Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BC1051

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-12-2007
Datum publicatie
02-01-2008
Zaaknummer
2200084606
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft, in de korte periode dat hij bij zijn toenmalige vriendin woonde, haar toen zeer jonge zoontje met grote regelmaat mishandeld. Op 6 oktober 2004 heeft de verdachte het zoontje vervolgens zwaar mishandeld. Op 15 oktober 2004, daags na thuiskomst uit het brandwondencentrum, heeft de verdachte het jongetje zodanig krachtig geschud dan wel zodanig met kracht gegooid, dat het jongetje aan het hierdoor opgelopen hersenletsel, het zogenoemde “shaken baby syndroom”, is overleden. Bewijsoverweging cf. Promis-werkwijze.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000846-06

Parketnummer(s): 10-030125-04

Datum uitspraak: 14 december 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 februari 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1983,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Rijnmond, Locatie De Schie te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 15 juni 2007, 7 september 2007 en 30 november 2007.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen bij inleidende dagvaarding, zoals op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader omschreven, vermeld staat en zoals ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep op vorderingen van respectievelijk de officier van justitie en de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de aanpassing omschrijving tenlastelegging en de vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 primair tenlastegelegde vrijgesproken en is de verdachte ter zake van de onder 1 primair tenlastegelegde doodslag, alsmede ter zake van het onder 2 en 3 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede tot terbeschik-kingstelling van de verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Aanhoudingsverzoek verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 30 november 2007 om onderzoekshandelingen en het horen van getuigen-deskundigen verzocht, als verwoord in de daartoe overgelegde pleitnotities. Ter terechtzitting heeft het hof de beslissing op de verzoeken aangehouden.

In het kort gaat het om de volgende verzoeken.

1. De verdediging wenst de rapporteur G.M. Jansen, GZ-psycholoog, als getuige-deskundige te horen, om hem te vragen naar de redenen waarom hij tot de conclusie komt dat agressieproblemen, gezien het gewicht dat de rapporteur bij de bepaling van het recidivegevaar hieraan toekent, een dermate grote rol bij de verdachte spelen.

2. De verdediging wenst de rapporteurs G.M. Jansen, GZ-psycholoog, en drs. R. Thomassen, psychiater en vast gerechtelijk deskundige, als getuigen-deskundigen te horen, omdat door hen onvoldoende duidelijk rekening is gehouden met de mogelijkheid een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren waarvan twee jaren voorwaardelijk op te leggen, met een proeftijd van tien jaren en met als bijzondere voorwaarde langdurige opname in een kliniek. De verdediging wil de rapporteurs over de mogelijkheid van deze strafmodaliteit in deze zaak vragen stellen.

3. De raadsman wenst dat er - in het licht van de eventuele (on)behandelbaarheid - nader onderzoek wordt verricht naar de vraag of en in hoeverre de verdachte een autistische stoornis heeft. De raadsman geeft er de voorkeur aan dat dr. Arnold Bartels dit onderzoek verricht, aangezien hij werkzaam is geweest in de dr. S. van Mesdagkliniek, welke kliniek in autistische problematiek is gespecialiseerd.

De raadsman wil in de tijd die nodig is voor het geven van uitvoering aan deze verzoeken zelf nagaan in hoeverre er mogelijkheden zijn om de verdachte onder de paraplu van een bijzondere voorwaarde in een kliniek te plaatsen en zo ja, in welke.

Het hof betrekt in de beoordeling van de verzoeken de omstandigheid dat de raadsman deze verzoeken, gelet op de late verstrekking van de rapportages, niet eerder heeft kunnen doen (cf. HR 19 juni 2007, LJN AZ 1702). Het hof acht evenwel het horen van de deskundigen en het verrichten van nader onderzoek als verzocht redelijker-wijs niet noodzakelijk en wijst het aanhoudingsverzoek af. De ernst van het agressieprobleem van de verdachte (ad 1) blijkt immers naar ’s hofs oordeel inmiddels voldoende uit navermelde bewezenverklaring van het onder 2 en 3 tenlastegelegde. Voor zover het verzoek is toegespitst op een deels voorwaardelijke straf (ad 2), is het hof van oordeel dat een dergelijke strafmodaliteit, gelet op na te melden beslissing omtrent de hoogte van de op te leggen straf, niet aan de orde is. Het onder 3 door de raadsman verzochte lijkt het hof weliswaar van belang voor het behandeltraject van de verdachte, doch niet nu al voor de beoordeling van de strafzaak en de eventuele oplegging van een straf en/of maatregel.

Verweer partiële nietigheid van de inleidende dagvaarding

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de inleidende dagvaarding met betrekking tot het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde nietig dient te worden verklaard, voor zover daarin is opgenomen: ‘althans (fors) geweld aangewend jegens [het slachtoffer]’ respectievelijk ‘althans (fors) geweld aan te wenden jegens [het slachtoffer]’.

Het hof verwerpt dit verweer. Naar ’s hofs oordeel is voldoende duidelijk omschreven waarvan de verdachte met betrekking tot dit feit primair beschuldigd wordt en biedt de tenlastelegging voldoende aanknopingspunten om de verdediging van de verdachte voor te bereiden en ter zake verweren te voeren zoals ook tijdens de behandeling ter terechtzitting is gebleken. De gewraakte passages zijn kennelijk bedoeld als vangnet voor het geval dat in de loop van de behandeling van de zaak een andere toedracht zou blijken en deze zijn voor zo’n geval voldoende op de feiten toegesneden om zich ertegen te kunnen verdedigen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

VRIJSPRAAK/BEWIJSOVERWEGING

Het onder 3 primair tenlastegelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal-dient te worden vrijgesproken.

Algemeen

[het slachtoffer] was geboren op [geboortedatum] 2003 en was het zoontje van [de moeder van het slachtoffer]. Vanaf maart 2004 had [de moeder van het slachtoffer] een relatie met de verdachte. [verdachte] woonde sinds de zomer 2004 feitelijk met [de moeder van het slachtoffer] samen.

Op 15 oktober 2004 omstreeks 14.00 uur is [het slachtoffer] in comateuze toestand met spoedtransport naar het Sophia Kinderziekenhuis gebracht en daar, na nog een dag beademd te zijn, op 16 oktober 2004 overleden. [het slachtoffer] was toen een peuter van 19 maanden oud. Gebleken is dat [het slachtoffer] in de voorafgegane vijf maanden keer op keer is mishandeld, in het ziekenhuis is opgenomen geweest met ernstige brandwonden en daags na zijn thuiskomst zodanig is geschud of gegooid dat hij als gevolg van het “shaken baby syndroom” is overleden. Het hof heeft ten aanzien van het bewijs daarvan en de rol van de verdachte daarin – mede naar aanleiding van hetgeen door de advocaat-generaal en de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht - het volgende overwogen.

