Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BC2057

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
258-H-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Behoeftebepaling "ex-pat" en draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 19 december 2007

Rekestnummer. : 258-H-07

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-2831

[appellante],

wonende te ‘s-Gravenhage,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. E.D.A. Geleijns,

tegen

[verweerder],

wonende te ‘s-Gravenhage,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. E.M. van Hilten-Kostense.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 23 februari 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 24 november 2006.

De man heeft op 6 april 2007 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 2 mei 2007 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 6 april 2007 en 26 september 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 27 september 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Op 5 oktober 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar procureur, en de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. F.C. de Wit-Facchetti. Partijen hebben het woord gevoerd, mr. F.C. de Wit-Facchetti onder meer aan de hand van een bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank ‘s-Gravenhage. Bij die beschikking is onder meer met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, de door de man te betalen alimentatie ten behoeve van de vrouw bepaald op € 663,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep is voorts komen vast te staan:

De echtscheidingsbeschikking is op 13 februari 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE¬LE HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man te betalen alimentatie ten behoeve van de vrouw.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking voor wat betreft de partneralimentatie te vernietigen en, in zoverre opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen tot het betalen van een partneralimentatie aan haar van € 2.600,- per maand, vanaf de datum dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3. De man bestrijdt haar beroep en verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de vrouw af te wijzen voor zover dit betrekking heeft op de correctie wegens de Ohra-schuld en de ziektekosten van de man en in incidenteel appel de bestreden beschikking voor wat betreft de partneralimentatie te vernietigen en, in zoverre opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man geen partneralimentatie aan de vrouw hoeft te betalen, nu de vrouw zelf in haar levensonderhoud kan voorzien, althans een zodanig bedrag zoals het hof zal vermenen te behoren.

4. De vrouw verzet zich daartegen.

De behoefte van de vrouw

5. De vrouw is van mening dat de rechtbank ten onrechte haar behoefte heeft vastgesteld op € 1.765,41 netto per maand. Zij is van mening dat de welstand van partijen ten tijde van hun verblijf in Kazachstan - gedurende de periode van 1998 tot 2001 - bepalend is voor haar behoefte. In aanmerking genomen die welstand begroot de vrouw haar behoefte op € 4.826,50 netto per maand. De vrouw heeft een behoefteberekening overgelegd, die zij heeft gestaafd met stukken.

6. Ook de man is van mening dat de rechtbank op onjuiste wijze de behoefte van de vrouw heeft vastgesteld. Volgens hem is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in de periode dat zij in Praag woonden. Partijen zijn, zo stelt de man, in 2005 feitelijk uiteen gegaan. Het gezinsinkomen van partijen in die periode dient dan ook als uitgangspunt te worden genomen. De door de vrouw overgelegde behoefteberekening heeft de man gemotiveerd betwist.

7. Het hof overweegt als volgt. Partijen hebben ten tijde van hun huwelijk een aantal jaren in het buitenland gewoond, in verband met het werk van de man. In de periode van 1998 tot 2001 woonden zij in Kazachstan. Daarna zijn zij verhuisd naar Praag, alwaar zij van 2001 tot juli 2004 hebben gewoond. In 2005 zijn partijen feitelijk uiteen gegaan.

8. De vrouw is, als gezegd, van mening dat de welstand van partijen ten tijde van hun verblijf in Kazachstan bepalend is voor het vaststellen van haar behoefte.

9. In de periode voorafgaand aan het verblijf van partijen in Kazachstan had de man, volgens zijn opgave ter zitting, een basisinkomen van ongeveer € 80.000,- à € 90.000,- per jaar. Ook de vrouw genoot in die periode inkomen. Zij werkte in het onderwijs, het hof begrijpt: gedurende drie/kwart gedeelte per week.

10. Ten tijde van het verblijf van partijen in Kazachstan, ontving de man van zijn werkgever een hoge expatvergoeding. Ter zitting heeft de vrouw, desgevraagd, een toelichting gegeven op deze expatvergoeding. Volgens de vrouw had de expatvergoeding, voor een deel, te maken met de specifieke omstandigheden in Kazachstan, het hof begrijpt: de hoge kosten die verbonden waren aan hun verblijf in Kazachstan. De vrouw heeft in dit verband verklaard dat partijen ‘bakken met geld uitgaven’. Ter illustratie gaf de vrouw aan dat de prijs van een biertje, op skivakantie 10 US Dollar bedroeg.

