Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BC1485

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
211-M-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie; Vermindering draagkracht in verband met afstorten van vergoeding bij einde dienstbetrekking in stamrecht-constructie: te aanvaarden of te zien als een eigen keuze van de vader die niet ten laste van de kinderalimentatie mag komen ? Hof is van oordeel dat de keuze van de vader te respecteren valt maar niet ten laste mag komen van de kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 12 december 2007

Rekestnummer. : 211-M-07

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-824

[De moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. R.W. de Vos van Steenwijk,

tegen

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. E. Grabandt.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 13 februari 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Middelburg van 15 november 2006.

De vader heeft op 26 april 2007 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De moeder heeft op 13 juni 2007 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 28 februari 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 12 oktober 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Op 24 oktober 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. M.F.P.M. Brogtrop, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. R.A. Remport Urbán. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vader onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie. De hierna te noemen minderjarige [sub 1] heeft ondanks uitnodiging daartoe van het hof niet schriftelijk zijn mening ten aanzien van de kinderalimentatie kenbaar gemaakt.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN DE VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank Middelburg. Bij die beschikking is – met wijziging van het tussen partijen in juli 2005 gesloten convenant en uitvoerbaar bij voorraad – de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie bepaald op € 41,80 per maand per kind, met ingang van 17 juli 2006. Voorts is bepaald dat hetgeen de vader over juli, augustus en september 2006 meer heeft betaald dan het hiervoor vastgestelde bedrag niet terug behoeft te worden betaald, noch verrekend zal worden met openstaande maandtermijnen. Voorts is het meer of anders verzochte afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de kinderalimentatie voor de minderjarigen:

• [de minderjarige sub 1], geboren [in] 1991, verder: [de minderjarige sub 1],

• [de minderjarige sub 2], geboren [in] 1992, verder: [de minderjarige sub 2],

• [de minderjarige sub 3], geboren [in] 1995, verder: [de minderjarige sub 3],

• [de minderjarige sub 4], geboren [in] 1996, verder: [de minderjarige sub 4], en

• [de minderjarige sub 5], geboren [in] 2000, verder [de minderjarige sub 5],

ook gezamenlijk verder: de kinderen, die bij de moeder verblijven.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 juli 2005, althans subsidiair met ingang van 1 juni 2006 te bepalen op € 129,- per maand per kind voor de oudste vier kinderen en op € 76,- per maand voor het jongste kind. Voorts met ingang van de datum van indiening van dit appelrekest de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te bepalen op € 150,- per maand per kind.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de moeder haar beroepschrift gewijzigd, in die zin dat zij het hof thans verzoekt ten laste van de vader een kinderalimentatie vast te stellen van € 129,- per maand voor de oudste vier kinderen en op € 76, - per maand voor het jongste kind.

3. De vader bestrijdt haar beroep en verzoekt in principaal appel de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, althans deze verzoeken af te wijzen, en in incidenteel appel en met gegrond verklaring van de grieven van hem, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van de datum van indiening van het verweerschrift, tevens incidenteel appel, op nihil wordt gesteld, althans op een zodanig bedrag als het hof zal vermenen te behoren, doch in ieder geval niet op een bedrag hoger dan € 15, - per maand per kind terzake de vier oudste kinderen en op € 6, - per maand voor het jongste kind (totaal € 66, - per maand), met veroordeling van de moeder in de kosten van de procedures.

4. De moeder verzet zich daartegen en verzoekt daarbij, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de vader in het incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen.

5. De moeder heeft in het principaal appel één grief tegen de bestreden beschikking gericht. In de grief stelt zij dat bij de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie de draagkracht van de vader niet op de juiste grondslagen is bepaald. De moeder stelt dat door de rechtbank niet of onvoldoende overwogen is, dat de aan de vader uitgekeerde ontbindingsvergoeding als vermogen een draagkrachtbepalende omstandigheid is, waarop ingeteerd kan worden. De moeder vindt het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk, dat er na de beëindiging van het dienstverband geen voor herstel vatbaar inkomensverlies van de vader is.

6. De vader is van mening dat de moeder ten onrechte stelt dat uit de ontbindingsprocesstukken blijkt dat de vergoeding tot doel had om het inkomen/uitkering van de vader direct per 1 juni 2006 aan te vullen en dat dit mede zou blijken uit het feit dat betaling is verzocht binnen 14 dagen na ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De vader heeft gekozen voor een stamrechtverzekering met als doel om gedurende de periode tussen het einde van het recht op WW-uitkering en aanvang pensioen alsnog over inkomen te beschikken. Voorts is de vader van mening dat de moeder ten onrechte stelt dat de rechtbank heeft miskend dat sprake was van vrijwillige en verwijtbare inkomensvermindering van de vader. De vader stelt dat hij niet vrijwillig heeft ingestemd met beëindiging van zijn dienstverband. De vader heeft een recente draagkrachtberekening overgelegd waaruit blijkt dat de vader nauwelijks draagkracht heeft tot het betalen van een bijdrage in de kosten van de minderjarigen. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte aan het standpunt van de vader voorbij is gegaan dat het voor de moeder evenzeer mogelijk is een eigen inkomen te verwerven om mede bij te dragen in de kosten van de minderjarigen.