Ten aanzien van feit 3 subsidiair:

[het slachtoffer] is in die periode van vijf maanden met grote regelmaat door [verdachte] mishandeld. [verdachte] heeft [het slachtoffer] over het hele lichaam en in het gezicht geslagen. De mishandeling door [verdachte] heeft verder ook uit mishandelingen van meer sadistische aard bestaan. Zo beet hij hard in diens wang, prikte hij een metalen klemmetje in diens oor en drukte hij enige keren een brandende sigaret tegen diens lichaampje.

Met betrekking tot de sigaretten het volgende. [de moeder van het slachtoffer] heeft verklaard dat [verdachte] haar zoontje meermalen brandende sigaretten tegen zijn lijfje heeft gedrukt. Deze verklaring wordt zowel door de bevindingen van Kubat als van Bilo ondersteund. Kubat rapporteert in het sectierapport onder C omtrent kleine ronde verbrandingssporen op nek en rug dat deze moeilijk te interpreteren zijn, doch dat deze mogelijk zijn ontstaan ten gevolge van het moedwillig tegen de huid drukken van brandende sigaretten. Bilo rapporteert dat de door [de moeder van het slachtoffer] bij het (onder noot 10 vermelde) politieverhoor getekende plekjes, links wat hoger op de rug, die door de patholoog Kubat zijn waargenomen en beschreven, verklaard kunnen worden door sigarettenverbrandingen. Bilo geeft aan dat de sigaretverbrandingen die [de moeder van het slachtoffer] rechts lager op de rug had getekend weliswaar niet door Kubat zijn aangetroffen, doch dat deze plekjes kunnen zijn weggevallen door de grote brandwond op de billen. Het hof acht dan ook bewezen dat [verdachte] brandende sigaretten tegen [het slachtoffer]’s lijf heeft gedrukt.

Een deel van de genoemde mishandelingen zijn door [verdachte] gepleegd in het bijzijn van [de moeder van het slachtoffer]. Ook [de moeder van het slachtoffer] deelde naar eigen zeggen wel eens een tik uit aan [het slachtoffer]. Daar was [verdachte] soms ook bij.

Daaruit is evenwel nog niet komen vast te staan dat [verdachte] en [de moeder van het slachtoffer] zodanig nauw en bewust hebben samengewerkt dat zij de tenlastegelegde mishandeling hebben medegepleegd. Het hof houdt [verdachte] derhalve alleen strafrechtelijk verantwoordelijk voor de door hem gepleegde mishandelingen in de tenlaste-gelegde periode.

Voor zover nog is betoogd dat [verdachte] de mishandelingen soms spelenderwijs en in andere gevallen in het belang van de opvoeding pleegde en dat derhalve de wederrechtelijkheid of het opzet bij die feiten heeft ontbroken, overweegt het hof dat de bovenstaande handelingen en handelwijze in de gegeven situatie en op de leeftijd van [het slachtoffer] niet onder die noemers kunnen worden gebracht. Overigens is ook dergelijk “corrigerend” handelen in beginsel als mishandeling in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld.

Hoewel het hof, gelet op de afgelegde verklaringen, aannemelijk acht dat [verdachte] [het slachtoffer] ook eens acht lagen kleren heeft aangetrokken en chips in zijn oortjes heeft gestopt , wat voor hem onaangenaam moet zijn geweest, spreekt het hof de verdachte in de context van het tenlastegelegde feit hiervan vrij, nu niet gezegd kan worden dat [het slachtoffer] hierdoor pijn of letsel heeft ondervonden.

Ten aanzien van feit 2:

De brandwonden

Op 6 oktober 2004 is [het slachtoffer] omstreeks 17.30 uur met ernstige brandwonden op de schouder en de billen het Sofia Kinderziekenhuis binnengebracht, waarna hij die avond nog is overgeplaatst naar het Brandwonden-centrum van het Zuiderziekenhuis.

De aard van de brandwonden

Over de aard van de brandwonden is aan de hand van de medische bevinden van beide ziekenhuizen en het sectieverslag van de arts en patholoog, dr. B. Kubat , door een tweetal forensisch geneeskundigen gerapporteerd. Het betreft hier het rapport van de forensisch geneeskundige R.A.C. Bilo , hierna te noemen “Bilo”, en het rapport van mevrouw drs. S.J.M. Eikelenboom-Schieveld, forensisch geneeskundige, verbonden aan Independent Forensic Services, hierna verder “IFS”. Laatstgenoemde heeft bovendien nog ter terechtzitting in eerste aanleg aanvullend verklaard en haar rapport toegelicht.

Door de deskundigen wordt geconstateerd dat grillig gevormde eerste- en tweedegraads verbrandingen zichtbaar zijn op de rechterschouder en rug, alsmede op de billen van [het slachtoffer]. Daarbij is opvallend dat de bilspleet en het gebied rond scrotum en anus van verbranding vrijgebleven zijn. Op de rechterschouder, hoofd en billen zijn voorts kleine ronde verwondingen zichtbaar die een patroon vormen, volgens IFS het gevolg van inwerking van hitte.

Volgens [verdachte] zijn de brandwonden ontstaan doordat hij [het slachtoffer] in zijn badje heeft gezet en het badje vervolgens met gebruikmaking van de daarboven hangende douchekop met water heeft gevuld. Ondertussen had de verdachte in de keuken water opgezet voor een kop koffie of thee. Hij zou daarom even naar de keuken zijn gelopen, terwijl hij de douchekraan met warm water had aangezet. Toen de verdachte in de keuken bezig was, heeft [het slachtoffer] de brandwonden door de hete kraan opgelopen. De verdachte hoorde [het slachtoffer] toen wel gillen, maar hij dacht eerst dat het kwam omdat [het slachtoffer] alleen gelaten werd, zo verklaarde [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep op 15 juli 2007. Toen [verdachte] de badkamer weer binnen liep, zag hij dat [het slachtoffer] in ‘shock’ was. Hij zag toen ernstig letsel op zijn schouder.

