Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC3339

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-01-2008
Datum publicatie
04-02-2008
Zaaknummer
06/520
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen schadevergoeding na strafvorderlijk onderzoek met inbeslagneming van auto. Verdenking (destijds) was niet onrechtmatig, de onschuld van de verdachte is niet uit de strafrechtelijke stukken gebleken. Het beslag heeft niet onrechtmatig lang geduurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Rolnummer : 06/520

Rolnummer Rechtbank : 04-2683

arrest van de eerste civiele kamer d.d. 31 januari 2008

inzake

[Naam],

wonende te Beringe (gemeente Helden),

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur mr. H.J.A. Knijff,

tegen

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelend te Den Haag (gemeente ’s-Gravenhage),

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

procureur mr. W. Heemskerk.

Het geding

1. Bij exploot van 10 april 2006 is Janssen in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank 's Gravenhage tussen partijen gewezen vonnissen van 1 juni 2005 en 11 januari 2006. Bij memorie van grieven (met een productie) heeft hij vijf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord (met een productie) heeft de Staat de grieven bestreden. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2.1 De door de rechtbank in het vonnis van 1 juni 2005 onder “1. De feiten” vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden. Ook het hof zal daarvan uitgaan.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.2 Eind april 1999 heeft [appellant] voor ƒ 20.000,- (contant) van een Duits sprekende man, genaamd [X], een Alfa Romeo gekocht. Bij de aflevering van de auto op het bedrijf van [appellant] werden alle noodzakelijke papieren en de reservesleutels aan [appellant] overhandigd.

2.2 Op 7 mei 1999 heeft [appellant] de auto aangeboden bij het keuringsstation van de Rijksdienst voor het Wegverkeer. Toen bleek dat de auto sinds 17 maart 1999 gesignaleerd stond door Duitsland, omdat Autohaus Münch te Fürth (Duitsland) aangifte had gedaan van ‘Betrug’ nadat deze de auto had verkocht aan een Nederlands bedrijf dat met een ongedekte cheque had betaald.

2.3 Op 11 augustus 1999 is de auto met toepassing van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in beslag genomen. Op 17 augustus 1999 is [appellant] als verdachte van heling gehoord. Vervolgens is aan Duitsland een rechtshulpverzoek gedaan om onderzoek in te stellen.

2.4 Op 2 september 1999 is de auto gedeponeerd bij de Domeinen te Herkenbosch.

2.5 Op 1 maart 2000 heeft [appellant] een klaagschrift ex artikel 552a Sv ingediend bij de rechtbank Roermond. Deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 mei 2000 het klaagschrift gegrond verklaard en gelast de auto aan [appellant] terug te geven. Dit is op 28 juni 2000 gebeurd.

2.6 Op 14 augustus 2000 heeft de officier van justitie te Roermond aan [appellant] bericht dat hij niet zal worden vervolgd en dat de zaak daarmee als beëindigd kan worden beschouwd.

2.7 Bij beschikking van 6 december 2000 heeft de rechtbank Roermond aan [appellant] op zijn verzoek ex artikel 591a Sv een vergoeding van ƒ 7.176,50 voor gemaakte (advocaat)kosten toegekend.

3.1 [appellant] vordert in dit geding dat de Staat hem (naast voormelde vergoeding) een vergoeding van € 14.764,53 (plus rente en kosten) toekent. Hij heeft daartoe gesteld dat de inbeslagneming van de auto onrechtmatig was, omdat achteraf is komen vast te staan dat er ten onrechte een verdenking jegens hem heeft bestaan. Hij heeft aangevoerd dat hij door het beslag schade heeft geleden wegens waardeverlies van de auto, extra te maken kosten en kosten voor herstel van bij de inbeslagname toegebrachte beschadigingen.

3.2 Bij tussenvonnis van 1 juni 2005 heeft de rechtbank geoordeeld, kort gezegd, dat de Staat niet aansprakelijk is uit onrechtmatige daad, omdat de inbeslagname niet is toegepast in strijd met de wet of met veronachtzaming van fundamentele vereisten en niet achteraf uit het strafvorderlijk onderzoek blijkt dat de verdenking op grond waarvan het dwangmiddel werd toegepast, ten onrechte jegens [appellant] heeft bestaan, nu de onschuld van [appellant] niet onomstotelijk uit het strafvorderlijk onderzoek blijkt. Voorts heeft de rechtbank [appellant] toegelaten te bewijzen dat de auto tijdens het beslag is beschadigd en dat hij de door hem gestelde herstelkosten heeft gemaakt.

3.3 Bij eindvonnis van 11 januari 2006 heeft de rechtbank vastgesteld dat de auto na het beslag is teruggegeven met beschadigingen die hij op het moment van inbeslagneming nog niet had, en dat [appellant] voor het herstel ƒ 1.635,12 (€ 741,99) heeft betaald, zodat de Staat dit bedrag aan [appellant] moet vergoeden. De rechtbank heeft de Staat veroordeeld in de proceskosten en het meer of anders gevorderde afgewezen.

