Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC2761

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-01-2008
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
2200014806
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BK6148, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BK6148
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedrijf C. heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het opstellen van valse jaarrekeningen, die daardoor geen juist beeld van de werkelijkheid gaven. Verdachte heeft daaraan feitelijk leiding dan wel daartoe opdracht gegeven. Voorts heeft verdachte feitelijk leiding gegeven aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het witwassen van gelden, het valselijk opmaken van facturen en het opzettelijk overtreden van wettelijke voorschriften met betrekking tot het identificeren van cliënten. Daarnaast werden in strijd met de wet een aantal geldelijke transacties niet of niet tijdig gemeld bij het meldpunt ongebruikelijke transacties. Met al dat handelen is de integriteit van en het vertrouwen in het financiële stelsel in Nederland en in Suriname ernstig geschaad.

Gevangenisstraf 4 jaren en 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000148-06

Parketnummer: 10-150076-02

Datum uitspraak: 28 januari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1964,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 17 december 2007, 19 december 2007, 3 januari 2008,

7 januari 2008, 8 januari 2008, 10 januari 2008 en 14 januari 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen bij inleidende dagvaarding, zoals op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader omschreven, vermeld staat en van welke nadere omschrijving tenlastelegging een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 5 primair en subsidiair en 11 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 3 primair, 4, 5 meer subsidiair, 6, 7 primair, 9 primair, 10 en 12 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is kennelijk niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak met betrekking tot feit 11.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Verzoek opheffing voorlopige hechtenis

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van verdachte het verzoek gedaan, strekkende tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte. Naar het oordeel van het hof zijn de ernstige bezwaren en gronden van de voorlopige hechtenis thans nog aanwezig.

Het verzoek van de raadsvrouw wordt derhalve afgewezen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verwerping van de openstaande verzoeken

1. Het hof wijst af de verzoeken voorzover die (kennelijk) betrekking hebben op de zaken Beuk respectievelijk Troost. Gelet op de in die zaken te nemen beslissingen bestaat op deze punten geen verdedigingsbelang respectievelijk noodzaak meer.

2. Het hof wijst voorts af de verzoeken tot het (opnieuw) horen van personen die reeds in de eerste aanleg als getuigen door de rechter-commissaris c.q. ter terechtzitting zijn gehoord. Hetgeen de verdediging ter onderbouwing van deze verzoeken heeft aangevoerd leidt tot de conclusie dat opnieuw horen in hoger beroep redelijkerwijs niet noodzakelijk is.

3. Het hof wijst verder de volgende verzoeken af omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat daarmee enig verdedigingsbelang is gemoeid.

A. Toevoeging van dossiers van andere strafzaken: Deze zaken hebben geen betrekking op verdachte; bovendien zijn deze verzoeken onvoldoende gespecificeerd.

B. Het horen van de officieren van justitie.

C. Het horen van de overige in de appelschriftuur genoemde personen, alsmede de in de appelschriftuur onder nr. 14 gedane verzoeken:

Uit de vage en onduidelijke onderbouwing van al deze verzoeken komt onvoldoende verdedigingsbelang naar voren. Voorzover deze verzoeken zijn gedaan met het oog op de stelling dat in het vooronderzoek onregelmatigheden hebben plaats gevonden merkt het hof voorts op dat die stelling op speculatie berust.

D. Toevoeging van de stukken genoemd in de appelmemorie onder nr. 16:

Deze stukken zijn niet van belang voor enige in deze zaak te nemen beslissing.

4. Voorzover de verdediging verder verzoeken heeft gedaan, wijst het hof die af omdat van verdedigingsbelang noch noodzaak is gebleken.

Verwerping van verweren

De verdediging heeft -behoudens hetgeen hierna is vermeld met betrekking tot de pleitnota van mr. Weski- ontvankelijkheids-, bewijs- en strafverminderingsverweren gevoerd, zoals is weergegeven in de hierna te noemen pleitnota's.

Het hof verwerpt deze verweren en overweegt daarbij als volgt.

i. Met betrekking tot het verweer genoemd in de pleitnota van mr. Berndsen over het ontbreken van dubbele strafbaarheid.

Naar 's hofs oordeel beschermen artikel 225 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht respectievelijk artikel 278 van het Surinaamse Wetboek van Strafrecht in wezen hetzelfde rechtsgoed. Hiermee is aan het vereiste van dubbele strafbaarheid als genoemd in artikel 5 lid 1 onder 2 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht voldaan.

ii. Met betrekking tot de verweren genoemd in de pleitnota van mr. Meijering.

Deze verweren hebben betrekking op de zaken Beuk respectievelijk Troost. Gelet op de in die zaken te nemen beslissingen kunnen deze verweren buiten beschouwing blijven.

iii. Met betrekking tot de verweren genoemd in de pleitnota van mr. Weski.

