Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BC1560

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
15-01-2008
Zaaknummer
1478-R-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verblijfplaats kinderen, omgang en huurrecht voormalige echtelijke woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 19 december 2007

Rekestnummer. : 1478-R-06

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 05-351

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. G.W.A. de Groot-Op den Brouw,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

pocureur mr. H.H.M. de Vries-Veringa.

Als informant is opgeroepen:

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 20 oktober 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 24 juli 2006.

De man heeft op 2 mei 2007 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 26 oktober 2006, 7 februari 2007 en 25 mei 2007 aanvullende stukken ingekomen.

De raad heeft het hof bij brief van 3 mei 2007 laten weten ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 30 mei 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar procureur, en de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. M. de Winter. De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De verschenen betrokkenen hebben het woord gevoerd. De hierna te noemen [minderjarige sub 1] is in raadkamer gehoord. De man en de vrouw zijn ter zitting overeen gekomen het mediation-traject in te gaan, teneinde onder meer de communicatie tussen hen te verbeteren. De behandeling van de zaak is om die reden aangehouden tot 24 november 2007 pro forma.

Nadien zijn de volgende stukken bij het hof ingekomen:

- een brief van de zijde van de raad van 31 mei 2007;

- op 25 juli 2007 en 6 augustus 2007 brieven van de zijde van de vrouw;

- op 30 juli 2007 een faxbericht van de zijde van de man.

Uit de na de zitting van 30 mei 2007 ingekomen correspondentie is gebleken dat de mediation in een vroeg stadium is mislukt, reden waarom beide partijen hebben verzocht om een voortzetting van de mondelinge behandeling.

Het hof heeft partijen bij brief van 13 augustus 2007 medegedeeld dat het zich voldoende voorgelicht acht om in de onderhavige procedure een beslissing te kunnen nemen, reden waarom het hof geen nieuwe mondelinge behandeling zal bepalen en de zaak thans derhalve schriftelijk zal afdoen. Wel zijn beide partijen nog in de gelegenheid gesteld om binnen de door het hof gestelde termijn eventuele nieuwe feiten of omstandigheden die zich na de zitting van 30 mei 2007 hebben voorgedaan schriftelijk aan het hof en aan de wederpartij kenbaar te maken.

Van de zijde van de man is op 8 november 2007 een faxbericht ingekomen, met het verzoek aan het hof om een beschikking te geven.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 23 september 2005 van de rechtbank te Rotterdam. Bij de bestreden beschikking is onder meer bepaald dat de gewone verblijfplaats van de kinderen bij de man zal zijn. Voorts is onder meer een omgangsregeling bepaald, inhoudende dat de vrouw de kinderen eenmaal per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur bij zich mag hebben, alsmede iedere woensdagmiddag van 13.00 uur tot 18.00 uur om de beurt bij haar, waarbij de schoolvakanties tussen de ouders in overleg met elkaar gelijkelijk dienen te worden verdeeld. Tot slot is onder meer bepaald dat de man, met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (16 januari 2006) huurder zal zijn van de echtelijke woning aan [adres] te [woonplaats]. Het meer of anders verzochte met betrekking tot de gewone verblijfplaats van de kinderen, de omgangsregeling en het huurrecht van de echtelijke woning, alsmede hetgeen door de vrouw ten aanzien van de kinderbijdrage is verzocht, is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de gewone verblijfplaats van de nog minderjarige kinderen:

[de minderjarige sub 1], geboren [in] 1994, verder: [de minderjarige sub 1], en

[de minderjarige sub 2], geboren [in] 1997, verder: [de minderjarige sub 2],

ook gezamenlijk te noemen: de kinderen, die bij de man verblijven,

de omgangsregeling tussen de vrouw en de kinderen en het huurrecht van de echtelijke woning.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt ten aanzien van de gewone verblijfplaats van de kinderen en het huurrecht van de echtelijke woning, en in zoverre opnieuw beschikkende, te bepalen dat de gewone verblijfplaats van de kinderen bij haar zal zijn en dat het huurrecht van de echtelijke woning aan haar wordt toegewezen. Subsidiair verzoekt de vrouw de bestreden beschikking ten aanzien van de omgangsregeling te bekrachtigen, doch een dwangsom van € 500,- per keer te bepalen voor iedere keer dat de man weigerachtig is om aan de omgangsregeling mee te werken. De man bestrijdt haar beroep.

3. Het hof stelt vast dat zich sinds de zitting van 30 mei 2007 geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, althans partijen hebben zich daar – ondanks de mogelijkheid daartoe - niet op beroepen. Gelet op het vorenstaande gaat het hof derhalve uit van de tot en met 30 mei 2007 bij het hof bekende feiten en omstandigheden.

4. De vrouw heeft vijf grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd. De grieven één, vier en vijf zien op de verblijfplaats van de kinderen en gelet op de onderlinge samenhang zal het hof die gezamenlijk bespreken.

