Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BC1148

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
03-01-2008
Zaaknummer
C06/1476
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurrecht; woonruimte; niet tijdige betaling lopende huurtermijnen na van toepassing worden WSNP; ontbinding huurovereenkomst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 21 december 2007

Rolnummer: 06/1476

Rolnummer rechtbank: 06/982

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[Huurder],

wonende te […],

appellant,

hierna te noemen: [Huurder],

procureur: mr. M.L. Kleyn,

tegen

STICHTING WOONGOED MIDDELBURG,

gevestigd te Middelburg,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Woongoed,

procureur: mr. W. Heemskerk

Het geding

Bij exploot van 14 november 2006 is [Huurder] in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 24 april 2006 en het eindvonnis van 11 september 2006 door de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven zijn vier grieven opgeworpen tegen het eindvonnis van 11 september 2006, die door Woongoed bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. Ter zitting van dit hof van 16 november 2007 hebben partijen hun standpunten door hun advocaten doen uiteen zetten, [Huurder] door mr. J. Wouters, advocaat te Middelburg en Woongoed door mr. J. Mikes, advocaat te Rotterdam. Woongoed heeft nog een akte overleggen producties genomen.Tot slot hebben partijen onder overlegging van de stukken arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In het tussenvonnis van 24 april 2006 heeft de rechtbank onder 1 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen, zodat het hof ook van die feiten zal uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak, samengevat, in hoger broep om het volgende.

2.1 [Huurder] huurt met ingang van 14 maart 1988 van Woongoed de woning aan de […] te […], tegen een huurprijs van (laatstelijk) € 228,92 per maand. De tussen partijen gesloten huurovereenkomst bepaalt dat de huur maandelijks bij vooruitbetaling dient te worden voldaan.

2.2 [Huurder] heeft in het verleden regelmatig achterstand in de huurbetalingen laten ontstaan. Bij vonnissen van de kantonrechter te Middelburg van 22 oktober 2001 en de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg, van 20 januari 2003 is [Huurder] eerder veroordeeld tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. Deze ontruimingen zijn niet geëffectueerd.

2.3 Met ingang van de maand juni 2005 heeft [Huurder] opnieuw een betalingsachterstand in het betalen van de huurpenningen laten ontstaan. Over de maanden juni 2005 tot en met maart 2006 heeft [Huurder] geen huur betaald.

2.4 Op 10 maart 2006 heeft Woongoed [Huurder] gedagvaard voor de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg, en gevorderd veroordeling van [Huurder] tot betaling van een bedrag van € 2078,95 aan achterstallige huurpenningen, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente, ontbinding van de huurovereenkomst met [Huurder] en veroordeling van [Huurder] het gehuurde te ontruimen, met de gebruikelijke nevenvorderingen.

2.5 Op 5 april 2006 is de WSNP op [Huurder] van toepassing verklaard.

2.6 Bij tussenvonnis van 24 april 2006 heeft de rechtbank onder meer overwogen:

“3. (…) Het toepasselijk verklaren van de WSNP staat aan een ontbinding van de huurovereenkomst terzake van een huurachterstand, ontstaan vóór het uitspreken van de schuldsanering in de weg. (…) Voorwaarde is echter wel dat vanaf het toepasselijk verklaren van de WSNP de lopende huurtermijnen voldaan zijn. Indien de lopende huurtermijnen inderdaad voldaan zijn, zal de kantonrechter de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst afwijzen. Indien blijkt dat [Huurder] de lopende huurtermijnen niet voldaan heeft, zal ontbinding van de huurovereenkomst volgen.”

2.7 Nadat beide partijen een akte hadden genomen, waaruit bleek dat de huur over de maand april is betaald op 12 april 2006, die over de maand juni op 13 juni 2006 en die over de maand juli op 13 juli 2006, heeft de rechtbank bij het bestreden eindvonnis van 11 september 2006 de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en [Huurder] veroordeeld het gehuurde te ontruimen. Met betrekking tot de vordering tot betaling van de huurachterstand, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten en rente heeft de rechtbank de procedure ingevolge artikel 313 en artikel 29 Faillissementswet geschorst nu die vordering voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel heeft.

3. Tegen het tussenvonnis van 24 april 2006 heeft [Huurder] geen grieven aangevoerd. Tegen het eindvonnis van 11 september 2006 komt [Huurder] op met vier grieven. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling, en stellen de vraag aan de orde of de tekortkoming van [Huurder] dermate ernstig is dat deze, ondanks de gevolgen die dit zal hebben voor [Huurder] en zijn bij hem inwonende zoon, de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.

