Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BC2044

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
888-R-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderscheid tussen verlenging van de OTS ten aanzien van twee kinderen uit hetzelfde gezin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 12 december 2007

Rekestnummer : 888-R-07

Rekestnr. rechtbank : J1 RK 07-347

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. W. Heemskerk,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

Regio Rotterdam-Rijnmond,

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 2 juli 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 16 mei 2007 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

Van de zijde van de raad is op 3 augustus 2007 bij het hof een schriftelijke reactie ingekomen.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 7 november 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Op 14 november 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. A.D. Leuftink en namens de raad: de heer J. Kuhn en mevrouw E.M. van Dijk. Jeugdzorg is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de moeder onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie. De hierna te noemen minderjarige [kind 1] is in raadkamer gehoord.

Nadien is, volgens afspraak ter zitting, bij het hof ingekomen: de geboorteakte van [kind 1].

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN DE VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank Rotterdam. Bij die beschikking zijn na te noemen minderjarigen ondertoezicht gesteld van Jeugdzorg voor de duur van één jaar.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen:

[kind 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], verder: [kind 1] en,

[kind 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], verder: [kind 2],

ook gezamenlijk verder: de kinderen, die bij de moeder verblijven. [kind 1] is door de heer [vader], hierna ook te noemen: de vader, erkend. Het adres van de vader is onbekend.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het inleidend verzoek van de raad niet-ontvankelijk wordt verklaard, althans dit verzoek af te wijzen.

3. De raad bestrijdt het beroep.

4. De moeder heeft vier grieven gericht tegen de bestreden beschikking. In haar eerste grief stelt de moeder dat de kinderrechter ten onrechte heeft overwogen dat de ondernomen acties van de moeder meer gericht zijn geweest op het vermijden en ontwijken van problemen, dan het oplossen hiervan. De kinderrechter heeft deze beoordeling gebaseerd op een door de raad uitgebracht rapport waarop de moeder haar zienswijze niet heeft kunnen geven. In haar derde grief stelt de moeder dat de kinderrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan het verweer van de moeder dat een ondertoezichtstelling als “ultimum remedium” moet worden gezien. De moeder stelt dat op basis van de huidige situatie en ontwikkeling van de kinderen dient te worden geoordeeld of de kinderen onder toezicht moeten worden gesteld. Ten aanzien van [kind 1] stelt de moeder dat de neerwaartse spiraal is doorbroken. Hetgeen in de bestreden beschikking ten aanzien van [kind 2] is overwogen, is volgens de moeder slechts gegrond op uitlatingen van de heer [x], die de leerkracht is van [kind 1] en niet van [kind 2]. De moeder betwist de verklaring van de heer [x] en stelt dat hij slechts woorden van algemene strekking heeft gebruikt zonder concrete voorbeelden aan te halen. De moeder tast in het duister op welke wijze door de raad de ontwikkelingsachterstand bij [kind 2] op cognitief en sociaal-emotioneel niveau is vastgesteld.

5. De raad verwijst in zijn brief van 2 augustus 2007 naar het raadsrapport van 6 maart 2007. Hierin concludeert de raad dat er sprake is van een ernstige bedreiging van de zedelijke en geestelijke belangen van [kind 1] en [kind 2]. Beide kinderen hebben een ontwikkelingsachterstand op meerdere gebieden, zoals op cognitief en op sociaal-emotioneel gebied. Hulpverlening is geïndiceerd om deze bedreiging af te wenden. De moeder is zeer ambivalent ten aanzien van de hulpverlening. Om de continuïteit te garanderen is hulp in een gedwongen kader noodzakelijk. Deze hulpverlening dient onder andere te zijn gericht op versterking van de sociale vaardigheden van [kind 1] en in mindere mate die van [kind 2]. Daarnaast is opvoedingsondersteuning van belang om de pedagogische vaardigheden van de moeder te vergroten. Ter terechtzitting verklaart de raad dat de heer [x] weliswaar de leerkracht was van [kind 1], maar dat in het rapport is vermeld dat hij als intern begeleider is benaderd en dat hij in deze hoedanigheid zijn visie op zowel [kind 1] als [kind 2] heeft gegeven.