Beide deskundigen geven evenwel in hun rapporten aan dat de door [verdachte] gegeven verklaring voor het ontstaan van de brandwonden niet past bij de aangetroffen verwondingen, nu de bilnaad en het gebied rond scrotum en anus van verbranding zijn vrijgebleven, terwijl op de billen wel brandwonden aanwezig zijn. Volgens IFS zou bij een verbranding in bad bovendien de rechte lijn van het waterniveau zichtbaar geweest moeten zijn geweest, terwijl ook bij verbranding door een gerichte heetwaterstraal vanuit een douchekop in een bad met lauw water niet de grillige randen van de geconstateerde brandwonden hebben kunnen optreden. Ook de brandwonden op schouder en rug van [het slachtoffer] zijn grillig gevormd. Indien hij daar door een hete vloeistof zou zijn overgoten, bijvoorbeeld door een gerichte heetwaterstraal uit de douchekop, zou een stroompatroon op de huid aanwezig moeten zijn. Ook dat is niet het geval. Bilo constateert voorts dat de bij [het slachtoffer] aangetroffen verbrandingen niet verklaard kunnen worden op basis van de door de technische recherche gemeten heetwatertemperaturen van de douchekraan, in verband met de duur van de straal en de hoogte van de douchekop. De door [verdachte] naar voren gebrachte verklaring over het ontstaan van de brandwonden wordt dan ook door het hof, gezien het bovenstaande, als ongeloofwaardig van de hand gewezen.

IFS heeft voorts onderzocht of de aangetroffen verwondingen kunnen zijn veroorzaakt door het contact van de huid van [het slachtoffer] met het in de slaapkamer van [de moeder van het slachtoffer] aangetroffen strijkijzer of met uit dat strijkijzer spuitende stoom. Op basis van de in het brandwondencentrum genomen foto’s van de verwondingen van [het slachtoffer] en een ‘overlay’ waarop een foto van de zool van het betreffende strijkijzer was aangebracht, bleek de vorm van het strijkijzer te passen bij de verwondingen op billen, schouder én hoofd. Het patroon van de kleine ronde verwondingen van [het slachtoffer] past bij de plaatsen van de stoomgaatjes in het strijkijzer. Deze bevindingen geven meer steun aan de hypothese dat de brandwonden zijn ontstaan door contact met (stoom uit) het strijkijzer. Uit het rapport van IFS blijkt dat dit voorwerp meerdere malen, maar minstens driemaal tegen of heel vlak bij het lichaam van het slachtoffer is gehouden, waarvan eenmaal bij het hoofd, hetgeen niet is tenlastegelegd.

Daarbij merkt het hof op dat [het slachtoffer] bij aanraking met (de stoom uit) het hete stoomstrijkijzer niet rustig zal zijn blijven zitten. Dat zou enige vertekening in de verwondingen ten opzichte van de vorm en gaatjes van het strijkijzer kunnen verklaren, alsmede het verschil van inzicht tussen de deskundigen over het ontstaan van de verwondingen op deze wijze, dan wel door het drukken van een brandende sigaret ook op deze plaatsen.

De raadsman heeft bepleit de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrij te spreken, nu niet is vast te stellen of [het slachtoffer] die verwondingen heeft bekomen door een strijkijzer of door heet water. IFS noemt de verbranding door het stoomstrijkijzer, terwijl Bilo tegenover de rechter-commissaris zulks uitsluit en Van Leeuwen rapporteert dat het beeld van de brandwonden past bij verbranding door heet water. Beide mogelijkheden zijn dus door deskundigen genoemd. Volgens de raadsman behoort het hof daartussen te kiezen alvorens tot bewezen-verklaring te kunnen komen.

Deze opvatting van de raadsman vindt geen steun in het recht. Het hof behoeft niet te kiezen, zo lang beide mogelijkheden bewezen kunnen worden en het achterwege blijven van die keuze geen invloed heeft op de strafrechtelijke betekenis van het tenlastegelegde. Zo de brandwonden al door heet water zouden zijn ontstaan, dan zou dit eveneens moedwillig zijn gebeurd. De verklaring van de verdachte over het ontstaan van de brandwonden strookt immers niet met de plaats en vorm van de brandwonden, zoals door Bilo en IFS gerapporteerd. Bovendien heeft Bilo er in zijn rapport op gewezen dat, gelet op de gemeten warmwatertemperaturen door de Technische Recherche, brandwonden met deze douchekraan alleen kunnen worden veroorzaakt indien de douchekop korte tijd (enige seconden bij 50 graden Celsius) op korte afstand van het lichaam gehouden wordt. Nu zulks evenmin strookt met de verklaring van de verdachte, zou een dergelijke verbranding met heet water van zo dichtbij ook slechts op opzettelijke verbranding van [het slachtoffer]’s huid duiden. De verdachte heeft eerder – ter terechtzitting in eerste aanleg op 24 januari 2006 - nog verklaard dat [het slachtoffer] de douchekop in zijn hand had en uit het badje probeerde te stappen op het moment dat [verdachte] de badkamer binnen liep, maar gelet op de algemeen gebruikelijke reflex om je af te wenden van iets dat pijn doet, acht het hof de mogelijkheid uitgesloten dat [het slachtoffer] zichzelf enige seconden lang met de douchekop in de hand die brandwonden heeft toegebracht.

Het hof behoeft niet tussen de beide mogelijkheden op het ontstaan van de brandwonden te kiezen, doch acht de conclusies in het rapport van het IFS met betrekking tot de oorzaak van de brandwonden het best gemotiveerd, het meest inzichtelijk en, gezien de concrete ‘overlay’ met een afdruk van het desbetreffende stoomstrijkijzer, het meest overtuigend. Om die reden acht het hof bewezen dat de verdachte [het slachtoffer] met het hete strijkijzer en/of met de stoom daaruit de verwondingen heeft toegebracht.

Voor zover de raadsman nog heeft betoogd dat ook Kubat’s bevindingen met betrekking tot de kleine ronde verbrandingssporen (onder C in het sectierapport) steun bieden voor de mogelijkheid van een verbranding door spetters heet water of door sigaretten als oorzaak, merkt het hof op dat dit (deels) andere plekjes lijkt te betreffen dan het IFS in de ‘overlay’ heeft betrokken (Kubat: haargrens achterhoofd en rug <-> IFS: billen, rechterschouder, en achterhoofd) en dat Kubat deze plekjes moeilijk te interpreteren acht. In het licht van het onder 3 bewezenverklaarde en de door Kubat geopperde mogelijkheid dat het ook verbrandingsplekjes van sigaretten kunnen betreffen en mede gezien het vaste patroon van de door het IFS in haar onderzoek betrokken plekjes op het achterhoofd, ziet het hof in het door de raadsman genoemde dan ook geen aanwijzing voor enige geloofwaardigheid van verdachtes verklaring ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

Voor zover door en namens de verdachte nog is opgemerkt dat de kleine ronde verwondingen bij de schouder veroorzaakt zouden kunnen zijn door littekens van waterpokken, heeft de deskundige Eikelenboom-Schieveld desgevraagd ter terechtzitting in eerste aanleg opgemerkt dat de rand van de littekens precies cirkelvormig is en de grootte van de plekken gelijk. Dit komt niet overeen met door waterpokken achterblijvende littekens, nu deze van verschillende grootte zijn en door de ontsteking grillige randen in het littekenweefsel achterlaten. Het hof acht deze verklaring dan ook, mede gezien de gelijke afstand tussen de plekjes die in de ‘overlay’ van het IFS zijn betrokken, niet aannemelijk.