4.1 [appellant] heeft zijn eerste grief gericht tegen het oordeel in het tussenvonnis dat de inbeslagneming rechtmatig was. [appellant] voert daartoe aan, kort gezegd, dat de inbeslagneming een veel te zware maatregel is geweest en ook veel te lang heeft geduurd. Deze grief faalt wegens het volgende.

4.2 Uit de stukken blijkt dat de auto in beslag is genomen op grond van de wet, namelijk op grond van artikel 94, eerste lid, Sv om de waarheid aan de dag te brengen. Uit de stukken blijkt niet dat daarbij in strijd met enig wettelijk vereiste of met veronachtzaming van fundamentele vereisten is gehandeld en [appellant] heeft daarover ook niets concreet aangevoerd.

4.3 [appellant] heeft aangevoerd dat hij heeft aangeboden om de auto onder zich te houden en niet te vervreemden. Dit aanbod brengt niet met zich dat inbeslagname onwettig of onredelijk wordt. De Staat mocht oordelen dat de auto niet onder [appellant] kon worden gelaten omdat aan de auto in verband met de daarmee begane misdrijven en de wijze van verkrijging door [appellant] (die als verdachte is gehoord) onderzoek moest worden gepleegd.

4.4 Het beslag heeft ruim tien maanden geduurd, (mede) omdat de officier van justitie een rechtshulpverzoek aan de Duitse autoriteiten heeft gedaan en dat onderzoek niet was afgerond. Aldus heeft de inbeslagname niet langer geduurd dan vanuit een oogpunt van onderzoeksbelang nodig was.

Dit wordt niet anders doordat een politieambtenaar aan [appellant] zou hebben gezegd dat het beslag zes tot acht weken zou duren, reeds omdat deze ambtenaar daarmee geen bindende toezegging aan [appellant] over de duur van het beslag heeft gedaan, noch heeft kunnen doen.

[appellant] heeft in hoger beroep in twijfel getrokken of er een rechtshulpverzoek is gedaan, omdat hij geen justificatoire bescheiden daarvan heeft gezien. Het hof gaat daaraan voorbij. Gelet op de signalering van de auto door Duitsland en de verklaring van [appellant] over de wijze waarop en degene van wie hij de auto had verkregen, was er alle aanleiding om een rechtshulpverzoek aan Duitsland te doen. Er is geen aanwijzing dat dit niet gebeurd is. Er is geen rechtsregel die de Staat verplicht om daarvan justificatoire bescheiden aan [appellant] te verstrekken.

4.5 [appellant] heeft aangevoerd dat, nadat hij een klaagschrift tegen de inbeslagname had ingediend en de rechtbank had gelast de auto aan hem terug te geven, het nog acht weken heeft geduurd voordat hij zijn auto daadwerkelijk in ontvangst kon nemen. Het hof stelt vast dat de auto zes weken na het onherroepelijk worden van de beschikking van de rechtbank, aan [appellant] is meegegeven. Dit is geen onredelijk lange termijn. [appellant] heeft ook geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat hij getracht heeft de auto eerder op te halen.

5.1 Met het slot van zijn eerste grief en met zijn tweede en derde grief komt [appellant] op tegen de overwegingen in het tussenvonnis die leidden tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdenking jegens [appellant] ten onrechte heeft bestaan. De tweede grief komt op tegen de toetsing van de vraag of van de onschuld van [appellant] is gebleken. [appellant] voert aan dat ‘onschuld’ een te zwaar criterium is. Voorts betoogt hij dat door de kennisgeving van de officier van justitie van 14 augustus 2000 en de uitspraak van de rechtbank in de klaagschriftprocedure duidelijk is geworden dat de verdenking jegens hem ten onrechte heeft bestaan. Met zijn derde grief wijst hij er op dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn stelling dat Autohaus Münch valse aangifte heeft gedaan en de verzekeringspenningen heeft geïncasseerd. [appellant] voert aan dat zijn betoog over Autohaus Münch aanleiding moest zijn te oordelen dat de verdenking jegens hem ten onrechte heeft bestaan.

5.2 Het hof stelt voorop dat een gewezen verdachte de Staat voor toepassing van een dwangmiddel aansprakelijk kan houden uit onrechtmatige daad, indien uit de stukken betreffende de strafzaak (dus uit het strafvorderlijk onderzoek) blijkt dat de verdenking ten onrechte heeft bestaan. Dit blijkt als is komen vast te staan dat de betrokkene onschuldig was. Wanneer uit de stukken niet blijkt dat de betrokkene onschuldig was, moet ervan worden uitgegaan dat de verdenking aan de in artikel 27 Sv neergelegde maatstaf beantwoordde en dat de strafvorderlijke maatregel niet onrechtmatig was. De grieven richten zich dus tevergeefs tegen de overweging van de rechtbank dat beoordeeld moet worden of de onschuld van [appellant] uit het strafvorderlijk onderzoek blijkt.