11. Het hof is, aanmerking genomen voormelde omstandigheden, van oordeel dat de expatvergoeding, die de man ten tijde van het verblijf van partijen in Kazachstan ontving, niet als een behoefteverhogende factor ten behoeve van de vrouw kan worden aangemerkt. De expatvergoeding had betrekking op het verblijf in het buitenland. Gezien het karakter van een dergelijke uitkering kan een onderhoudsgerechtigde niet in redelijkheid betogen dat op dit bijkomende inkomstenbestanddeel haar behoefte mede moet worden vastgesteld.

12. Het hof is van oordeel dat voor de berekening van de behoefte van de alimentatiegerechtigde gekeken dient te worden naar het reguliere inkomen van partijen in de laatste jaren van hun huwelijk, zonder expatvergoeding, en het uitgavenpatroon in de laatste jaren, niet rekening houdend met de uitgaven die betrekking hebben op het verblijf in het buitenland. Voorts zal het hof voor de vaststelling van de behoefte meewegen de concrete gegevens die betrekking hebben op de uitgaven van de vrouw, nu de vrouw een behoefteberekening heeft overgelegd, welke het hof ter zitting met partijen heeft besproken.

13. De vrouw heeft haar behoefte overeenkomstig die berekening begroot op € 4.826,50 netto per maand. Het hof zal hierna ingaan op de posten die de man gemotiveerd heeft weersproken.

14. Het hof houdt rekening met de huur van € 1.500,- per maand, aangezien het hof die huur in aanmerking genomen de stand en fortuin van het huwelijk redelijk acht.

15. Het hof houdt geen rekening met de premie levensverzekering van € 248,22 per maand, nu deze verzekering vermogensvormend is.

16. Het hof houdt evenmin rekening met de premie opstalverzekering van € 46,04 per maand, aangezien deze verzekering betrekking heeft op de vakantiewoning van de vrouw.

17. Het hof houdt ook geen rekening met de niet vergoede ziektekosten van € 72,- per maand, nu de vrouw die kosten niet door middel van het overleggen van stukken heeft onderbouwd.

18. Ter zake van de afschrijving van de auto houdt het hof in redelijkheid rekening met een bedrag van € 250,- per maand.

19. Het hof houdt geen rekening met de afbetalingsregeling aan OHRA, aangezien tussen partijen vast staat dat ieder van hen de helft van deze schuld uit hun vermogen zal voldoen.

20. Met de door de vrouw opgevoerde kosten ten behoeve van de zoon van partijen (collegegeld van € 128,35 per maand en bijdrage studie van € 90,76 per maand) houdt het hof geen rekening, nu die kosten geen betrekking hebben op de vrouw.

21. Met de overige door de vrouw in haar behoefteberekening opgevoerde lasten houdt het hof wél rekening. De man heeft die posten niet gemotiveerd weersproken.

22. Op basis van het vorenstaande begroot het hof de behoefte van de vrouw in redelijkheid op een bedrag van € 3.879,99 netto per maand.

De behoeftigheid van de vrouw

23. De man stelt dat de vrouw in staat kan worden geacht in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd weersproken.

24. Het hof overweegt als volgt. Ter zitting heeft de man zijn stelling dat de vrouw zelf in haar levensonderhoud kan voorzien toegelicht. Hij heeft verklaard dat hij niet van de vrouw verwacht dat zij vijf dagen in de week werkt. De man verwacht van de vrouw, hij acht dat redelijk, als zij gedurende, tenminste, achttien uur per week betaalde arbeid verricht.

25. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij thans twaalf uur per week werkt en dat haar arbeidscontract afloopt per 30 november 2007. De vrouw is van mening dat niet van haar verlangd kan worden dat zij in haar eigen levensonderhoud voorziet.

26. Het hof stelt aan de hand van de door haar overgelegde loonstroken vast dat de vrouw een inkomen geniet van € 237,44 bruto per week. Het hof is van oordeel dat niet van de vrouw verlangd kan worden dat zij volledig in haar eigen levensonderhoud voorziet. Het hof is wel van oordeel dat de vrouw in staat moet worden geacht haar inkomen na 30 november 2007 te continueren. Daartoe overweegt het hof dat de vrouw in het verleden altijd heeft gewerkt en derhalve over werkervaring beschikt. De leeftijd van de vrouw acht het hof geen beperkende factor voor het vinden van een nieuwe baan. Daarnaast is het hof van oordeel dat van de vrouw verlangd mag worden dat zij zich inspant om haar werkzaamheden enigszins uit te breiden. Het hof denkt daarbij aan het door de man aantal gemelde uren van 18 uur per week. De zorg die de vrouw voor de zoon van partijen heeft, staat daar naar het oordeel van het hof niet aan in de weg. Het hof gaat er thans van uit dat haar inkomen € 237,44 bruto per week bedraagt.