Op grond van de bovenstaande feiten en omstandig-heden, in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de door [het slachtoffer] opgelopen verbrandingen zijn aangebracht door het meermalen houden van een heet strijkijzer tegen of zeer vlakbij de billen en de schouder van [het slachtoffer].

Daderschap en opzet

Uit de verklaring van [de moeder van het slachtoffer] leidt het hof af dat zij [het slachtoffer] op 6 oktober 2004 in goede gezondheid bij [verdachte] heeft achtergelaten toen zij naar school ging. Ook [verdachte] heeft gezegd dat de brandwonden van [het slachtoffer] eerst ná het vertrek en vóór de terugkomst van [de moeder van het slachtoffer] zijn ontstaan. Nu uit de verklaringen van [verdachte] ook is af te leiden dat hij alleen was met [het slachtoffer] en dat er in die periode geen andere personen in huis zijn geweest, acht het hof eveneens bewezen dat [verdachte] degene is geweest die de betreffende verwondingen aan [het slachtoffer] met het strijkijzer heeft toegebracht.

De plaats, aard en hoeveelheid van de brandwonden brengt voorts naar het oordeel van het hof mee dat deze niet onopzettelijk kunnen zijn toegebracht. Ook het gedrag nadien van [verdachte], te weten het niet inschakelen van een arts tussen het oplopen van de brandwonden en de latere thuiskomst van [de moeder van het slachtoffer] omstreeks 15.30 uur - [verdachte] zegt in de tussentijd nog vrij veel te hebben gedaan, zoals zalf opbrengen - en het in eerste instantie verzwijgen van de verwondingen tegenover [de moeder van het slachtoffer] , alsmede het verhullen van de juiste toedracht, onderstrepen het hiervoor genoemde opzet.

Ten aanzien van feit 1:

Op 14 oktober 2004, heel laat in de avond, is [het slachtoffer] na ontslag uit het brandwondencentrum van het Zuiderziekenhuis thuis gekomen. Uit de medische informatie en de verklaringen van [verdachte] en [de moeder van het slachtoffer] is af te leiden dat [het slachtoffer] naar huis is gekomen met goed genezende brandwonden.

Op 15 oktober 2004 is vroeg in de middag een melding binnengekomen bij de G.G.D. om met spoed naar het adres [adres] te Rotterdam te gaan in verband met een onwel geworden kind. De politie was inmiddels ook gealarmeerd en was als eerste ter plaatse. In de woning troffen de agenten [de moeder van het slachtoffer] en [verdachte] aan, terwijl die laatste hardhandig trachtte [het slachtoffer] te reanimeren. Blijkens de verklaringen van het ambulancepersoneel troffen zij vervolgens [het slachtoffer] in de woonkamer gaspend aan, de ademwegen vrij, met lichtstijve pupillen, een grauw, grijs gelaat en bloed uit de mond.

Bij aankomst in het Sofia Kinderziekenhuis stelde de arts vast dat [het slachtoffer] klinisch hersendood was. Op 16 oktober 2004 is de kunstmatige beademing afgesloten en is [het slachtoffer] overleden.

Doodsoorzaak

De arts en patholoog, dr. B. Kubat, van het NFI heeft sectie verricht op het stoffelijk overschot van [het slachtoffer]. Blijkens het sectieverslag heeft zij meerdere uitgebreide letsels aangetroffen, waaronder:

“F. Vrij uitgebreide, recente bloeduitstortingen

links en rechts onder het harde hersenvlies;

G. Een kleine recente bloeduitstorting op het harde hersenvlies in het gebied van de halswervelkolom;

H. Tekenen van hersenzwelling-oedeem (…), herseninklemming en (…) meerdere uren oude afwijkingen passend bij acceleratie-deceleratie trauma (…);

I. Uitgebreide bloeduitstortingen in beide ogen passend bij acceleratie-deceleratie trauma (…).

Deze letsels zijn volgens de patholoog opgetreden als gevolg van een acceleratie-deceleratie trauma, zoals bijvoorbeeld kan optreden bij heftig schudden. Andere eventuele oorzaken voor het optreden van deze afwijkingen zijn niet gebleken. De patholoog concludeert dat [het slachtoffer] is overleden tengevolge van hersenletsels en de hierdoor opgetreden herseninklem-ming.

De rapporten van Bilo en IFS ondersteunen deze conclusie en geven aan dat met name ook de geconstateerde combinatie van letsels karakteristiek voor dit zogenoemde “shaken baby syndroom” zijn. Om het bovenbeschreven uitgebreide letsel bij een peuter van 19 maanden te veroorzaken is volgens hen forse kracht nodig. [het slachtoffer] moet volgens IFS óf extreem hard door elkaar zijn geschud óf hij is door een ruimte heen gegooid en met zijn hoofd op een ondergrond terechtgekomen die zacht moet zijn geweest, omdat geen uitwendig spoor van zo’n aanraking is gevonden.

Tijdstip schudden/gooien van [het slachtoffer]

Op grond van de bevindingen van de deskundigen, alsmede de verklaringen van [verdachte] en [de moeder van het slachtoffer] is voorts aannemelijk dat [het slachtoffer] (behoudens zijn genezende brandwonden) op 14 oktober 2004 ’s avonds laat in gezonde staat uit het ziekenhuis is thuis gekomen en naar bed is gebracht. Het hof ziet – gezien de navermelde bevindingen van de deskundigen omtrent het onmiddellijk intreden van de gevolgen van het neurologische letsel - geen goede grond om in het door [de moeder van het slachtoffer] tegenover de politie genoemde wegdraaien van de ogen (’s avonds laat op 14 oktober en ’s ochtends vroeg op 15 oktober 2004) een verband met de doodsoorzaak te zien, zoals kennelijk ook niet wordt aangenomen door de getuige-deskundige Eikelenboom-Schieveld ter terechtzitting in eerste aanleg op 24 januari 2006 (zittingspv. rechtbank p. 9).

Het hof baseert zich voorts op de volgende feiten en omstandigheden.

