van lijkbezorging ex 6:108 lid 2 BW van [Y] - als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 5.956,25 (incl. kosten rechtsbijstand). In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De vordering strekkende tot vergoeding van geleden materiële schade ter grootte van EUR 5.295,70, is door of namens de verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist. Nu de vordering het hof onrechtmatig noch ongegrond voorkomt en de gestelde schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde, ligt deze voor toewijzing gereed.

Het hof wijst de wettelijke rente over dit bedrag toe sedert 20 april 2005 tot de dag der voldoening.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op EUR 660,45, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

1. [X]

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 47.174,52 ten behoeve van het slachtoffer [X].

2. [R]

De mogelijkheid tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel kent de wet voor een voeging ex artikel 51a lid 2 Wetboek van Strafvordering niet. Dat betekent dat de maatregel niet kan worden opgelegd ten behoeve van [R], die de kosten van lijkbezorging heeft gedragen als bedoeld in artikel 6:108 lid 2 BW.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45(oud), 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

15 (vijftien) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [X] tot het gevorderde bedrag van in hoofdsom

EUR 47.174,52 (zevenenveertigduizend honderdvierenzeventig euro en tweeënvijftig cent)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente over EUR 20.337,75 vanaf 17 april 2005 en over EUR 6.499,= vanaf 19 december 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op EUR 90,=, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [X], van een bedrag van

EUR 47.174,52 (zevenenveertigduizend honderdvierenzeventig euro en tweeënvijftig cent),

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 265 (tweehonderdvijfenzestig) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [R] tot het gevorderde bedrag van

EUR 5.295,70 (vijfduizend tweehonderdvijfennegentig euro en zeventig cent)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 20 april 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op EUR 660,45, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Dit arrest is gewezen door mr. S.C.H. Koning, mr. C.G.M. van Rijnberk en dr. G.J. Fleers, in bijzijn van de griffier mr. B.A.A. Daino-Postma.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 februari 2008.

Eindnoten:

1 Het zaaksproces-verbaal van politie, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van politie, d.d. 30 juni 2005, pvnr. 2005 132657, betreffende het onderzoek ‘TGO Galvani’, p. 1 onder ‘Aanleiding’.

2 Het sectieverslag betreffende van het NFI, opgemaakt en ondertekend door de arts-patholoog F.R.W. van de Goot, d.d. 28 april 2005, betreffende [Y], geboren [geboortedatum en -plaats], wonende te Almere en dood aangetroffen te Rotterdam op 17 april 2005 te omstreeks 5.20 uur. Blijkens de verklaring van [Z] heeft [Y] de bijnaam [bijnaam] (zie noot 4)

3 Zie de medische verklaring van het FARR, opgemaakt en ondertekend door forensisch arts J.R. van Leeuwen, d.d. 31 mei 2005, o.v.v. het kenmerk van de aanvraag, zijnde nr. 2005132657-1, betreffende de heer [X], geboren op [geboortedatum], p. 8 in het dossier.

4 Het proces-verbaal van politie, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van politie, d.d. 17 april 2005, nr. 2005132657-6, op p. 208-210 in het dossier, inhoudende de tegenover hen afgelegde verklaring van [Z].

5 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, op 12 april 2006, zie p. 2 van dat proces-verbaal.

6 Zie noot 5, p. 3 van dat proces-verbaal (verklaring van de verdachte in eerste aanleg).

7 Zie noot 4, p. 209 (verklaring van [Z]).

8 Het proces-verbaal van politie, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van politie, d.d. 18 april 2005, nr. 2005132657-41, 0504181040.G09, op p. 163 en p. 169 in het dossier, inhoudende de tegenover hen afgelegde verklaring van [de p[de portier]. Uit het feit dat [Z] naar het ziekenhuis is gebracht, terwijl [Y] ter plaatse is overleden, leidt het hof af dat [Z] door de portier [de portier] eruit is gezet.

9 Zie noot 4, p. 209 (verklaring van [Z]).

10 Zie het proces-verbaal van politie, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van politie, d.d. 26 april 2005, nr. 2005132657-93, op p. 254 in het dossier, inhoudende de tegenover hen afgelegde verklaring van [C], alsmede hetgeen het hof in het navolgende over de vluchtauto overweegt.

11 Het proces-verbaal inhoudende de verklaring van [C] als genoemd in noot 10, op p. 254 in het dossier.

12 Het proces-verbaal van politie, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van politie, d.d. 26 april 2005, nr. 2005132657, 0504261600.G13, op p. 269 in het dossier, inhoudende de tegenover hen afgelegde verklaring van [A] (bijnaam [A]).

13 Het proces-verbaal inhoudende de verklaring van [C] als genoemd in noot 10, op p. 254 in het dossier.

14 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, afdeling Pathologie, politiekenmerk: 2005132657, d.d. 1 juni 2005, opgemaakt en ondertekend door de deskundige ing. J.C. Bierstraten, vast gerechtelijk deskundige, betreffende schotrestenonderzoek m.b.t. de inschotverwonding onder het linkeroog van het slachtoffer [Y].

15 Het proces-verbaal inhoudende de verklaring van [C] als genoemd in noot 10, op p. 254 in het dossier.

16 Zie noot 12, p. 269 (verklaring van [A]).

17 Het proces-verbaal inhoudende de verklaring van [C] als genoemd in noot 10, op p. 254 in het dossier.

18 Zie noot 12, p. 269 (verklaring van [A]), alsmede noot 15 en 10, p. 254 (verklaring van [C]).

19 Zie de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, afgelegd op 12 april 2006, op p. 3 van dat proces-verbaal, voor zover het betreft dat hij zelf toen in die auto is gestapt.

M.b.t. instappen [D]: 1. Het proces-verbaal van politie, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van politie, d.d. 6 mei 2005, nr. 2005132657-138, op p. 259 in het dossier, inhoudende de tegenover hen afgelegde verklaring van [C]; en: 2. Het proces-verbaal van politie, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van politie, d.d. 3 mei 2005, nr. 2005132657-127, op p. 278 in het dossier, inhoudende de tegenover hen afgelegde verklaring van [A] (bijnaam [A]); en: 3. Het proces-verbaal van politie, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van politie, d.d. 9 mei 2005, nr. 2005132657-152, op p. 356 (onderaan) en 357 (bovenaan) in het dossier, inhoudende de tegenover hen afgelegde verklaring van [D] (bijnaam [D] – p. 354).

20 Zie noot 17: p. 254 (verklaring van [C]) en p. 269 (verklaring van [A]).

21 Het proces-verbaal inhoudende de verklaring van [C] als genoemd in noot 10, op p. 255 in het dossier.

22 Het proces-verbaal van politie, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van politie, d.d. 3 mei 2005, nr. 2005132657-133, op p. 297 in het dossier, inhoudende de tegenover hen afgelegde verklaring van [E] (bijnaam [E] – verkl. van haar nicht [F], zie p. 307).

23 Het proces-verbaal van politie, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van politie, d.d. 3 mei 2005, nr. 2005132657-134, op p. 309 (onderaan) en p. 310 (bovenaan) in het dossier, inhoudende de tegenover hen afgelegde verklaring van [F] (bijnaam [F], zie p. 307).

24 Zie noot 22, p. 297 ([E]ring [E]).

25 Doch wel voor ‘s hofs overtuiging in samenhang met andere verklaringen, zie onder ‘Conclusie’.

26 Zie het proces-verbaal van politie, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van politie, d.d. 9 mei 2005, nr. 2005132657-157, op p. 391 in het dossier, inhoudende de tegenover hen afgelegde verklaring van [oom van een vriendin van verdachte].