Als vooropmerking geldt dat hetgeen op de pagina 37 onder het kopje Het afluisteren van de geheimhouders en op de pagina's 39 en 40 onder het kopje beginnende met De zaak Paramaribo niet ter terechtzitting in hoger beroep is voorgedragen, zodat het hof aan hetgeen daar is gesteld voorbij zal gaan.

1.Voorzover de verweren betrekking hebben op de zaken Beuk respectievelijk Troost behoeven deze geen bespreking gelet op de in deze zaken te nemen beslissingen.

2. Aan de verdediging kan worden toegegeven dat het onderzoek in de onderhavige zaak zeer langdurig is geweest. Daaruit volgt echter nog niet dat -zo begrijpt het hof de stelling van de verdediging- hier sprake is van een onderzoek dat telkens op grond van onvoldoende serieuze aanwijzingen -en mogelijk zelfs tegen beter weten in- door politie en justitie is gestart en vervolgens steeds voortgezet. Het hof verwijst in dit verband naar de inhoud van de volgende processen-verbaal:

Aspa:

een op 8 augustus 2001 gesloten proces-verbaal van A.I. van Nieuwenhoven, nummer KT 027/2001;

een op 9 augustus 2001 gesloten proces-verbaal van W.A. Engels, nummer 078-2001;

een op 14 augustus 2001 gesloten proces-verbaal van W.A. Engels, nummer 079-2001;

een op 15 augustus 2001 gesloten proces-verbaal van M.H. Schuckmann, CIDKMAR no: 21005117;

een op 20 september 2001 gesloten proces-verbaal van A.I. van Nieuwenhoven, nummer KT 029/2001;

een op 1 juli 2002 gesloten proces-verbaal van J.B. Teunissen, nummer: 072-2002;

Ficus:

een op 8 juli 2002 gesloten proces-verbaal van M.J.C van Dipte en C.J. Mol, documentcode: 0207041500.BOB;

een op 16 juli 2002 gesloten proces-verbaal van E.M. de Vries, nummer 239/2002;

een op 20 november 2002 gesloten proces-verbaal van M.J.C van Dipte en C.J. Mol, documentcode: 02111812000.BOB;

een op 27 november 2002 gesloten proces-verbaal van E.M. de Vries, nummer 318/2002;

een op 16 december 2002 gesloten proces-verbaal van W.A.M. Coenen, nummer KT 16.2002;

een op 16 december 2002 gesloten proces-verbaal van W.A.M. Coenen, nummer KT 17.2002;

een op 18 december 2002 gesloten proces-verbaal van W.A.M. Coenen, nummer KT 22.2002;

een op 27 november 2003 gesloten proces-verbaal van M.J.C. van Dipte, documentcode 0311271128.BOB.

Hetgeen in deze processen-verbaal is gerelateerd levert mede in onderling verband bezien voldoende grond op voor instelling respectievelijk voortzetting van een strafrechtelijk onderzoek c.q. het toepassen van dwangmiddelen/bijzondere opsporingsmethoden ten aanzien van verdachte.

Voorts is niet aannemelijk geworden dat ontlastende gegevens buiten het dossier zijn gehouden of door tijdverloop verloren zijn gegaan. Evenmin is aannemelijk geworden dat de rechter-commissaris door bepaalde CIE-informatie is misleid.

3. Op grond van het opportuniteitsbeginsel staat het aan het openbaar ministerie in beginsel vrij om -binnen de

grenzen van een behoorlijke procesorde- te bepalen tegen wie wel of niet een opsporingsonderzoek wordt gevoerd

en/of tegen wie een strafvervolging wordt ingesteld.

Het enkele feit dat het openbaar ministerie andere personen niet heeft vervolgd, impliceert op zich nog geen schending van het gelijkheidsbeginsel.

4. Met betrekking tot hetgeen door de verdediging is gesteld ten aanzien van de opsporingshandelingen in Suriname geldt het volgende. Op grond van het vertrouwensbeginsel dient er in principe van te worden uitgegaan dat de uitvoering van een rechtshulpverzoek geschiedt in overeenstemming met het recht van de uitvoerende staat en zonder schending van fundamentele rechtsbeginselen.

Feiten of omstandigheden die gerede twijfel zouden doen rijzen ten aanzien van de vraag of dat ook in het onderhavige geval zo is gegaan zijn onvoldoende aannemelijk geworden. Het hof wijst in dit verband ook op de brief van de Surinaamse procureur-generaal aan de officier van justitie mr. Schram d.d. 12 juli 2005.

Met betrekking tot het door de verdediging gestelde aftappen van telefoongesprekken verwijst het hof naar hetgeen op dit punt door de officier van justitie mr. Schram is meegedeeld ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof acht die mededeling geloofwaardig.

Tenslotte merkt het hof op dat de verdediging voldoende in de gelegenheid is gesteld om betrokken politiefunctionarissen te ondervragen over de gang van zaken bij de uitvoering van het rechtshulpverzoek in Suriname.