Op grond van de ter terechtzitting in eerste aanleg nog door deskundige Eikelenboom-Schieveld bevestigde mening van Kubat, Bilo en IFS is het zeer onwaarschijnlijk dat, gezien de gegevens uit de medische literatuur en de ernst van dit letsel, [het slachtoffer] na het ontstaan van het letsel nog normaal heeft kunnen functioneren. Het gaspen is een verschijnsel dat past bij dergelijk ernstig neurologisch letsel. Na het ontstaan van het letsel behoort een normale reactie, zoals huilen, roepen, praten of lopen niet langer tot de mogelijkheden. Het moment van toebrengen van het letsel is medisch niet nauwkeurig vast te stellen.

Dienaangaande overweegt het hof het volgende.

[verdachte] en [de moeder van het slachtoffer] hebben tegenover de politie verklaard dat [de moeder van het slachtoffer] op 15 oktober 2004 om ongeveer 6.45 uur of 7.30 uur is opgestaan, [het slachtoffer] uit bed heeft gehaald en hem vlak voordat zij zelf naar school ging rond 8.15 uur bij [verdachte] in bed heeft gelegd. Dat wordt door beiden later niet betwist.

Voor de door de raadsman geopperde mogelijkheid dat het fatale letsel na thuiskomst van [de moeder van het slachtoffer] is toegebracht, ziet het hof – gelet op het hierna overwogene - geen enkele aanwijzing.

Door [verdachte] is nog gesteld dat [de moeder van het slachtoffer] of hijzelf [het slachtoffer] nog heeft geschud nadat zij constateerden dat [het slachtoffer] niet meer bij bewustzijn was. Op grond van het feit dat beiden hebben verklaard dat [het slachtoffer] voordien al enige tijd een gorgelend of snurkend geluid maakte – welk geluid blijkens algemeen bekende EHBO-gegevens duidt op het bij het “shaken baby syndroom” passende gaspen - en dat hij bij het optillen net een slappe pop leek, constateert het hof dat het letsel al eerder was toegebracht en dat de eventuele poging tot wakkerschudden niet tot de dood van [het slachtoffer] heeft geleid. Voorts is algemeen bekend dat gaspen langer kan duren en onregelmatig kan zijn, waardoor [verdachte] en [de moeder van het slachtoffer] het niet meer hoorden en de ambulance-medewerker F. Iven het vervolgens weer wel heeft waargenomen.

[verdachte] heeft zijn versie van de gebeurtenissen driemaal gewijzigd, zodat het hof zich allereerst heeft afgevraagd of één van zijn lezingen (op onderdelen) geloofwaardig voorkomt.

Als eerste lezing van de verdachte merkt het hof aan verstikking door verslikking in couscous als doodsoorzaak, zoals hij volgens de verklaring van getuige Kerpel, afgelegd op 2 november 2007, tegen haar heeft gezegd. Niet uitgesloten is dat [verdachte] toen van slag is geweest en ondoordacht heeft gesproken. De uitkomst van de sectie op het lijk van [het slachtoffer] en de verklaringen van het ambulancepersoneel wijzen niet op deze doodsoorzaak, zodat het hof aan deze lezing geen waarde hecht.

[verdachte] heeft een tweede lezing gegeven vanaf 16 oktober 2004 , waarin hij – kort gezegd - verklaart dat [het slachtoffer], na het vertrek van [de moeder van het slachtoffer] naar school, eerst nog naast [verdachte] heeft geslapen, dat later in de ochtend eerst [verdachte] heeft overgegeven, dat hij aansluitend [het slachtoffer] eten heeft gevoerd dat door [het slachtoffer] deels is uitgespogen, dat hij daarna het rode Feyenoordhemdje van [het slachtoffer] heeft uitgetrokken en gespoeld, dat hij [het slachtoffer] een blauw shirt heeft aangetrokken en dat [het slachtoffer] toen nog heeft gehuild en in huis heeft gelopen. Tenslotte heeft [verdachte] hem teruggelegd en is hij naast [het slachtoffer] gaan uitslapen. Vervolgens hoorde hij geluiden alsof [het slachtoffer] snurkte en heeft hij twee keer diens neus dichtgeknepen om dat te beëindigen, zonder succes, en na thuiskomst van [de moeder van het slachtoffer] een derde en vierde keer. Vrij kort daarna viel het snurkende of gorgelende geluid van [het slachtoffer] stil.

Het hof hecht in zoverre - zoals hierboven weergegeven - geloof aan deze lezing, waaraan [verdachte] lange tijd consequent heeft vastgehouden, zonder deze volledig te achten. Van belang voor de geloofwaardigheid is dat deze lezing strookt met verklaringen van [de moeder van het slachtoffer] (p.v. p. 25 in de in noot 35 genoemde bundel), ook juist op onderdelen die er voor de schuldvraag niet rechtstreeks toe doen. Het hof doelt hier op het leggen van [het slachtoffer] naast [verdachte] voor het vertrek van [de moeder van het slachtoffer] naar school, de verwisseling van het hemdje met een pyjamajasje, dat [de moeder van het slachtoffer] heeft gevonden, heeft uitgewassen en in de wasmand heeft gelegd en dat volgens haar zuur riekte (p.v. p. 24, 25, 201, 324 en [verdachte] op p. 19, 49 en 575). Blijkens de in het proces-verbaal gevoegde foto van de wasmand in de badkamer van de woning van [de moeder van het slachtoffer], ligt er een rood T-shirtje bovenop.

[de moeder van het slachtoffer] zegt ook dat het gorgelende geluid van [het slachtoffer] ongeveer een kwartier na haar thuiskomst stil viel en dat [het slachtoffer] niet meer wakker werd.

De verdachte heeft in deze lezing ook opgemerkt dat [het slachtoffer] die ochtend nog is gevallen, doch hij heeft niet verklaard dat het zo’n harde val was, dat daardoor het neurologische letsel zou zijn ingetreden. Bovendien vindt die mogelijkheid geen steun in de bevindingen van Kubat en IFS omtrent het letsel en het directe intreden van de gevolgen daarvan.

In zijn derde lezing zegt [verdachte] dat hij van [de moeder van het slachtoffer] heeft gehoord dat zij ’s ochtends voor haar vertrek [het slachtoffer] heel hard heeft geschud. In die lezing vermeldt [verdachte] dat [het slachtoffer] later in de ochtend wankelde als was hij dronken. Deze lezing heeft [verdachte] later als verzinsel aangemerkt. Hierin is het hof het met hem eens, omdat het wankele lopen van [het slachtoffer] niet te rijmen is met een doodsoorzaak van tenminste een uur eerder.