6. Ter terechtzitting heeft de moeder verklaard dat [kind 1] inmiddels een sociale vaardigheidstraining heeft gevolgd en dat hij de training heeft afgerond met een diploma. De training heeft zijn vruchten afgeworpen; de moeder stelt dat het nu een stuk beter met [kind 1] gaat op zijn nieuwe school. Zij stelt dat zij wel degelijk het initiatief heeft genomen om hulp te vragen. Zo heeft zij reeds twee maal verzocht om een ontspanningscursus, doch heeft zij hierover nog niets vernomen. De moeder stelt dat Jeugdzorg slechts twee bezoeken heeft afgelegd en dat Jeugdzorg tot op heden geen verdere uitvoering aan de ondertoezichtstelling heeft gegeven.

7. De raad heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het hof over de actuele stand van zaken niet kan informeren, nu niet de raad, maar Jeugdzorg is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

8. Ten aanzien van [kind 2] overweegt het hof dat noch uit de aan het hof ter beschikking staande stukken, noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat [kind 2] zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd. Weliswaar wordt door de school bij monde van de heer [x] gesteld dat ten aanzien van [kind 2] zorgen leven omdat bij hem een achterstand zichtbaar is in cognitief en gedragsmatig opzicht - hetgeen door de moeder wordt betwist - maar de raad heeft niet aannemelijk gemaakt dat het uiterste middel van een ondertoezichtstelling nodig zou zijn om de genoemde bedreiging af te wenden. Gebleken is dat de moeder de basisschool, die voorheen door [kind 1] en [kind 2] werd bezocht en nu alleen door [kind 2] omdat [kind 1] nu voortgezet onderwijs volgt, regelmatig bezoekt en contact onderhoudt met de schoolmaatschappelijk werkster. Het hof gaat er van uit dat de moeder de door de schoolmaatschappelijk werkster tot nu toe geboden ondersteuning zal blijven aanvaarden, zodat zonodig voor [kind 2] tijdig adequate hulp kan worden ingezet.

9. Ten aanzien van [kind 1] overweegt het hof, dat ten aanzien van zijn ontwikkeling grotere zorgen bestaan. Met behulp van de schoolmaatschappelijk werkster heeft de moeder evenwel bewerkstelligd dat [kind 1] een sociale vaardigheidstraining heeft ondergaan, waar hij veel baat bij blijkt te hebben. Voorzover [kind 1] nu nog is aangewezen op andere hulpverlening is niet aannemelijk geworden dat de moeder [kind 1] niet de gelegenheid zal bieden om daarvan te profiteren. Voorts heeft het hof geen enkele rapportage van de gezinsvoogd ontvangen en is deze ook niet ter terechtzitting verschenen. Ter terechtzitting is onweersproken gesteld dat de gezinsvoogd tijdens de nu zes maanden durende ondertoezichtstelling slechts twee bezoeken bij de kinderen heeft afgelegd en dat deze geen verdere invulling heeft gegeven aan de hulpverlening. De ondertoezichtstelling lijkt daarmee ten aanzien van [kind 1] geen meerwaarde te hebben.

10. Het hof overweegt voorts ten aanzien van beide kinderen, dat de moeder weliswaar heeft geweigerd mee te werken aan het opzetten van een gezinsbegeleiding, maar dat zij deze weigering heeft teruggenomen toen haar duidelijk werd wat de hulpverlening inhield. Het in het verleden gesignaleerde schoolverzuim - een van de zorgen die de aanleiding vormde voor het starten van het raadsonderzoek - blijkt sinds de verhuizing van de moeder en de kinderen naar [woonplaats] en de daarmee gepaard gaande plaatsing van de kinderen op een andere basisschool te zijn teruggedrongen. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd.

11. Gelet op het vorenstaande behoeven de vierde grief, betreffende de termijn van de ondertoezichtstelling en de tweede grief, waarin de moeder stelt dat zowel [kind 1] als [kind 2] ten onrechte ondertoezicht zijn gesteld, geen bespreking meer.

12. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

ten aanzien van [kind 2]:

vernietigt de bestreden beschikking en wijst het inleidend verzoek af;

ten aanzien van [kind 1]:

vernietigt de bestreden beschikking met ingang van heden en wijst het inleidend verzoek voorzover betreffende de periode met ingang van heden af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Bouritius, Van Leuven en Mink, bijgestaan door mr. Schaaij als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2007.