7. De moeder heeft het incidentele beroep van de vader gemotiveerd weersproken. Zij verzoekt het hof ten aanzien van het incidenteel appel, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vader niet-ontvankelijk zal zijn in zijn incidenteel appel, dan wel dit af te wijzen.

8. Het hof overweegt als volgt. Ter beoordeling aan het hof ligt voor of de vader de aan hem toegekende ontslagvergoeding zodanig had dienen aan te wenden dat hij aan zijn alimentatieverplichting kan blijven voldoen en of hij nog voldoende draagkracht heeft de kinderalimentatie aan de moeder te betalen.

9. Vaststaat dat de arbeidsovereenkomst van de vader met zijn werkgever door de kantonrechter per 1 juni 2006 is ontbonden, waarbij aan de vader een schadevergoeding voor inkomensschade is toegekend van € 75.000,- bruto. De vader heeft ervoor gekozen dit bedrag onder te brengen in een stamrecht. Dit stamrecht heeft ten doel om gedurende de periode tussen het einde van het recht op WW-uitkering en de aanvang van het pensioen van de vader alsnog over inkomen te kunnen beschikken. Ter zitting is gebleken dat de vader de stamrechtovereenkomst in deze zin heeft kunnen wijzigen dat hem in 2007 een bedrag is uitgekeerd van € 10.500 en dat hij ook over de jaren 2008 en 2009 een bedrag van deze omvang zal ontvangen.

10. Hoewel de man heeft aangegeven dat hij deze bedragen zal moeten aanwenden om advocaatkosten te betalen, met welke stelling hij kennelijk wil aangeven dat deze uitgekeerde bedragen niet tot zijn inkomen moeten worden gerekend, zal het hof deze bedragen wel als inkomen aanmerken, nu het hof van oordeel is dat met de advocaatkosten in de procedure conform de Tremanormen geen rekening kan worden gehouden. Het hof is van oordeel dat de keuze van de vader om de ontslagvergoeding in een stamrecht te storten en een gedeelte van de uitkering voor andere doeleinden aan te wenden – waaronder de betaling van zijn advocaatkosten – te respecteren valt, doch dat de door hem gemaakte keuze niet ten laste van de kinderalimentatie dient te komen. Naar het oordeel van het hof dient de vader de aan hem toegekende ontslagvergoeding te benutten ter suppletie van zijn huidige WW-uitkering tot zijn oude salarisniveau teneinde op die wijze in staat te blijven de op hem rustende kinderalimentatie te betalen.

11. Voor de vaststelling van de draagkracht van de vader gaat het hof uit van het inkomen van de vader in het kader van de WW-uitkering met € 10.500,- als aanvulling op zijn inkomen. Gelet op het feit dat de nieuwe partner van de vader in het eigen levensonderhoud voorziet, houdt het hof rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60. Het hof is van oordeel dat de woonlasten die de vader heeft opgevoerd niet onredelijk zijn. Het hof gaat uit van de gedeelde woonlasten. Het hof houdt geen rekening met de door de vader opgevoerde omgangskosten, nu niet is gebleken dat de vader kosten terzake van een omgangsregeling maakt. Voorts is het hof van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden geen rekening heeft gehouden met de door de vader opgevoerde schulden van € 200,- per maand; het hof neemt deze beslissing van de rechtbank over.

12. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder genoegzaam aangetoond dat zij niet geacht kan worden bij te dragen in de kosten van de minderjarigen.

13. Het hof is van oordeel dat er, mede gezien hetgeen hieromtrent door de moeder naar voren is gebracht, geen reden is een andere ingangsdatum voor de betaling van de kinderalimentatie vast te stellen.

14. Uitgaande van de hiervoor genoemde inkomsten, en rekening houdend met de hiervoor genoemde lasten, is het hof van oordeel dat de draagkracht van de vader met ingang van 17 juli 2006 een kinderalimentatie toelaat van € 129,- per maand per kind voor de oudste vier kinderen en op € 76,- per maand voor het jongste kind.

15. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 17 juli 2006 op € 129,- per maand per kind voor de oudste vier kinderen en op € 76, - per maand voor het jongste kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Dusamos en Ydema, bijgestaan door mr. Steenks als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2007.