Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC3374

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-02-2008
Datum publicatie
04-02-2008
Zaaknummer
2200613306
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

15 jaren gevangenisstraf voor ernstig mishandelen en doden van vriendin en brandstichting.

Ondanks de stellige ontkenning van de verdachte dat hij de dader is geweest, heeft het hof het vonnis van de rechtbank bevestigd. Het hof acht het – gelet op het korte tijdsbestek tussen het moment waarop de verdachte de woning van het slachtoffer heeft verlaten en het moment waarop door omwonenden de brandmelding is gedaan - uitgesloten dat een ander dan de verdachte de bewezenverklaarde handelingen heeft verricht.

Het vonnis van de rechtbank van 18 oktober 2006 is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: AZ0399.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-006133-06

Parketnummer(s): 09-757516-05

Datum uitspraak: 4 februari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 oktober 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden – Huis van Bewaring Zoetermeer te Zoetermeer.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

24 mei 2007 en van 17 december 2007 en 21 januari 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en de in beslag genomen voorwerpen heeft de advocaat-generaal overeenkomstig de beslissingen die de rechtbank dienaangaande heeft genomen, geconcludeerd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting van 4 juli 2006 in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van voorarrest. De vorderingen van de benadeelde partijen A en B zijn, voor zover gehandhaafd, volledig toegewezen tot bedragen van respectievelijk € 494,26 en € 2.142,29, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Van de in beslag genomen kledingstukken is de teruggave aan de verdachte gelast.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Ter terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2007 heeft het hof de verdachte met betrekking tot de aan hem tenlastegelegde feiten uitgebreid ondervraagd. De verdachte ontkent - net als in eerste aanleg - stellig dat hij de hem tenlastegelegde feiten heeft begaan. Ook overigens is zijn verklaring in hoger beroep niet wezenlijk anders dan de verklaring(en) die hij in eerste aanleg heeft afgelegd.

Gelet op de proceshouding van de verdachte en de aard en de ernst van de zaak, heeft het hof nader onderzoek - in de vorm van het horen van getuigen en getuige-deskundigen ter zitting - gelast. De resultaten hiervan en de behandeling van het hoger beroep voor het overige hebben het hof echter niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de rechtbank, behoudens de navolgende aanvulling.

In aanvulling op de beschouwingen van de rechtbank, overweegt het hof dat uit de rapportage van een ingenieur van het Centrum voor Brandveiligheid van Efectis Nederland B.V., de rapportage van een ingenieur van het Nederlands Forensisch Instituut en diens verklaring als getuige–deskundige ter terechtzitting van het hof op

17 december 2007, in samenhang met de op die terechtzitting afgelegde verklaringen van de getuigen X en Y, kan worden opgemaakt dat vóórdat de brandweer om 17.47 uur ter plaatse was, in de woning van het slachtoffer een brand heeft gewoed met gedurende minimaal 5 minuten open vuur, welke brand ten tijde van het opmerken daarvan door genoemde getuigen, enige tijd vóór de komst van de brandweer, reeds door zuurstofgebrek was gesmoord.

Het vorenoverwogene draagt naar het oordeel van het hof bij aan de conclusie dat het uitgesloten is te achten dat een ander dan de verdachte, die de gehele dag in de woning heeft verbleven en die zich om 17.30 uur nog in de woning bevond en aldus zonder tijdsdruk kan hebben gehandeld, in het - ook in het vonnis van de rechtbank - reeds vermelde korte tijdsbestek nadien de bewezenverklaarde en overigens uit de bewijsmiddelen blijkende handelingen heeft verricht. Samengevat hebben die handelingen achtereenvolgens bestaan uit het toebrengen van zwaar inwendig letsel aan het onderlichaam van het slachtoffer, verwurging tot de dood erop volgde, het doorsnijden van de keel en het toebrengen van andere snij- en steekwonden in buik en borst, gevolgd door het in brand steken van (de inboedel van) de woning op twee verschillende plaatsen, na kledingstukken en ander brandbaar materiaal uit een of meer kasten te hebben gehaald en in de woning – onder meer onder het bed en op in werking zijnde kookplaten in de keuken – te hebben verspreid, waarbij de woning die door de verdachte naar eigen zeggen ‘netjes’ was achtergelaten door de brandweer in grote wanorde is aangetroffen. Dat een derde, terwijl van enige tijdsdrang na het tijdstip waarop de verdachte de woning heeft verlaten, niets is gebleken of aannemelijk geworden, alle voormelde handelingen in een dergelijk kort tijdsbestek heeft verricht, acht het hof dermate onwaarschijnlijk dat het die mogelijkheid buiten beschouwing heeft gelaten. Van enige aanwijzing dat een derde zich onmiddellijk na het vertrek van de verdachte in de woning van het slachtoffer zou hebben begeven is niet gebleken.

Nu de advocaat-generaal zijn verzoek om een persoonlijkheidsonderzoek te laten verrichten naar de verdachte, dat door het hof ter terechtzitting van 24 mei 2007 voorshands is afgewezen, bij zijn requisitoir uitdrukkelijk niet heeft gehandhaafd en de verdachte blijkens zijn verklaring ter terechtzitting van

21 januari 2008 nog immer niet bereid is om mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek, ziet het hof geen aanleiding om op zijn eerdere, voorlopige beslissing te dier zake terug te komen, zodat het verzoek wordt afgewezen.

Het hof zal dan ook het vonnis waarvan beroep onder aanvulling van de voormelde gronden bevestigen.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt met aanvulling van gronden het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht,

mr. S. van Dissel en mr. C.M. le Clercq-Meijer, in bijzijn van de griffier mr. W.S. Korteling.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 februari 2008.