Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC3292

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
348-H-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijdrage in kosten van verzorging en opvoeding minderjarige. Bijdrageplicht moeder; draagkracht vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 16 januari 2008

Rekestnummer : 348-H-07

Rekestnr. rechtbank : 06-511

[De vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. E.J.C. van Hartingsveldt,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur voorheen mr. J. Vermeulen, thans mr. J.R. Juriaans.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 12 maart 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 12 december 2006.

De moeder heeft op 13 april 2007 een verweerschrift ingediend.

Op 23 november 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de procureur van de vader, en de moeder, bijgestaan door haar procureur. De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking, waarbij de kinderalimentatie is bepaald op € 1.000,- per maand met ingang van 1 januari 2006.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige], geboren [in] 1999, hierna te noemen het kind.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar inleidend verzoek, althans dat verzoek af te wijzen. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt de vader te veroordelen in de proceskosten van deze procedure.

3. De vader stelt het volgende. In de tijd dat hij een horecaonderneming had werd er geleefd van gemiddeld € 1.000,- netto in de maand. Niet gebleken is dat het kind naast een bijdrage van de moeder, die inkomen uit een fulltime dienstbetrekking heeft, behoefte heeft aan een bijdrage van de vader van € 1.000,- per maand. De vader heeft ook niet de draagkracht om € 1.000,- per maand kinderalimentatie te betalen. De exploitatie van het café is gestaakt in 2004 en uit de verkoop van het café heeft hij geen geld ontvangen. Hij leeft van de verkoopopbrengst van zijn boot van € 15.000,- en vrienden stellen hem in staat in een oude auto te rijden. Hij betwist dat hij in een duur huis zou wonen en een luxe leven zou leiden. Hij probeert aan werk en inkomsten te komen maar dat is tot op heden niet gelukt. Hij is in Nederland een tijdlang niet belastingplichtig geweest en daardoor kan hij geen aangiften of aanslagen inkomstenbelasting overleggen. De administratie van het café heeft hij weggedaan. Hij biedt aan de heer [naam administrateur], die destijds de administratie deed, als getuige te laten horen over de financiële positie van het café en de stelling dat werd geleefd van kasopnamen van € 200,- à € 300,- per week.

4. De moeder heeft de stellingen van de vader gemotiveerd betwist. Kort gezegd stelt zij dat de stellingen niet zijn onderbouwd en ongeloofwaardig zijn. Het beroep van de vader moet worden verworpen en hij moet worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aldus de moeder.

5. Het hof overweegt het volgende. Gelet op het beroepschrift en de toelichting die de raadsman van de vader daarop ter terechtzitting van het hof heeft gegeven, richt het hoger beroep van de vader zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de moeder niet kan bijdragen in de kosten van het kind en het gehele eigen aandeel voor rekening van de vader komt, en dat de vader de draagkracht heeft om € 1.000,- per maand te kunnen betalen. Als niet, althans onvoldoende gemotiveerd bestreden staat vast dat het eigen aandeel van de ouders in de kosten van het kind (inclusief kosten kinderopvang) € 1.000,- per maand bedraagt.

Ieders aandeel in de kosten van verzorging en opvoeding

6. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij geen draagkracht heeft en daarom niet kan bijdragen in de behoefte van het kind heeft de moeder één loonstrook overgelegd. Daaruit blijkt van een maandinkomen boven bijstandsniveau. Zij heeft verder verklaard dat haar maandlasten hoog zijn, maar zij heeft haar lasten met geen enkel stuk onderbouwd en dat had, gelet op de betwisting door de vader, wel op haar weg gelegen. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden, dat de moeder niet kan bijdragen in de behoefte van het kind. Gelet op haar bruto maandinkomen van € 2.038,13, de van toepassing zijnde heffingskortingen, te weten de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de kinderkorting, de combinatiekorting, de aanvullende combinatiekorting, de alleenstaande-ouderkorting en de aanvullende alleenstaande-ouderkorting, de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder, de door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage Zvw van € 146,- per maand en een draagkrachtpercentage van 45 bepaalt het hof het aandeel van de moeder in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind in redelijkheid op € 360,- per maand.

Het aandeel van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind bedraagt dan € 640,- per maand.

Draagkracht van de vader

7. De vader heeft in eerste aanleg geen stukken ter onderbouwing van zijn stellingen ten aanzien van zijn draagkracht overgelegd. Ook in het hoger beroep, dat door hem is ingesteld, heeft de vader nagelaten zijn stellingen met stukken te onderbouwen, terwijl deze stellingen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gemotiveerd door de moeder zijn betwist. Het hof kan dan ook niet vaststellen, zoals door de vader wel is betoogd, dat zijn draagkracht een kinderalimentatie van € 1.000,- niet toelaat. De rechtbank heeft de draagkracht van de vader toereikend geoordeeld voor een alimentatie van € 1.000,- en zij heeft haar oordeel gegrond op overwegingen die dit oordeel kunnen dragen. Het hof merkt daarbij nog op dat het op de weg van de vader had gelegen om zijn stelling, dat hij in Nederland niet belastingplichtig is geweest en daarom geen aangiften en/of aanslagen inkomstenbelasting kan overleggen, nader te adstrueren, bijvoorbeeld door een schrijven van de fiscus terzake.

8. Het bewijsaanbod wordt door het hof gepasseerd, nu de feiten die de vader wil bewijzen niet relevant zijn voor de huidige draagkracht van de vader.

Conclusie

9. Gelet op het eigen aandeel van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind en de draagkracht van de vader bepaalt het hof de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind op € 640,- per maand. Nu de vader in eerste aanleg geen verweer heeft gevoerd tegen de ingangsdatum en daartegen ook geen grief heeft gericht zal het hof deze gelijk de rechtbank bepalen op 1 januari 2006.

10. Het hof ziet geen aanleiding om de vader te veroordelen in de kosten van deze procedure en wijst het verzoek van de moeder daartoe af. Het hof zal de proceskosten compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

11. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2006 op € 640,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Kamminga en Zonnenberg, bijgestaan door mr. Martens als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2007.