5. Met betrekking tot de rol van de Nederlandse Bank:

Geen rechtsregel verbiedt het openbaar ministerie te handelen zoals het heeft gedaan. Met name komt dat handelen niet neer op de inzet van een bijzondere opsporingsmethode.

6. Met betrekking tot OVC op cel:

De inzet van dit opsporingsmiddel is naar 's hofs oordeel niet als onrechtmatig te beschouwen. Aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan, terwijl van een schending van het zwijgrecht geen sprake is.

Overweging met betrekking tot de redelijke termijn

Naar het oordeel van het hof is er in de onderhavige zaak, hoewel er geruime tijd is verlopen tussen de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld, te weten 11 maart 2005, en het wijzen van het onderhavige arrest, geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, nu het om een grote, gecompliceerde strafzaak gaat met meerdere, gelijktijdig terecht staande verdachten, waarin mede op verzoek van de verdachte diverse nadere onderzoeken - mede in het buitenland - hebben plaatsgevonden.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 primair en subsidiair, 5 primair en subsidiair en 6 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ter zake van feit 3 overweegt het hof daarbij nog het volgende.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, is naar het oordeel van het hof onvoldoende komen vast te staan dat de verdachte (enig onderdeel van) het hem in de zaak Troost ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde getuige [getuige 1] kan door het hof niet worden vastgesteld welke van zijn vele verschillende verklaringen overeenkomstig de waarheid is, zodat naar

's hofs oordeel geen van [getuige 1] verklaringen voor het bewijs bruikbaar is.

Voorts overweegt het hof dat de door het openbaar ministerie gestelde betrokkenheid van verdachte bij het bedrijf [bedrijf A] niet is komen vast te staan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4, 5 meer subsidiair, 7 primair,

9 primair, 10 en 12 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging met betrekking tot de feiten 7, 9, 10 en 12

Uit de gebezigde bewijsmiddelen valt naar 's hofs oordeel het volgende af te leiden.

i. Verdachte had weliswaar geen formele band met het bedrijf [bedrijf B.], maar was niettemin -globaal gezegd- degene die het binnen dat bedrijf feitelijk voor het zeggen had.

ii. Verdachte bemoeide zich vanuit die positie met de gang van zaken binnen [bedrijf B.], zowel -intensief- met de bedrijfsvoering in engere zin alsook -onder omstandigheden- met personeelsaangelegenheden.

Redelijkerwijs laat dit geen andere conclusie toe dan dat verdachte ervan op de hoogte was dat door [bedrijf B.] met enige regelmaat misdrijven werden gepleegd als genoemd in het onder 7, 9, 10 en 12 bewezenverklaarde, maar dat hij -minst genomen- dat heeft aanvaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven en/of terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Ten aanzien van het onder 5 meer subsidiair bewezenverklaarde:

Witwassen, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Ten aanzien van het onder feit 7 primair bewezenverklaarde:

Deelneming als leider aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van het onder feit 9 primair bewezenverklaarde:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Ten aanzien van het onder feit 10 bewezenverklaarde:

Opzettelijk overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, eerste lid, van de Wet identificatie bij dienstverlening, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging .

Ten aanzien van het onder 12 bewezenverklaarde:

Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 3 primair, 4, 5 meer subsidiair, 6, 7 primair, 9 primair, 10 en 12 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

[bedrijf C.] heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het opstellen van valse jaarrekeningen, die daardoor geen juist beeld van de werkelijkheid gaven. Verdachte heeft daaraan feitelijk leiding dan wel daartoe opdracht gegeven. Voorts heeft verdachte feitelijk leiding gegeven aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het witwassen van gelden, het valselijk opmaken van facturen en het opzettelijk overtreden van wettelijke voorschriften met betrekking tot het identificeren van cliënten. Daarnaast werden in strijd met de wet een aantal geldelijke transacties niet of niet tijdig gemeld bij het meldpunt ongebruikelijke transacties. Met al dat handelen is de integriteit van en het vertrouwen in het financiële stelsel in Nederland en in Suriname ernstig geschaad.

In het voordeel van verdachte heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte, blijkens het hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 november 2007, niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 51, 57, 140 (oud), 140, 225 (oud), 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, op artikel 2 (oud) van de Wet identificatie bij dienstverlening, artikel 9 (oud) van de Wet melding ongebruikelijk transacties en de artikelen 1 (oud), 2 (oud) en 6 (oud) van de Wet op de economische delicten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 primair en subsidiair, 5 primair en subsidiair en 6 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 4, 5 meer subsidiair, 7 primair, 9 primair, 10 en 12 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

vier jaar en zes maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. P.J. Wurzer, mr. M.P.J.G. Göbbels en mr. C.M.P. Flint-Van Noort, in bijzijn van de griffiers M. van der Mark en mr. I. Appel.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 januari 2008.