Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC2753

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-01-2008
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
2200182706
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee ernstige overtredingen van de Opiumwet met betrekking tot harddrugs. Gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001827-06

Parketnummer: 10-150155-03

Datum uitspraak: 28 januari 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1940,

[adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 10 december 2007 en 14 januari 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen bij inleidende dagvaarding, zoals op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader omschreven, vermeld staat en van welke nadere omschrijving tenlastelegging een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de dagvaarding nietig verklaard ten aanzien van het negende en tiende gedachtestreepje van de als 1 primair tenlastegelegde verlengde invoer en is de verdachte van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging, en daartoe gesteld hetgeen is weergegeven op pagina 1 tot met pagina 6 van de pleitnota, onder: Niet- ontvankelijkheid van het OM, Gelijkheidsbeginsel, en De niet-ontvankelijkheid van het OM in het algemeen.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

1. Het hof stelt voorop dat een rechterlijke beslissing tot toewijzing van een vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging nimmer tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging kan leiden.

Voorzover de raadsman heeft bedoeld te betogen dat het feit dat het OM de vordering nadere omschrijving pas op een laat tijdstip heeft gedaan, tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie zou moeten leiden, verwerpt het hof dit verweer omdat het geen steun vindt in het recht.

De gestelde afwijzing van deze vordering in zaken van medeverdachten maakt dit niet anders.

2. Op grond van het opportuniteitsbeginsel staat het aan het openbaar ministerie in beginsel vrij om binnen de grenzen van een behoorlijke procesorde te bepalen tegen wie wel of niet een opsporingsonderzoek wordt gevoerd en/of tegen wie een strafvervolging wordt ingesteld.

Het enkele feit dat het openbaar ministerie [persoon A.] niet als verdachte heeft aangemerkt impliceert op zich nog geen schending van het gelijkheidsbeginsel, ook niet tegen de achtergrond van hetgeen de raadsman op pagina 4 van zijn pleitnota ter onderbouwing van zijn standpunt aanvoert.

Die feiten/omstandigheden leiden namelijk niet tot de gevolgtrekking dat hier sprake is van (in wezen) gelijke zaken tegen gelijke verdachten.

Met betrekking tot [persoon B.] heeft hetzelfde te gelden. Overigens dient daar mede in aanmerking te worden genomen dat het openbaar ministerie de beslissing over een eventuele vervolging aan de Surinaamse autoriteiten heeft gelaten, hetgeen het openbaar ministerie vrij stond.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verwerping van een beroep op bewijsuitsluiting

De raadsman heeft een formeel bewijsverweer gevoerd, zoals weergegeven op pagina 6/7 van de pleitnota onder 'Bewijsuitsluiting'.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Het enkele feit dat de door verdachte vóór 6 juni 2003 gevoerde telefoongesprekken zijn opgenomen in het onderzoek tegen een andere verdachte kan op zich niet tot de conclusie leiden dat die gesprekken in de onderhavige strafzaak van het bewijs moeten worden uitgesloten.

Niet aannemelijk is geworden dat hier sprake is van détournement de pouvoir of ander onjuist handelen van het openbaar ministerie. Hierbij neemt het hof met name in aanmerking dat de stelling van de raadsman, inhoudende dat als één van de verdachten op zijn naam wordt getapt en uit deze taps vervolgens een andere verdachte naar voren komt, de zaak in dat geval tevens op naam van die andere verdachte dient te worden gezet, geen steun vindt in het recht.

De telefoongesprekken waarop het verweer betrekking heeft kunnen mitsdien voor het bewijs worden gebruikt.

Overweging met betrekking tot de redelijke termijn

Naar het oordeel van het hof is er in de onderhavige zaak, hoewel er geruime tijd is verlopen tussen de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld, te weten

8 februari 2005, en het wijzen van het onderhavige arrest, geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, nu het om een grote, gecompliceerde strafzaak gaat met meerdere, gelijktijdig terecht staande verdachten, waarin mede op verzoek van de verdachte diverse nadere onderzoeken - mede in het buitenland - hebben plaatsgevonden.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen cumulatief/alternatief aan de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt daartoe dat niet is komen vast te staan dat er daadwerkelijk een hoeveelheid cocaïne door verdachte dan wel door zijn mededaders binnen het grondgebied van Nederland is gebracht, een en ander zoals tenlastegelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverwegingen

1. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte bepleit dat de verklaringen van

[medeverdachte] niet betrouwbaar kunnen worden geacht, een en ander zoals weergegeven in zijn pleitnota op pagina 16/17 van zijn pleitnota onder Verklaringen van [medeverdachte].

Het hof verwerpt dit verweer, nu deze verklaringen naar het oordeel van het hof wel betrouwbaar zijn, mede omdat zij voldoende consistent zijn en genoegzaam steun vinden in andere bewijsmiddelen.

2. Het hof acht de verklaring die verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 december 2007 heeft gegeven voor de in de zaak Koningsbosch tot bewijs gebezigde telefoontaps ongeloofwaardig, mede gelet op de inhoud van de overige bewijsmiddelen in deze zaak, alsmede op het feit dat verdachte in eerste aanleg op dit punt een afwijkende lezing heeft gegeven.

3. Met betrekking tot feit 1:

Uit de bewijsmiddelen is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat er - hoewel geen materiaal is aangetroffen - daadwerkelijk sprake is geweest van cocaïne, mede gelet op de verklaringen van de verdachten ter zake.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid (oud) van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden door een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee ernstige overtredingen van de Opiumwet met betrekking tot harddrugs.

De ernst daarvan behoeft geen betoog.

Voorts is komen vast te staan dat verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie

d.d. 28 november 2007, eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 (oud) en 10a (oud) van de Opiumwet en de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

6 (zes) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. P.J. Wurzer,

mr. M.P.J.G. Göbbels en mr. C.M.P. Flint-Van Noort, in bijzijn van de griffier mr. I. Appel.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 januari 2008.