27. De man stelt voorts dat bij het bepalen van de behoefte van de vrouw aan een bijdrage ten laste van hem rekening gehouden moet worden met de bijdrage die zij iedere maand van haar vader ontvangt.

28. De vrouw is van mening dat geen rekening gehouden moet worden met deze bijdrage, nu die bijdrage is bedoeld als voorschot op de erfenis van haar vader en bestemd is voor de woonlasten van vakantiewoning van de vrouw.

29. Het hof stelt vast dat de vrouw iedere maand een bijdrage van haar vader ontvangt. Dit bedrag is inmiddels verhoogd van € 1.805,- netto per maand naar, uiteindelijk, € 2.190,12 netto per maand. Het hof acht het redelijk met deze, verhoogde, bijdrage rekening te houden bij het bepalen van de behoefte van de vrouw aan een bijdrage ten laste van de man. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat er aan de zijde van de vrouw sprake is van een constante inkomensstroom. De vrouw stelt weliswaar dat haar vader de bijdrage overmaakt op voorwaarde dat de vrouw het geld in onroerend goed investeert. Echter, het hof is van oordeel dat de keuze van de vrouw om de bijdrage aan te wenden voor de woonlasten van een kostbare vakantiewoning, niet kan rechtvaardigen dat daarmee bij het vaststellen van een bijdrage ten laste van de man geen rekening wordt gehouden.

30. De vrouw is van mening dat de rechtbank het fictief rendement over haar vermogen te hoog heeft vastgesteld. Volgens haar is de vakantiewoning minder waard dan de rechtbank heeft aangenomen, namelijk een bedrag van € 490.000,-. Het fictief rendement uit haar vermogen bedraagt volgens de vrouw dan ook geen € 467,37 netto per maand, maar € 94,04 netto per maand.

31. De man betwist dat de vakantiewoning van de vrouw € 490.000,- waard is. Volgens hem is de vakantiewoning minimaal € 620.000,- waard.

32. Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft ter staving van haar stelling dat de vakantiewoning € 490.000,- een taxatierapport overgelegd. Het hof stelt de waarde van de vakantiewoning van de vrouw vast overeenkomstig het door haar overgelegde taxatierapport, derhalve op een bedrag van € 490.000,- Het hof overweegt daartoe dat het taxatierapport is uitgebracht door een deskundige, zodat het hof er van uit gaat dat het taxatierapport een objectieve weergave bevat van de waarde van de vakantiewoning. Het hof ziet in de niet onderbouwde stellingen van de man geen aanleiding tot een ander oordeel te komen.

33. Het hof stelt vast dat op de vakantiewoning een hypothecaire schuld rust van totaal € 430.000,-. Rekening houdende met een gemiddeld rendement uit vermogen van 4 %, het heffingsvrije vermogen, en een belastingpercentage van 30%, stelt het hof het fictieve rendement uit vermogen van de vrouw vast op € 94,04 netto per maand.

34. Het hof houdt, tegen de achtergrond van de afspraak dat partijen de bonus van de man ieder jaar bij helfte verdelen, en de beslissing van de rechtbank omtrent de gevolgen daarvan voor de draagkracht (ook) geen rekening met die bonus bij de behoefte.

35. Het hof zal hierna vaststellen in hoeverre de draagkracht van de man het voldoen van een partneralimentatie aan de vrouw toelaat.

De draagkracht van de man

36. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte niet volledig rekening heeft gehouden met de daggeldvergoeding van € 53,- netto die de man ontvangt voor elke dag dat hij in Brussel werkt. Volgens de vrouw dient bij het bepalen van het inkomen van de man rekening te worden gehouden met een extra netto inkomen van € 9.964,- per jaar.

37. De man handhaaft zijn stelling in eerste aanleg dat hij van de daggeldvergoeding van € 53,- netto per dag een bedrag van ongeveer € 20,- per dag overhoudt, door zuinig te leven. Dit bedrag kan volgens de man gerekend worden tot zijn inkomen.

38. Het hof overweegt als volgt. De daggeldvergoeding die de man ontvangt is fiscaal geaccepteerd en is bedoeld is voor de naar het oordeel van het hof reëel te maken kosten die de man maakt. De daggeldvergoeding kan, in beginsel, dan ook niet tot het inkomen van de man, in het kader van de vaststelling van zijn draagkracht, gerekend worden. Het hof acht het bovendien aannemelijk dat de man bepaalde kosten, zoals de kosten van lunches, door middel van deze daggeldvergoeding voldoet. De onbelaste onkostenvergoeding die de man ontvangt, is ter delging van andere kosten. Doordat de man zuinig leeft, houdt hij per uitgekeerde daggeldvergoeding een bedrag van € 20,- over. Het hof zal dit bedrag, overeenkomstig het standpunt van de man, tot zijn inkomen rekenen. Het aantal dagen waarop de man een daggeldvergoeding ontvangt, stelt het hof vast op 150 dagen per jaar. Het hof neemt daarbij in aanmerking de door de man overgelegde ‘opgaven van de daggeldvergoeding’. Het hof ziet in de stelling van de vrouw geen aanleiding anderszins met een hoger bedrag dan € 20,- per uitgekeerde daggeldvergoeding rekening te houden.

