Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BC2040

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
1361-H-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikelen 6:7 en 10 BW. Interne verdeling draagplicht met betrekking tot gemeenschappelijke schuld.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 7
Burgerlijk Wetboek Boek 6 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 12 december 2007

Rekestnummer. : 1361-H-06

Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-5040

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. I.W.E. Lansen,

tegen

[de man],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of daarbuiten,

niet verschenen

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 29 september 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 3 juli 2006.

De man heeft geen verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 5 oktober 2006 en 15 december 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Op 19 oktober 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar procureur. De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen door middel van een brief aan zijn advocaat in eerste aanleg, een e-mail aan het (via de advocaat van de vrouw verkregen) e-mailadres van de man en tot slot een advertentie in de Telegraaf van dinsdag 18 september 2007, niet verschenen. De vrouw en haar raadsvrouwe hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN DE VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 24 april 2006 van de rechtbank te ‘s-Gravenhage.

Bij de tussenbeschikking van 24 april 2006 is onder meer tussen de partijen de echtscheiding uitgesproken en is de zaak aangehouden onder meer voor wat betreft het verzoek strekkende tot de bepaling dat de man het gehele bedrag dat de vrouw uit privé-vermogen ten behoeve van de vennootschap onder firma, hierna: v.o.f., heeft aangewend aan haar zal vergoeden.

Bij de bestreden beschikking is onder meer de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken die verband houden met de afwikkeling van schulden van de per 1 januari 2005 ontbonden v.o.f. en het meer of anders verzochte afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven op 15 augustus 2006.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In beroep is in het kader van de afwikkeling van de echtscheiding in geschil de interne draagplicht tussen de vrouw en de man ter zake van een door hen gezamenlijk aangegane schuld bij RVS Financiële Diensten, thans zijnde (ter incasso ter hand genomen door) Fiditon.

2. De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking ten aanzien van de verrekening van de schuld bij Fiditon te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, met inachtneming van het gestelde in het beroepschrift:

primair: te bepalen dat de man de schuld bij Fiditon voor zijn rekening zal nemen, zonder verdere verrekening van de waarde, alsmede te bepalen dat de man zijn medewerking aan het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw voor deze schuld zal verlenen;

subsidiair: te bepalen dat de man de schuld bij Fiditon voor de helft voor zijn rekening zal nemen.

3. Volgens de grief van de vrouw heeft de rechtbank ten onrechte het eerdergenoemde primaire verzoek van de vrouw afgewezen. Uit de brief van 26 mei 2005 van het BKR leek te volgen dat de schuld op 10 maart 2005 zou zijn afgelost, maar dit is niet het geval. De vrouw legt een brief van Fiditon van 30 juli 2006 over waaruit blijkt dat op dat moment nog een schuld openstond van € 10.316,49, die voor verrekening in aanmerking komt. De schuld hangt niet samen met de v.o.f.. Zij is immers op 10 april 1999 aangegaan, dus ruim voordat de v.o.f was opgericht, althans de vrouw op 28 augustus 2001 als vennoot toetrad. Partijen hebben beiden voor de schuld getekend, zij het dat de vrouw dit heeft gedaan onder druk van de man. Uitgangspunt is dat partijen de schuld ieder bij helfte dienen te dragen. Bovendien zijn zij ieder hoofdelijk aansprakelijk voor de schuld. Het geleende bedrag is echter uitsluitend aangewend om andere schulden, die de man destijds had ten behoeve van zijn restaurants, onder andere aan Heineken, af te lossen. De vrouw heeft op geen enkele wijze voordeel genoten van de lening. Derhalve dient de man de helft van de schuld die zij uit haar privé-vermogen heeft bekostigd en waarvan de schulden op naam van de man zijn voldaan, te vergoeden, aldus de vrouw. Per saldo heeft dit tot gevolg dat de man de gehele schuld dient te dragen.

4. Het hof oordeelt als volgt. De vrouw rept in haar processtukken bij herhaling van een door partijen aangegane schuld bij RVS Financiële Diensten, ter incasso ter hand genomen door Fiditon. Nu het contractnummer van de BKR registratie hetzelfde is als het leningnummer dat Fiditon noemt in haar correspondentie, waarin sprake is van een schuld bij Nationale Nederlanden Financiële Diensten, gaat het hof er van uit dat het dezelfde schuld treft. Nog afgezien daarvan dat de advocaat van de man ter gelegenheid van de behandeling in eerste aanleg de gestelde schuld niet bestreden heeft, blijkt naar het oordeel van het hof uit de brief van Fiditon van 30 juli 2006, die gericht is aan de vrouw, maar waarin sprake is van een lening “T.n.v.: [verweerster]”, in samenhang met de gegevens zoals deze voorkomen op de overgelegde BKR registratie, alsmede de verklaring van de vrouw dat beiden voor de schuld hebben getekend, genoegzaam dat door partijen gezamenlijk in april 1999 de gestelde schuld van in hoofdsom f 19.998,- is aangegaan.

5. Het hof is voorts van oordeel dat uit de overgelegde bescheiden van de Kamer van Koophandel volgt dat tussen de man en de vrouw pas ruim na het in april 1999 aangaan van genoemde lening sprake is van een v.o.f., weshalve genoemde schuld niet (ook) een vennootschapsschuld is, maar (enkel) een privé-schuld van de man en de vrouw.

6. Nu de vrouw zelf stelt dat terzake van genoemde schuld sprake is van hoofdelijke verbondenheid, gaat het hof daar van uit. Derhalve heeft Fiditon tegenover ieder van hen recht op nakoming voor het geheel (artikel 6: 7 BW). Voor wat betreft de interne draagplicht zijn de man en de vrouw, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem of haar in hun onderlinge verhouding aangaat, verplicht in de schuld en de kosten bij te dragen (artikel 6:10 BW).

7. De vrouw heeft gesteld dat het gehele bedrag van de schuld door de man is aangewend om schulden ten behoeve van twee van zijn restaurants, onder andere aan Heineken, af te lossen. Nu de advocaat van de man ter zitting in eerste aanleg zich ook op het standpunt heeft gesteld dat de betreffende schuld een bedrijfsschuld is, gaat het hof er, mede gezien hetgeen de vrouw stelt omtrent de met het geleende bedrag betaalde bedrijfsschulden en de overgelegde bewijzen ter zake, van uit dat de schuld in de onderlinge verhouding tussen de man en de vrouw enkel en alleen de man aangaat. Derhalve ligt het primaire verzoek van de vrouw voor toewijzing gereed, voor zover de vrouw verzoekt te bepalen dat de man de schuld bij (thans) Fiditon voor zijn rekening zal nemen, zonder verdere verrekening van de waarde. Het hof zal eveneens bepalen dat de man zijn medewerking aan het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw voor deze schuld zal verlenen, zij het dat het hof de vrouw er daarbij op wijst dat voor zulk een ontslag uit de hoofdelijkheid medewerking van niet alleen de man maar ook Fiditon noodzakelijk is.

8. Met de toewijzing van het primair verzochte behoeft het subsidiair verzochte geen behandeling meer.

9. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarbij het meer of anders verzochte is afgewezen en het door de vrouw in beroep verzochte toewijzen als na te melden.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij het meer of anders verzochte is afgewezen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man de man de bovenbedoelde schuld bij (thans) Fiditon voor zijn rekening zal nemen, zonder verdere verrekening van de waarde, alsmede zijn medewerking aan het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw voor deze schuld zal verlenen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Stille en Mos-Verstraten, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december november 2007 .