Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC2849

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
377-H-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1:401, lid 4 BW. In Aruba vastgestelde alimentatie. Wijzigingsverzoek niet onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 9 januari 2008

Rekestnummer. : 377-H-07

Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-4413

[verzoekster],

wonende op [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. I. Hüppler,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. W.B. Teunis.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [kind 1],

wonende op [woonplaats],

hierna te noemen: [kind 1],

2. [kind 2],

wonende op [woonplaats],

hierna te noemen: [kind 2].

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 16 maart 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 19 december 2006 van de rechtbank te ‘s-Gravenhage.

De vader heeft op 30 april 2007 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 17 oktober 2007, op 13 november 2007 en op 19 november 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Op 28 november 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de procureur van de moeder, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. R. Veerkamp. De moeder, [kind 1] en [kind 2] zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De verschenen personen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN DE VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage. Bij die beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad en met wijziging van de beschikking van 2 juni 2004 van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, de door de vader met ingang van 2 juni 2004 te betalen bijdrage ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding en in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind 1] en [kind 2] op nihil gesteld.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. Voorts stelt het hof het navolgende vast. Bij beschikking van 21 april 2004 van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Vóór de echtscheiding zijn [kind 1] en [kind 2] met de moeder op Aruba gaan wonen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de wijziging van de door de vader te betalen onderhoudsbijdragen ten behoeve van de (thans) jongmeerderjarigen:

[kind 1], geboren op [geboortedatum], verder: [kind 1], en

[kind 2], geboren op [geboortedatum], verder: [kind 2], hierna gezamenlijk ook: de jongmeerderjarigen.

Het hof gaat ervan uit dat de rechtbank in de bestreden beschikking de nihilstelling van de onderhoudsbijdragen abusievelijk heeft bepaald met ingang van 2 juni 2004, nu in de beschikking van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba een bijdrage is vastgesteld met ingang van 1 juli 2004. Het hof zal van deze laatste datum uitgaan.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn wijzigingsverzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen.

3. De vader bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de moeder niet in haar beroep te ontvangen, althans het hoger beroep van de moeder te verwerpen.

Ontvankelijkheid

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de vader ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in zijn inleidende verzoek. De moeder meent dat de alimentatieprocedure op Aruba naar behoren heeft plaatsgevonden en dat de vader tijdig op de hoogte was van de procedure, dan wel in ieder geval van de beschikking, zodat hij destijds hoger beroep had kunnen instellen. De vader heeft dit nagelaten en heeft dus kennelijk berust in de uitspraak, aldus de moeder. Zij meent dat een wijzigingsprocedure voor de vader niet open had moeten staan en dat de stelling van de vader dat de uitspraak bij aanvang niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan in deze zaak niet van toepassing is.

5. De vader stelt zich op het standpunt dat de procedure op Aruba niet naar behoren is verlopen en dat de rechtbank te ’s-Gravenhage hem terecht ontvankelijk heeft verklaard. Daarnaast stelt de vader zich op het standpunt dat de moeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar hoger beroep, omdat beide kinderen inmiddels meerderjarig zijn en dus zelf procespartij zijn.

6. Het hof overweegt als volgt. De vader heeft op grond van artikel 1:401 lid 4 BW wijziging van de kinderalimentatie verzocht, omdat volgens de vader de uitspraak van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Tussen partijen staat vast dat de vader in de procedure over de kinderalimentatie op Aruba geen verweer heeft gevoerd. Mitsdien komt het feit dat het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba destijds geen financiële gegevens van de vader heeft gezien in beginsel voor diens rekening. Niet is gesteld of gebleken dat dit in dit geschil anders is. Dit vormt evenwel geen beletsel voor een verzoek strekkende tot wijziging, zodat het hof van oordeel is dat een verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie op grond van artikel 1:401 lid 4 BW voor de vader openstond en dat de rechtbank hem derhalve terecht ontvankelijk heeft verklaard. Dit geldt ongeacht de vraag of de alimentatieprocedure op Aruba destijds naar behoren is gevoerd.

7. Ten aanzien van het hoger beroep van de moeder overweegt het hof als volgt. [kind 1] was reeds meerderjarig op het moment dat de beschikking van 2 juni 2004 van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba werd uitgesproken. Dit brengt mee dat het tijdvak waarop de alimentatie voor haar betrekking heeft, ziet op de periode dat zij meerderjarig is en zelfstandig procespartij. Nu [kind 1] zelf geen hoger beroep heeft ingesteld en niet is gesteld of gebleken dat [kind 1] haar moeder heeft gemachtigd namens haar in hoger beroep op te treden, stelt het hof vast dat ten aanzien van de alimentatie voor [kind 1] geen hoger beroep is ingesteld, zodat de bestreden beschikking voor zover het [kind 1] betreft in stand blijft. Dit is anders voor [kind 2]. [kind 2] was op het moment dat de moeder hoger beroep instelde reeds meerderjarig, doch de moeder heeft voor [kind 2] een machtiging van 14 maart 2007 overgelegd waaruit blijkt dat zij bij monde van haar procureur ook namens [kind 2] in de beroepsprocedure optreedt. Het hof stelt dan ook vast dat de moeder voor wat betreft [kind 2] zowel ten aanzien van de periode gedurende de minderjarigheid van [kind 2], als de periode gedurende de meerderjarigheid van [kind 2] ontvankelijk is in haar hoger beroep.