5.3 Anders dan [appellant] heeft betoogd, kan zijn onschuld niet op grond van de stukken betreffende het strafdossier (voorzover in het geding gebracht) worden vastgesteld. Noch uit het feit dat de zaak jegens hem is geseponeerd, noch uit het feit dat de rechtbank in haar beschikking van 4 mei 2000 niet aannemelijk achtte dat [appellant] niet te goeder trouw is geweest, blijkt dat [appellant] onschuldig was. Sepot kan immers ook om andere redenen dan wegens onschuld plaatsvinden. Uit de brief van de officier van justitie van 14 augustus 2000 blijkt niet dat de zaak is geseponeerd wegens gebleken onschuld. Uit de beschikking van de rechtbank van 4 mei 2000 blijkt dit evenmin. In de overwegingen van de rechtbank is slechts, terughoudend toetsend, een beslissing gegeven over de vraag of, en zo ja aan wie, de auto kan worden vrijgegeven en de gebezigde overwegingen hebben dus geen betrekking op het (toen nog lopende) strafrechtelijk onderzoek tegen [appellant].

Ook op grond van de verklaring van [appellant] zelf als verdachte tegenover de politie kan zijn onschuld niet worden vastgesteld. Niet is komen vast te staan dat de inhoud van deze verklaring volledig en juist is, zodat de mogelijkheid is blijven bestaan dat deze verklaring niet helemaal klopt of onvolledig is betreffende een eventuele betrokkenheid van [appellant]. Hetzelfde geldt voor de verklaring van [appellant] in de onderhavige procedure ter comparitie, waarop hij bij zijn derde grief een beroep doet (over valse aangifte en incasseren van verzekeringspenningen door Autohaus Münch). Bovendien maakt deze verklaring geen deel uit van de stukken betreffende de strafzaak, zodat daarop geen acht kan worden geslagen voor de vraag of de Staat aansprakelijk is op de grond dat achteraf uit het strafrechtelijk onderzoek blijkt dat de verdenking ten onrechte heeft bestaan.

Evenmin kan op grond van de stellingen van [appellant] dat hij geen criminele antecedenten heeft, zijn bedrijf te goeder naam en faam bekend staat, hij een gangbare prijs voor de auto heeft betaald en hij op normale wijze kenteken en importverklaring heeft aangevraagd, zijn onschuld worden vastgesteld. Het laat immers onverlet dat de auto van misdrijf afkomstig is en de door [appellant] afgegeven verklaring omtrent de wijze waarop en de persoon van wie hij de auto heeft verkregen, kan hiaten bevatten.

6.1 Uit het voorgaande volgt dat de eerste drie grieven ongegrond zijn.

6.2 De vierde grief mist zelfstandige betekenis en is daarom eveneens ongegrond.

7.1 De vijfde grief richt zicht tegen de afwijzing in het eindvonnis wegens gebrek aan specificatie van de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [appellant] heeft aangevoerd dat de buitengerechtelijke werkzaamheden van zijn raadsman hebben bestaan uit besprekingen met [appellant], met zijn accountant en met de expert van Expertisebureau Van Ameyde B.V. en uit het controleren van gegevens in Duitsland en het concipiëren van correspondentie.

7.2 Het hof overweegt dat van de buitengerechtelijke kosten alleen voor vergoeding door de Staat in aanmerking kunnen komen de redelijke kosten ter vaststelling van de kosten en aansprakelijkheid in verband met schade aan de auto tijdens de inbeslagneming. De hoofdvordering is immers voor het overige afgewezen omdat [appellant] de Staat ten onrechte aansprakelijk heeft gehouden.

[appellant] heeft niet gesteld dat (en waarom) voor het vaststellen van de schade aan de auto met een accountant en met de expert van Expertisebureau Van Ameyde B.V. moest worden gesproken en dat (en waarom) voor die schade gegevens in Duitsland moesten worden gecontroleerd.

Hij heeft evenmin voldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat er betreffende die schade besprekingen met hem moesten worden gevoerd en correspondentie is geconcipieerd, zonder dat dit diende ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak (waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding insluit). Enkel terzake van een brief van 28 juni 2002 heeft hij dit laatste gesteld. Dit betreft één brief terzake van alle gevorderde schade (ook vergoedingen waarop [appellant] geen aanspraak geldend kan maken). Voor wat betreft de gevorderde vergoeding wegens schade aan de auto tijdens de inbeslagname houdt deze brief slechts een eenvoudige aanmaning in. Daarvoor pleegt de proceskostenveroordeling een vergoeding in te houden.

7.3 Gelet op het voorgaande is ook de vijfde grief ongegrond.

8. Nu alle grieven falen, zal het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. [appellant] moet als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Tot die kosten behoren de nakosten. Het hof zal de nakosten, anders dan de Staat vraagt, nu niet vaststellen, omdat de vaststelling van de kosten ingevolge artikel 237, derde lid, Rv beperkt blijft tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt Janssen in de kosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van de Staat worden vastgesteld op € 440,- aan verschotten en € 894,- aan salaris voor de procureur, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de veroordeling in de proceskosten betreft.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.V. van den Berg, G. Dulek-Schermers en A.E.A.M. van Waesberghe en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2008 in aanwezigheid van de griffier.