Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BC2065

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
216-H-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belang bij verzoek echtscheiding nu deze naar Irakees recht niet vaststaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 12 december 2007

Rekestnummer : 216-H-07

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-4093

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. B.D.W. Martens,

tegen

[verweerster],

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 14 februari 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 15 november 2006.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

Op 7 november 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. L.C.J. Sars. De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De man en zijn raadsman hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN DE VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage. Bij die beschikking is het verzoek van de man om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de afwijzing van het verzoek van de man om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tussen partijen de echtscheiding uit te spreken.

3. De man stelt in zijn grief dat de rechtbank in de bestreden beschikking ten onrechte zijn verzoek tot echtscheiding heeft afgewezen omdat partijen reeds van echt gescheiden zijn. De man voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte acht heeft geslagen op de door de man overgelegde kopie van de vertaling van het verstekvonnis van de rechtbank voor burgerlijke zaken van [plaats] (Irak). Volgens de rechtbank blijkt uit deze overgelegde kopie dat de rechtbank van [plaats] op 20 augustus 2003 de ontbinding van het op 3 september 1993 te Sulaimanyia gesloten huwelijk van partijen heeft uitgesproken door enkelvoudige scheiding. De man stelt dat er bij de Nederlandse overheid twijfels zijn gerezen omtrent de echtheid van de overgelegde kopie. Hij beroept zich hierbij op een brief van de gemeente [woonplaats] van 13 februari 2007. Over de mogelijkheden om de echtheid alsnog te laten vaststellen beschikt de man niet. De man meent derhalve dat op de echtscheidingsakte uit Irak geen acht dient te worden geslagen, en dat de rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan dat deze zich voor erkenning leende. Voorts stelt de man dat dit een verzoek tot echtscheiding naar Nederlands recht niet in de weg had behoeven te staan, althans voor zover het huwelijk nog zou bestaan.

4. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting overweegt het Hof als volgt. De door de man aangevoerde grief treft doel nu de echtheid van de door de man overgelegde kopie van de vertaling van het verstekvonnis voor burgerlijke zaken van de rechtbank te [plaats] van 20 augustus 2003 niet bewezen kan worden. Uit de bovengenoemde brief van de gemeente [woonplaats] blijkt dat er gegronde twijfels omtrent de echtheid van de overgelegde kopie zijn gerezen, om welke reden de gemeente [woonplaats] geen medewerking heeft verleend aan erkenning of inschrijving van het stuk in de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA). Het heeft de gemeente [woonplaats] bevreemd dat de man gedurende zijn verblijfsperiode in Nederland kans heeft gezien om aan stukken te komen uit Irak die zijn echtscheiding aan zouden tonen. Tevens beroept de gemeente [woonplaats] zich op de bevindingen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna IND). Uit de zogenaamde Verklaring van Onderzoek van de IND blijkt dat het hoogstwaarschijnlijk geen echt document betreft.

5. In het licht van het bovenstaande is het hof van oordeel dat er bij de gemeente terecht gerede twijfels zijn gerezen omtrent de echtheid van bovengenoemd stuk en heeft de gemeente naar het oordeel van het hof terecht geen medewerking verleend aan erkenning of inschrijving van het stuk. Aannemelijk is dat de man niet over de mogelijkheden beschikt om de echtheid alsnog te laten vaststellen. Er dient op de echtscheidingsakte uit Irak derhalve geen acht te worden geslagen. Hieruit volgt dat partijen nog niet reeds zijn gescheiden.

6. De man heeft onbetwist verzocht Nederlands recht toe te passen op zijn verzoek tot echtscheiding. Nu partijen reeds geruime tijd gescheiden leven, de man een nieuwe partner heeft en hij de huwelijkse band niet wenst te herstellen, is er sprake van een duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen. Het verzoek tot echtscheiding van de man is derhalve voor toewijzing vatbaar.

7. Mitsdien moet als volgt worden beslist.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

spreekt tussen partijen de echtscheiding uit.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Dusamos en Pannekoek-Dubois, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2007.