Als vierde lezing vermeldt [verdachte] dat hij ‘s ochtends een zware bons heeft gehoord op het tapijt van [het slachtoffer]’s slaapkamer, dat hij van [de moeder van het slachtoffer] heeft begrepen dat zij [het slachtoffer] toen had laten vallen, waarna [het slachtoffer], die naast hem was gelegd bij het vertrek van [de moeder van het slachtoffer] naar school, zich nauwelijks meer heeft verroerd. Aan deze lezing hecht het hof evenmin geloof. Bij een dergelijke te horen val zou een plek op het lijfje zichtbaar moeten zijn geweest en daarvan blijkt niet uit het sectierapport. Een dergelijke val op het tapijt is daarom hoogst onwaarschijnlijk en dus niet aannemelijk als oorzaak van het fatale letsel. Bovendien heeft de arts en patholoog Kubat tegenover de rechter-commissaris op 6 juli 2005 verklaard dat uit studies blijkt dat een val van een kind uit de armen van een volwassen persoon niet zodanig letsel oplevert dat een kind daaraan overlijdt, tenzij de nek in een ongelukkige hoek staat, maar dan zou een bloeduitstorting rond de hersenstam zijn aangetroffen, quod non. Een derde argument tegen deze toedracht is dat [de moeder van het slachtoffer] weliswaar [het slachtoffer] enkele keren te hard heeft aangepakt, maar dat het [verdachte] is geweest die met opzettelijke verbrandingen en andere opzettelijke pijnigingen tegenover [het slachtoffer] steeds weer over de grens ging.

Tot slot acht het hof het uiterst onwaarschijnlijk dat wanneer deze lezing van [verdachte] op waarheid zou berusten en [de moeder van het slachtoffer] kort voor het naar school gaan haar kind dergelijk letsel zou hebben toegebracht, zij achtereenvolgens nog naar school is gegaan en na de lessen nog ongeveer twintig minuten is blijven kletsen , na thuiskomst rustig bij [verdachte] en [het slachtoffer] in bed zou zijn gaan liggen kletsen en pas nadien door het feit dat [het slachtoffer] niet wakker werd van hun geklets gealarmeerd zou worden. Bij de ontdekking van de brandwonden is het immers ook [de moeder van het slachtoffer] geweest die direct actie onderneemt en met [het slachtoffer] naar het ziekenhuis gaat, niet [verdachte].

Nu het hof noch in de afwijkende verklaringen van [verdachte] noch in andere aanwijzingen goede grond ziet om te twijfelen aan de tweede lezing van [verdachte], voor zover hiervoor vermeld, acht het hof bewezen dat [het slachtoffer] zijn dodelijke letsel pas heeft opgelopen in dat deel van de ochtend waarin hij en [verdachte] alleen thuis waren. [het slachtoffer] heeft immers na het vertrek van [de moeder van het slachtoffer] nog gegeten en gelopen en dat heeft hij volgens de verklaringen van de deskundigen niet meer kunnen doen nadat hij het dodelijke letsel had opgelopen.

Beziging verklaring van [de moeder van het slachtoffer] voor het bewijs

De raadsman heeft in hoger beroep bepleit dat alle verklaringen van [de moeder van het slachtoffer] van het bewijs voor het onder 1 tenlastegelegde dienen te worden uitgesloten, aangezien de verdediging niet in staat is geweest om haar op cruciale punten te ondervragen. Daarnaast kunnen haar verklaringen niet als betrouwbaar worden aangemerkt, aldus de raadsman. Ten derde zijn haar verklaringen dusdanig wisselend en tegenstrijdig, dat volgens de raadsman aan de betrouwbaarheid ervan dient te worden getwijfeld.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

In de gegeven situatie kan [de moeder van het slachtoffer] een eigen belang hebben bij haar verklaringen. Het hof is daarom zeer behoedzaam geweest met het gebruik daarvan, zowel voor de overtuiging als voor het bewijs. De verdediging heeft haar bij de rechter-commissaris op 9 februari 2005 ondervraagd, derhalve nadat de doodsoorzaak van [het slachtoffer] bekend was. In zoverre gaat het bezwaar van de verdediging niet op. Later heeft [de moeder van het slachtoffer] geen vragen meer beantwoord, doch de verdediging heeft de gelegenheid gehad om over haar afgelegde verklaringen naar voren te brengen wat zij noodzakelijk oordeelde. Het hof gebruikt de verklaringen van [de moeder van het slachtoffer] derhalve wél voor het bewijs bij alle drie de feiten, doch slechts voor zover deze ten minste voldoende wettige en overtuigende steun vinden in ander bewijs.

Bij de getapte telefoongesprekken gedurende verdachtes voorarrest, zoals door de raadsman genoemd, gaat het om opmerkelijke, deels sturende woorden van de verdachte die zich ervan bewust is dat hij wordt afgeluisterd. De daarop gegeven reactie van [de moeder van het slachtoffer] is voor meerdere uitleg vatbaar; haar antwoorden kunnen uit onwetendheid, uit verliefdheid of uit vertrouwen in [verdachte] voortkomen. Die onzekere, nog onwetende houding van [de moeder van het slachtoffer] ten opzichte van [verdachte] valt bijvoorbeeld af te leiden uit het telefoongesprek tussen beiden op 26 november 2004 te 14.53.45 uur (p. 633 e.v.). In dat telefoongesprek stuurt [verdachte] aan op het afstemmen van hun verklaringen met tussenkomst van zijn advocaat. [de moeder van het slachtoffer] ziet daarvan het belang niet echt in, maar lijkt bereid erin mee te gaan. Vervolgens loopt het gesprek als volgt:

Ge = gebelde = [de moeder van het slachtoffer]

Be = beller = [verdachte]

Be: Ik heb ze tot nu toe niet allemaal verteld, weet je, wat er echt aan de hand is.

Ge: Mohamed, wat heb ik gedaan? Jij was als laatste bij [het slachtoffer], niet ik.

Be: Luister, wat ik lees zo ver ik weet, ik kan het je nu niet door de telefoon vertellen. Ik kan dat niet zeggen, ze zijn aan het afluisteren.

Ge: Wat is er die dag gebeurd Mohamed? Hou je nog iets voor me achter? Waaraan is [het slachtoffer] overleden?

Be: Helemaal niks, niks. (…)

Ge: Ze zeggen dat het komt door schudden.

Be: Nou precies, wie heeft geschud die ochtend?

Ge: Wie heeft geschud?

Be: Ja, in de ochtend.

Ge: Heb ik geschud in de ochtend?

(…)

Be: Ze weten, er is geschud met de jongen, ze weten niet wie van de twee.

Ge: Ik heb niet geschud, Mo.

(…)

Ge: Ik verberg niks.