4.1 Het hof overweegt als volgt. In beginsel is iedere tekortkoming van een huurder voldoende voor de ontbinding van de huurovereenkomst, tenzij deze gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding niet rechtvaardigt. Bij inleidende dagvaarding is sprake van het niet betalen van de volledige huur over een lange periode (tien maanden). Dit vormt een zo ernstige tekortkoming door [Huurder] in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, dat ontbinding om die reden in beginsel gerechtvaardigd is.

4.2 Artikel 305 lid 2 Fw bepaalt dat een verhuurder bevoegd is de huur tussentijds te beëindigen indien de schuldenaar jegens de verhuurder een verplichting, die is ontstaan na de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, niet nakomt. Het hof volgt de jurisprudentie oordelend dat de strekking van deze wetsbepaling in de weg staat aan een ontbinding van de huurovereenkomst wegens huurschulden, welke zijn ontstaan vóór de toepassing van de WSNP. Wetsontwerp 29 942 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met herziening van de WSNP, welk ontwerp met ingang van 1 januari 2008 wet zal worden, voegt aan artikel 305 Faillissementswet een nieuw lid 2 toe. Expliciet wordt bepaald dat een tekortkoming door de schuldenaar in de nakoming van een financiële verplichting, voortvloeiend uit de huurovereenkomst met betrekking tot zijn woonruimte, welke tekortkoming plaatsvond vóór de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, geen grond oplevert voor opzegging of ontbinding van de huurovereenkomst. Gedurende de toepasselijkheid van de WSNP op de huurder is de verhuurder gehouden voort te gaan de huurder, ondanks een anterieure tekortkoming in het betalen van de huurpenningen, als huurder te accepteren. Evenzo wordt de tenuitvoerlegging van een vóór het toepasselijk worden van de WSNP tegen de huurder uitgesproken ontruimingsvonnis geschorst en is de verhuurder gehouden het gebruik van het gehuurde door de huurder gedurende de toepasselijkheid van de WSNP te aanvaarden. Blijkens de wetsgeschiedenis wordt hierbij echter wel de voorwaarde gesteld, dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan:

“De huurovereenkomst mag niet tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling door de verhuurder beëindigd worden – hetzij opgezegd op grond van artikel 7:274 BW, hetzij ontbonden op grond van artikel 6:265 BW - op grond van een huurachterstand die is opgebouwd vóór de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De verhuurder zal zich hier moeten voegen bij de andere schuldeisers die moeten afwachten of ze nog iets op hun vorderingen uitgedeeld krijgen. Door diverse belangenorganisaties (…) is daarnaast de aandacht gevestigd op de problematiek rond ontruimingsvonnissen die vóór de uitspraak tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zijn gewezen.(…) Een ontruiming aan het begin van de schuldsaneringsregeling geeft de schuldenaar echter een moeizame start en doorgaans extra onkosten.(…) Daarom wordt de executie van het ontruimingsvonnis opgeschort. Voorwaarde is wel dat de lopende huurpenningen tijdens de duur van de schuldsaneringsregeling steeds tijdig worden betaald. Zodra de schuldenaar een nieuwe huurschuld doet ontstaan, kan het ontruimingsvonnis alsnog ten uitvoer gelegd worden (…)” (Handelingen TK, w.o. 29 942, MvT nr 3, I, onderdeel T).

4.3 De betalingsachterstand ontstaan vóór 5 april 2006, de datum van toepasselijk verklaring van de WSNP, kan derhalve geen grond meer opleveren voor ontbinding van de huurovereenkomst. Het toepasselijk worden van de WSNP op [Huurder] vormt aldus een forse tegemoetkoming aan zijn belang als huurder/schuldenaar bij een periode gedurende welke hij kan proberen te komen tot sanering van zijn schulden (inclusief zijn huurschuld aan Woongoed). Gedurende deze periode hoeft hij niet te vrezen voor de ontbinding van de huurovereenkomst - welke zonder de toepassing van de WSNP in de rede zou hebben gelegen - mits hij er voor zorg draagt de lopende huurtermijnen (tijdig) te voldoen en geen nieuwe huurschuld te laten ontstaan. Op die verplichting is [Huurder] in het tussenvonnis van de rechtbank van 24 april 2006 uitdrukkelijk gewezen. Na 5 april 2006 is [Huurder] desalniettemin opnieuw tekort geschoten in zijn verplichtingen als huurder door - langdurig en stelselmatig, ook nog in hoger beroep - niet bij vooruitbetaling, maar pas halverwege de maand te betalen. Woongoed behoeft, gegeven de gevolgen van toepasselijk verklaring van de WSNP voor de verhouding tussen huurder en verhuurder, dit betalingsgedrag niet te accepteren. Het hof is van oordeel dat sprake is van een tekortkoming van [Huurder] in de zin van artikel 6: 265 BW die ontbinding van de huurovereenkomst in beginsel rechtvaardigt.