39. Met betrekking tot de aflossing op de schuld aan Ohra overweegt het hof als volgt. Partijen zijn het er over eens dat daarmee geen rekening gehouden moet worden bij het vaststellen van de draagkracht van de man, nu zij met elkaar hebben afgesproken dat ieder van hen de helft van deze schuld uit hun vermogen zal voldoen. Het hof houdt dan ook geen rekening met de aflossing op de schuld aan Ohra.

40. Met betrekking tot de premie ziektekosten overweegt het hof als volgt. Partijen zijn het er over eens dat de premie ziektekosten ten behoeve van de man op een lager vastgesteld dient te worden dan het bedrag waar de rechtbank van uit is gegaan. Het hof begrijpt uit de stellingen van de man dat hij zich niet verzet tegen de opgave van de vrouw dat de premie ziektekosten ten behoeve van hem afgerond € 120,- per maand bedraagt. Het hof zal daarbij aansluiten.

41. Tussen partijen staat vast dat hun oudste kind, voorheen woonachtig bij de vrouw, inmiddels woonachtig bij de man is. Tegen de achtergrond van de bedoeling van partijen dat beiden na de scheiding ongeveer een gelijk netto-inkomen hebben en de alimentatie voor de kinderen thans niet in geschil is, acht het hof het redelijk dat, nu de zoon bij de vrouw en de dochter bij de man woont, de man als alleenstaande wordt aangemerkt.

42. De verhuizing van de dochter brengt naar het oordeel van het hof ook een wijziging van de omgangskosten met zich mee. De rechtbank is uitgegaan van omgangskosten van € 60,- per maand voor twee kinderen tezamen. Het hof stelt de omgangskosten, overeenkomstig de opgave van de vrouw, vast op de helft van dit bedrag, te weten een bedrag van € 30,- per maand.

43. De man heeft met betrekking tot zijn woonlasten gesteld dat een correctie toegepast dient te worden. Daartoe voert hij aan dat de vrouw ervoor heeft gekozen een duur appartement te huren van € 1.500,- per maand, terwijl de woonlasten van de man slechts € 920,- per maand bedragen. De man is van mening dat bij beide partijen met dezelfde woonlasten rekening gehouden moet worden.

44. Het hof heeft hiervoor de woonlasten van de vrouw in redelijkheid vastgesteld op € 1.500,- per maand. Met betrekking tot de woonlasten van de man ziet het hof geen aanleiding om met een hoger bedrag dan zijn werkelijke woonlasten van, inmiddels, € 920,- per maand rekening te houden.

45. Uit de door de man overgelegde stukken volgt dat zijn bruto jaarsalaris met ingang van 1 januari 2007 is verhoogd met 1,5%. Het hof zal zich dan ook met betrekking tot het inkomen van de man baseren op de door de man overgelegde, door de vrouw niet weersproken, loonstroken met betrekking tot de maanden: juli 2007, augustus 2007 en september 2007.

46. Rekening houdend met de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man stelt het hof de alimentatie vast op € 975,- per maand.

47. Het hof stelt vast dat partijen geen grief hebben gericht tegen de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum, zodat hof ook van deze datum - de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand - uitgaat.

Behoefte van de kinderen

48. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte bij het bepalen van de behoefte van de kinderen rekening heeft gehouden met het netto besteedbaar gezinsinkomen van de periode dat het gezin in Praag woonde. Er moet volgens de man worden uitgegaan van het inkomen ten tijde van het uit elkaar gaan.

49. Het hof stelt vast dat de man in zijn petitum geen gevoltrekking aan zijn stelling heeft verbonden en ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat zijn incidenteel appel zich slechts richt tot de partneralimentatie. Het hof zal gelet op het vorenstaande niet ingaan op deze incidentele grief van de man met betrekking tot de kinderalimentatie.

50. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals de man verzoekt, de vrouw te veroordelen in de kosten van de beroepsprocedure en zal dit verzoek dan ook afwijzen.

51. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking met betrekking tot de partneralimentatie en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man, met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, op € 975,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Labohm en Breederveld, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2007.