Onbetrouwbaarheid van [de moeder van het slachtoffer] leidt het hof hieruit niet af.

Ook de verklaringen van [een vriendin] en de vader van [de moeder van het slachtoffer] plaatst het hof in het licht van die onwetendheid en verwarring; dat maakt nog niet dat [de moeder van het slachtoffer] het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Wel bezigt het hof haar verklaringen bij alle drie de tenlastegelegde feiten met de – zojuist door het hof aangegeven - terughoudendheid, nu in dat zelfde telefoongesprek naar voren komt dat [de moeder van het slachtoffer] wellicht door de wijze van verhoor een en ander heeft aangedikt. De desbetreffende passage (p. 00636) luidt:

Be ([verdachte]): Je zei zoveel leugens over mij. Hoe kom je op die idee jij, hoe kom je daar op?

Ge ([de moeder van het slachtoffer]): Omdat die fucking rechercheur zegt dat jij alles naar mij schuift. Jij zegt dat ik…

Be: Dan ga je over mij liegen?

Ge: Ja, dan moet ik mezelf toch ook redden want je moet, ik laat mezelf gewoon, ja, ja, gewoon.

Conclusie feit 1

Het bovenstaande brengt mee dat naar het oordeel van het hof, nu er op het tijdstip waarop het fatale letsel moet zijn toegebracht niemand anders dan [verdachte] in huis is en in het licht van de eerder bewezenverklaarde feiten aannemelijk is dat [verdachte] zeer agressief kan optreden, het [verdachte] was die het dodelijke letsel heeft toegebracht door óf [het slachtoffer] zeer heftig te schudden óf hem (op een matras) te gooien. Nu bewezen is dat het letsel is ontstaan door schudden en/of gooien en het achterwege blijven van een keuze hiertussen geen invloed heeft op de strafrechtelijke betekenis van het tenlastegelegde, zal het hof tussen deze tenlastegelegde varianten geen keuze maken.

Gelet op de grote kracht waarmee [het slachtoffer] is geschud of gegooid en omdat het algemeen bekend is dat een dergelijk schudden en gooien van jonge kinderen tot hun dood kan leiden, is het hof van oordeel dat ook voor [verdachte] duidelijk moet zijn geweest dat hij door aldus te handelen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [het slachtoffer] als gevolg daarvan zou komen te overlijden. [verdachte] heeft bovendien gezegd dat hij voor heftig schudden van peuters meermalen was gewaarschuwd (pv. blz. 77).

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 primair:

hij op 15 oktober 2004 te Rotterdam opzettelijk een persoon genaamd [het slachtoffer] (geboren [geboortedatum] 2003) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk [het slachtoffer]:

met kracht geschud

- en/of die [het slachtoffer] met kracht op een matras gegooid,

tengevolge waarvan die [het slachtoffer] is overleden;

Feit 2:

hij op 6 oktober 2004 te Rotterdam aan een persoon genaamd [het slachtoffer] (geboren [geboortedatum] 2003) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten eerste- en tweedegraads brandwonden op de billen en de schouder, heeft toegebracht, door opzettelijk de huid van die [het slachtoffer] meermalen in aanraking te brengen met (de hitte afkomend van) een heet strijkijzer;

Feit 3 subsidiair:

hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2004 tot en met 6 oktober 2004 te Rotterdam telkens opzettelijk mishandelend (bij) een persoon genaamd [het slachtoffer] (geboren [geboortedatum] 2003) meermalen, althans eenmaal,

- heeft gebeten in de wang en

- heeft geslagen in het gezicht en tegen het lichaam en

- een sigaret heeft gedrukt tegen het lichaam en

- een metalen haakje/klemmetje door/op het oor heeft geduwd/gedrukt,

waardoor die [het slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde heeft begaan op de redengevende feiten en omstandigheden die in de bovengenoemde bewijsoverweging zijn vervat, op grond van de daarbij in de voetnoten als bewijsmiddelen vermelde ambtsedige processen-verbaal en geschriften (de ‘Promis-werkwijze’).

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Doodslag.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Zware mishandeling.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Mishandeling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is op grond van de hierna te bespreken rapportages in het licht van het hierna overwogene met betrekking tot het onder 2 en 3 bewezenverklaarde als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen en derhalve strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte zal worden vrijgesproken ter zake van het onder 3 primair tenlastegelegde en dat de verdachte ter zake van de onder 1 primair tenlastegelegde doodslag, alsmede ter zake van het onder 2 en 3 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en negen maanden, met aftrek van voorarrest, alsmede tot terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege. In de hoogte van de gevorderde gevangenisstraf heeft de advocaat-generaal een strafvermindering van vijf procent verrekend wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft, in de korte periode dat hij bij zijn toenmalige vriendin woonde, haar toen zeer jonge zoontje met grote regelmaat mishandeld door hem te slaan. De mishandelingen waren ook sadistisch van aard. Zo beet hij hard in diens wang en prikte hij hem met een klemmetje in zijn oor. Ook drukte de verdachte enige keren een brandende sigaret tegen het lichaam van het slachtoffer. Op 6 oktober 2004 heeft de verdachte het zoontje vervolgens zwaar mishandeld door een heet stoomstrijk-ijzer tegen of vlakbij diens schouder en billen te houden, waardoor het jongetje eerste- en tweedegraads brandwonden heeft opgelopen en in een brandwondencentrum moest worden behandeld.

Op 15 oktober 2004, daags na thuiskomst uit het ziekenhuis, heeft de verdachte het slachtoffer zodanig krachtig geschud dan wel zodanig met kracht gegooid, dat het jongetje aan het hierdoor opgelopen hersenletsel, het zogenoemde “shaken baby syndroom”, is overleden.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij een nog zeer jong kind van een vriendin, dat voor zijn welzijn en gezondheid volledig afhankelijk was van diens moeder en de verdachte, niet de geborgenheid en veiligheid heeft geboden waar een kind recht op heeft. De verdachte heeft op gruwelijke wijze misbruik gemaakt van deze afhankelijkheid en zijn eigen frustraties op agressieve en sadistische wijze op de peuter afgereageerd. De verdachte heeft daarbij op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevoelens en kwetsbaarheid van zijn slachtoffer.