4.4 Vervolgens ligt de vraag ter beoordeling voor of de tekortkoming van [Huurder], gezien de bijzondere aard of geringe betekenis daarvan, in dit geval de ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt. [Huurder] heeft in dit verband aangevoerd, dat er voor wat betreft de betalingen halverwege de maand aan zijn kant sprake was van overmacht, aangezien hij zijn GAK-uitkering pas telkens de 15e van de maand ontvangt, waardoor het voor hem praktisch onmogelijk was de huurbetalingen bij vooruitbetaling te voldoen. Het hof overweegt allereerst, dat ook indien sprake is van overmacht, dit niet aan ontbinding van de huurovereenkomst in de weg hoeft te staan nu artikel 6: 265 BW niet vereist dat de tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend. Voorts had het naar het oordeel van het hof op de weg van [Huurder] gelegen, een voorziening te treffen, bijvoorbeeld door éénmalig een maand huur extra te betalen, zodat hij vervolgens met zijn uitkering de huur van de daaropvolgende maand, bij vooruitbetaling, zou kunnen voldoen. Zoals door Woongoed bij pleidooi toegelicht, had dit ook in termijnen kunnen gebeuren, hetgeen in gevallen als deze standaard aan huurders wordt voorgesteld. De € 100,- per maand die [Huurder] enige maanden onverplicht extra heeft betaald kunnen de te late betalingen evenmin goedmaken, nu Woongoed onbestreden heeft gesteld die betalingen, die buiten de bewindvoerder zijn om gegaan, inmiddels weer op diens verzoek aan de bewindvoerder te hebben doorbetaald c.q. gerestitueerd.

4.5 [Huurder] heeft voorts gewezen op het grote belang van zijn zoon […], die al negentien jaar bij hem in het gehuurde woont, om in de woning te kunnen blijven wonen. Deze zoon, bij wie sprake is van een handicap en psychiatrische problemen, is met een ontruiming in zicht in paniek het huis ontvlucht en pas later na bemiddeling weer teruggekeerd, aldus [Huurder]. Het hof acht de stellingen van [Huurder] over de bijzondere omstandigheden van zijn zoon te summier om te kunnen leiden tot de conclusie dat ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning als gevolg van de psychische gesteldheid van de zoon tot een noodsituatie zal leiden. [Huurder] heeft nagelaten stellingen te betrekken - en te onderbouwen - op basis waarvan het hof, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, tot het oordeel kan komen dat het betalingsgedrag (gezien het woonbelang van de zoon) ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt.

4.6 Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [Huurder] onder meer verklaard dat hij na het uitspreken van de WSNP een gesprek heeft gehad met een directeur van Woongoed. Deze heeft hem gezegd dat hij de huur mocht betalen wanneer hij zijn uitkering had ontvangen, omstreeks de 14e van elke maand met eventueel een weekend erbij. Indien dit zou komen vast te staan, is - anders dan het hof hierboven onder 4.3 heeft overwogen - geen sprake van niet tijdige betaling van de lopende huurtermijnen, omdat alsdan geldt dat tussen [Huurder] en Woongoed andersluidende - en in zoverre van de huurovereenkomst afwijkende – afspraken zijn gemaakt over het tijdstip waarop de huurbetaling mocht plaatsvinden. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft Woongoed het bestaan van een dergelijke afspraak gemotiveerd ontkend.

5. Het hof zal [Huurder] tot het bewijs van zijn stelling toelaten. In afwachting van de bewijslevering wordt iedere beslissing aangehouden.

Beslissing

Het hof:

- laat [Huurder] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat na het op hem van toepassing verklaren van de WSNP Woongoed hem heeft toegestaan de huur te betalen wanneer hij zijn uitkering had ontvangen;

- bepaalt dat de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittings¬zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te 's-Gra¬venhage ten overstaan van mr. J.W. van Rijkom, raadsheer-commissaris, op donderdag, 24 januari 2008 om 9.30 uur, dan wel voor het geval een der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen voor de weken 3 tot en met 10 van 2008 opgeeft dan verhinderd te zijn, op een door de raadsheer-commissaris nader te bepalen datum en tijdstip;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. van Rijkom, T.L. Tan en E.E. de Wijkerslooth-Vinke en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2007 in bijzijn van de griffier.