Omvang van het geschil

8. De vraag die eerst moet worden beantwoord, is de vraag over welk tijdvak de alimentatieverplichting bekeken dient te worden: 1. de periode van 1 juli 2004 tot heden, of 2. de periode van 1 juli 2004 tot [x]. Partijen verschillen van mening over de reikwijdte van de beschikking van 2 juni 2004 en de meerderjarigheidsgrens naar Arubaans recht. De vader stelt zich op het standpunt dat het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba bij beschikking van 2 juni 2004 aan de vader een alimentatieplicht ten behoeve van [kind 1] en [kind 2] heeft opgelegd slechts gedurende de periode dat zij minderjarig zijn en dat de meerderjarigheidsgrens – naar Arubaans recht – op 18 jaar ligt. Dit zou betekenen dat de onderhoudsplicht van de vader ten opzichte van [kind 2] is geëindigd op [x], de dag dat [kind 2] 18 jaar werd. De moeder stelt zich op het standpunt dat de alimentatieplicht van de vader geldt totdat de jongmeerderjarigen de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt en dat de meerderjarigheidsgrens op grond van Arubaans recht dus op 21 jaar moet liggen.

9. Het hof overweegt als volgt. Het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba heeft haar beslissing als volgt geformuleerd: “Bepaalt het bedrag dat de vader ten behoeve van (…) de minderjarigen (…) ingaande 1 juli 2004 (…) zal uitkeren op € 250 per kind per maand, zulks tot op de dag van hun meerderjarigheid.” Op grond van artikel 1:233 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba zijn minderjarig zij die de ouderdom van achttien jaren niet hebben bereikt (en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest of met toepassing van artikel 1:253ha meerderjarig zijn verklaard). Personen die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt zijn derhalve meerderjarig. Deze meerderjarigheidsgrens is niet gewijzigd sinds de datum van de bestreden beschikking. Dit brengt mee dat het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba de alimentatie ten behoeve van [kind 1] en [kind 2] slechts heeft vastgesteld tot het bereiken van ieders achttiende levensjaar. Op het moment dat [kind 1] en [kind 2] 18 jaar zijn geworden, is de alimentatieplicht op grond van de beschikking derhalve komen te vervallen. Overigens is de vader op grond van artikel 1:395a van het Burgerlijk Wetboek van Aruba wel onderhoudsplichtig ten opzichte van de jongmeerderjarigen totdat zij de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, doch nu het Gerecht voor dit tijdvak geen alimentatie heeft vastgesteld, zijn de jongmeerderjarigen aangewezen op het, zo zij daar behoefte aan hebben, instellen van een aparte vordering tegen hun vader om een onderhoudsbijdrage te verkrijgen voor de periode tussen hun achttiende en eenentwintigste levensjaar.

10. Uit het vorenstaande volgt dat onderhavig geschil zich beperkt tot de alimentatie ten behoeve van [kind 2] gedurende haar minderjarigheid, over het tijdvak van 1 juli 2004 tot [x] (de datum waarop zij meerderjarig werd).

Behoefte [kind 2]

11. De vader heeft de behoefte van [kind 2] aan een bijdrage in de kosten van haar verzorging en opvoeding niet betwist, zodat het hof uitgaat van een behoefte van [kind 2] zoals door het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba bij beschikking van 2 juni 2004 is bepaald.

Draagkracht vader

12. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de alimentatie op nihil heeft gesteld. Zij meent dat de vader immer draagkracht heeft gehad en nog steeds heeft om de vastgestelde alimentatie te betalen. De vader stelt zich op het standpunt dat hij geen draagkracht had, noch heeft, om de vastgestelde alimentatie te voldoen. De vader heeft zijn stelling echter niet met stukken onderbouwd. Het hof is van oordeel dat, gezien het feit dat de vader een wijziging van de alimentatie verzoekt omdat hij stelt geen draagkracht te hebben, het op zijn weg had gelegen om inzicht te verschaffen in zijn financiële positie. Nu de vader dit heeft nagelaten en derhalve niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij onvoldoende draagkracht had, gaat het hof er van uit dat de draagkracht van de vader de vastgestelde alimentatie gedurende het onder 10 vermelde tijdvak toeliet.

13. Uit het vorenstaande volgt dat er geen grond voor wijziging van de alimentatie is, zodat de bestreden beschikking voor zover het betreft de nihilstelling van de alimentatie ten behoeve van [kind 2] over het tijdvak 1 juli 2004 tot [x] dient te worden vernietigd.

14. Het hof komt daarmee niet meer toe aan de grief van de moeder aangaande de ingangsdatum van de nihilstelling.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar beroep ter zake van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1];

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] over het tijdvak van 1 juli 2004 tot [x] en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende verzoek van de vader over dit tijdvak alsnog af;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Stille en Labohm, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 januari 2008.