Door zijn handelen heeft de verdachte het jongetje uiteindelijk op brute wijze het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Tevens heeft verdachte door zijn toedoen veel leed en verdriet toegebracht aan de moeder van het kind. Van een der hulpverleners ter plaatse is – blijkens het door de advocaat-generaal op 7 september 2007 ter zitting naar voren gebrachte, hetwelk schriftelijk door de leidinggevende van die politieagente is bevestigd - bekend dat zij (mede) als gevolg hiervan langdurig van slag is geraakt. Ook de samenleving heeft geschokt en verbijsterd gereageerd op hetgeen zich op 15 oktober 2004 en in de periode daarvoor heeft afgespeeld. De rechtsorde is daardoor ernstig geschokt. Dit soort misdrijven rechtvaardigt in beginsel een vrijheidbenemende straf van aanzienlijke duur.

Het hof heeft kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, d.d. 24 november 2007, opgemaakt en ondertekend door de psycholoog G.M. Jansen. Dit rapport houdt in -zakelijk weergegeven-:

Ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten was er sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een pervasieve ontwikkelingsstoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheids-stoornis met antisociale en narcistische kenmerken. Deze stoornissen bestaan al langere tijd (vanaf zijn vroege jeugd) en zijn ten tijde van het huidige onderzoek ook aanwezig. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 is de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Ten aanzien van feit 1 is geen zicht verkregen op zijn gedragingen, gedachten en gevoelens hieromtrent, waardoor niet gemotiveerd kan worden aangegeven in hoeverre de stoornissen hebben doorgewerkt in het tenlastegelegde feit.

In normale situaties is betrokkene iemand die vrij stabiel en onverstoorbaar reageert. In situaties van afwijzingen, krenkingen in zijn behoefte aan aandacht en zorg, frustraties in de intieme relatiesfeer kan hij overspoeld raken door heftige gevoelens van woede; gevoelens die hij vanwege het gebrekkige contact met zijn onderliggende gevoelsleven niet voelt aankomen.

Het risicotaxatieonderzoek geeft aan dat er een grote kans is op recidive van sadistische gedragingen en mishandeling naar een kind toe dat onder zijn zorg staat binnen een relatie of in andere relaties die als intiem kunnen worden aangeduid. Het recidiverisico wordt vooral bepaald door de kern van zijn stoornissen. Een langdurige intramurale behandeling is, gelet op de aard en ernst van de stoornissen, noodzakelijk. Het gaat om ernstige, moeilijk door behandeling te beïnvloeden stoornissen. Het vergt een langdurige behandeling. Pas tijdens een behandeling kan worden vastgesteld welke pathologie op de voorgrond staat; de antisociale/psychopathe of het autistische. Een belangrijk kenmerk van de stoornis is dat de betrokkene geen adequaat zicht heeft op zijn eigen functioneren. Daarnaast heeft de betrokkene een grote weerstand tegen behandeling. Een ambulante behandeling valt af, want de betrokkene zal, gelet op zijn stoornissen, goed in staat zijn tot schijnaanpassing en er is dan geen enkel zicht op hoe hij zich buiten de behandeling gedraagt. Alleen in een klinische settting kan deze problematiek worden bewerkt. Er wordt een langdurig behandeltraject met veel weerstand verwacht.

Het hof heeft daarnaast kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, d.d. 24 november 2007, opgemaakt en ondertekend door de psychiater en vast gerechtelijk deskundige drs. R. Thomassen. Dit rapport houdt in -zakelijk weergegeven-:

Ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten was er sprake van een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een pervasieve ontwikkelingsstoornis en een persoonlijk-heidsstoornis. Deze diagnostische entiteiten staan voor een symptomencomplex, aanwezig vanaf de vroege jeugd tot heden. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 is de verdachte vanuit psychiatrisch oogpunt verminderd toerekenings-vatbaar te achten. Ten aanzien van het tenlastegelegde feit 1 kan geen uitspraak worden gedaan over de mate waarin dat feit aan de betrokkene is toe te rekenen.

Het recidiverisico ten aanzien van de gedragingen met sadistische elementen en het zich verliezen in grenzeloos gedrag in het contact met anderen moet op langere termijn sterk verhoogd worden ingeschat. Een TBS met bevel tot verpleging is aangewezen. Gezien de geconstateerde pathologie is een ambulant alternatief met voorwaar-delijke juridische kaders niet aan te bevelen.

Gelet op de inhoud van de hierboven genoemde rapporten en de daarin genoemde noodzaak van behandeling van de verdachte teneinde het recidiverisico tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen, is het hof van oordeel dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging aan de verdachte dient te worden opgelegd. Het hof beseft dat, wanneer geen doeltreffende kort durende behandeling voor de stoornis is te vinden, zoals in eerstgenoemd rapport naar voren komt, deze maatregel lang kan gaan duren en dat de verdachte nog vrij jong is. De ernst van het bewezenverklaarde en de veiligheid van anderen vereisen evenwel oplegging van deze maatregel.

De maatregel wordt gegrond op de door de verdachte begane misdrijven, als genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Nu voldaan is aan de wettelijke voorwaarden zal het hof de terbeschikking-stelling gelasten en bevelen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Voor de verdachte bestaat - gelet op zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid - op grond van artikel 13 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 41 tot en met 44a van de Penitentiaire Maatregel de mogelijkheid reeds gedurende de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf ter behandeling te worden geplaatst in een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden.

Naar het stellige oordeel van het hof moet - gelet op de ernst van het gepleegde en het recidivegevaar - worden voorkomen dat de verdachte voor het verstrijken van een aanzienlijke tijd en zonder voldoende behandeling in de maatschappij terugkeert.

De raadsman heeft gesteld dat de oplegging van TBS met dwangverpleging door de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM thans als disproportioneel dient te worden bestempeld. Deze opvatting vindt naar ’s hofs oordeel geen steun in het recht; het betreft immers een maatregel.

Voorts acht het hof gelet op de ernst van de feiten enerzijds en de bovengeschetste persoonlijkheid van verdachte en diens gedeeltelijke toerekeningsvatbaarheid anderzijds termen aanwezig om naast de opgelegde maatregel ook een onvoowaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het hof is van oordeel dat bij de behandeling van de zaak in hoger beroep de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. Het hof acht daarvoor een vermindering van de op te leggen straf op zijn plaats.

In beginsel acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren passend en geboden. Gelet evenwel op de mate waarin de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is overschreden, zal het hof de verdachte – naast de op te leggen maatregel - een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en acht maanden opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a(oud), 37b, 57, 287, 300(oud) en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Dit arrest is gewezen door mr. S.C.H. Koning, mr. C.G.M. van Rijnberk en dr. G.J. Fleers, in bijzijn van de griffier mr. E.J.M. van der Laan. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 december 2007.

Opmerking: De bewijsoverweging in het arrest is voorzien van 36 voetnoten, waarin verwezen wordt naar processen-verbaal, verklaringen ter terechtzitting en geschriften, waaronder in deze zaak opgemaakte rapporten.