VERBLIJFPLAATS KINDEREN

5. Kort weergegeven stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte conform het advies van de raad de gewone verblijfplaats van de kinderen bij de man heeft bepaald. De vrouw voert daartoe aan dat de raad het onderzoek in februari 2006 heeft gesloten terwijl de behandeling in eerste aanleg heeft plaatsgevonden op 10 juli 2006. Volgens de vrouw is de situatie van de kinderen in de tussenliggende periode ingrijpend gewijzigd. De vrouw stelt dat de man het haar, direkt nadat de raad het onderzoek had gesloten, onmogelijk heeft gemaakt om omgang met de kinderen te hebben. Gelet op deze problematiek en het tijdsverloop had de rechtbank volgens de vrouw een aanvullende rapportage aan de raad moeten verzoeken dan wel een deskundige instantie in moeten schakelen. Voorts stelt de vrouw dat de man niet als een goede verzorger van de kinderen kan worden aangemerkt, nu hij niet in staat is mee te werken aan een goede bezoekregeling tussen haar en de kinderen. Volgens de vrouw kan de man de geschillen tussen hen niet los zien van de relatie tussen haar en de kinderen. De situatie rond de kinderen vereist dat zij hun verblijfplaats bij de vrouw zullen hebben. De steeds weer plaatsvindende geschillen tussen de ouders zullen de kinderen volgens de vrouw geen rust kunnen bieden indien zij niet in de gelegenheid zijn om bij hun moeder te wonen en een regelmatig contact met hun vader te hebben.

6. De man betwist dat de situatie van de kinderen na de sluiting van het onderzoek van de raad ingrijpend is gewijzigd. Volgens hem hebben de kinderen uitdrukkelijk te kennen gegeven bij hun vader en hun oudere broer [naam oudere broer] te willen blijven wonen overeenkomstig de feitelijke situatie sinds het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning begin februari 2005. De man stelt dat de kinderen zich hebben aangepast aan de veranderde omstandigheden. Naar zijn mening bestaat er geen enkele aanleiding om een wijziging aan te brengen in het hoofdverblijf van de kinderen.

7. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting ziet het hof geen aanleiding om de huidige verblijfplaats van de kinderen te wijzigen. Het hof acht ieder van de ouders in staat de kinderen de verzorging en opvoeding te bieden die aansluit op hun basisbehoeften en beiden tonen een grote betrokkenheid op de kinderen. Feit is echter dat de kinderen sinds begin februari 2005 bij de man verblijven en dat het in hun belang is dat er een zekere consistentie blijft bestaan in hun leefomgeving. Bovendien is niet gebleken dat de man de kinderen onvoldoende structuur en stabiliteit zou bieden. Sterker nog, gebleken is dat het goed gaat met de kinderen in het gezin van de man. Het hof wijst er op dat het in het belang van de kinderen is dat beide partijen zich neerleggen bij de huidige situatie en dat zij pogingen in het werk dienen te stellen om hun onderlinge verhouding te verbeteren, temeer omdat de mediation niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Gelet op het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat het in het belang van de kinderen is om de huidige status quo te handhaven. Om die reden ziet het hof geen aanleiding voor een door de vrouw gewenst aanvullend onderzoek van de raad dan wel onderzoek door een andere deskundige instantie, zodat het hof in zoverre het verzoek van de vrouw passeert. Het belang van de kinderen staat voor het hof voorop en hof laat dat belang prevaleren boven het belang van de man of dat van de vrouw.

HUURRECHT VAN DE ECHTELIJKE WONING

8. Nu het hof het hoofdverblijf van de kinderen bij de man in stand zal laten behoeft de derde grief van de vrouw, die ziet op toewijzing van het huurrecht van de echtelijke woning aan haar, geen bespreking meer. De vrouw heeft immers ter zitting van het hof verklaard dat zij uitsluitend het huurrecht van de echtelijke woning wenst indien het hof het hoofdverblijf van de kinderen bij haar zou bepalen.

OMGANGSREGELING

9. De vrouw heeft subsidiair verzocht, indien de hoofdverblijfplaats van de kinderen niet bij haar zal zijn, de man te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van € 500,- voor iedere keer dat hij de vastgestelde omgangsregeling niet nakomt. Volgens de vrouw blijkt de vastgestelde omgangsregeling uitsluitend ten aanzien van de weekenden te functioneren. Ten aanzien van de woensdagmiddag werkt de regeling niet omdat de man deze volgens haar – kort gezegd – frustreert. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.

10. Het hof zal het verzoek van de vrouw, om een dwangsom aan de omgangsregeling te verbinden, afwijzen. Het hof ziet daartoe onvoldoende aanleiding. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat de man zich niet houdt aan de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling, noch omstandigheden gesteld op grond waarvan het bepalen van een dwangsom redelijk zou zijn. Het hof ziet in de stelling van de man, dat [de minderjarige sub 1] niet meer in de gelegenheid is om op woensdagmiddag naar zijn moeder te gaan omdat hij sinds het begin van het schooljaar 2006/2007 naar de middelbare school gaat, aanleiding om voor de woensdagmiddagen de omgangsregeling met betrekking tot [de minderjarige sub 1] aan te passen, in die zin dat hij dan vanaf school naar zijn moeder gaat en daar blijft tot 20.00 uur.

11. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met dien verstande dat [de minderjarige sub 1] op de woensdagmiddagen direct na school naar zijn moeder gaat en daar dan blijft tot 20.00 uur;

verklaart deze aanpassing ook uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Stille en Vonk, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2007.