Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BC0629

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
1574-R-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrechtkwestie. Artikel 4:16 BW. Informatieplicht. Kosten van verstrekken van stukken. Terughoudendheid met betrekking tot dwangsommen wegens aanhangig zijn andere procedure daarover.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2008, 62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 12 december 2007

Rekestnummer : 1574-R-06

Rekestnr. rechtbank : 713313

1. [verzoeker],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de oudste zoon,

en

2. [verzoekster],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de weduwe,

verzoekers in hoger beroep,

procureur mr. P.A.M. Perquin,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de jongste zoon,

procureur mr. S.E. van der Meer.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De oudste zoon en de weduwe (hierna tezamen ook te noemen: verzoekers) zijn op 3 november 2006 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2006.

De jongste zoon heeft op 27 december 2006 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de oudste zoon en de weduwe zijn bij het hof op 8 oktober 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de jongste zoon zijn bij het hof op 29 december 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Op 26 oktober 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de weduwe, bijgestaan door haar advocaat, mr. G.J. Burgert en de jongste zoon, bijgestaan door zijn procureur. De oudste zoon is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Partijen hebben het woord gevoerd, de procureur van de jongste zoon onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN DE VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam. Bij deze uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking is de weduwe veroordeeld de in de bestreden beschikking vermelde stukken binnen vier weken na de uitspraak ter beschikking te stellen aan de jongste zoon door deze ten kantore van diens procureur neer te leggen. Voorts is de weduwe veroordeeld de belastingaangiften van erflater van de vijf jaren voorafgaand aan het overlijden van erflater tot aan 2 augustus 2004 en de inboedelverzekeringspolis binnen zeven dagen na de uitspraak aan de jongste zoon te verschaffen, althans binnen veertien dagen na de uitspraak een schrijven aan de belastingdienst, dan wel de verzekeringsmaatschappij, te tonen, waaruit volgt dat de genoemde stukken zijn opgevraagd. Tevens is bepaald dat de weduwe een dwangsom van € 500,- verbeurt voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan de veroordelingen te voldoen, tot een maximum van € 25.000,-. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de informatieverstrekking over de nalatenschap van [erflater], verder: erflater. Erflater is op 2 juli 2004 overleden met achterlating van zijn echtgenote en zijn twee zonen uit een eerder huwelijk. Op 12 december 1995 heeft erflater zijn laatste uiterste wilsbeschikking doen verlijden, waarin alle eerder gemaakte uiterste wilsbeschikkingen zijn herroepen en hij niet nader over zijn nalatenschap heeft beschikt. Gelet op het vorenstaande, is op grond van het vigerende versterferfrecht de wettelijke verdeling op de nalatenschap van erflater van toepassing en zijn zowel diens weduwe als zijn twee zonen als erfgenamen tot zijn nalatenschap geroepen, ieder voor het een/derde gedeelte van zijn nalatenschap.

2. De oudste zoon en de weduwe verzoeken:

A. in het incident: de executie van de veroordeling van de weduwe in de bestreden beschikking te schorsen tot aan de eindbeschikking in de hoofdzaak;

B. in de hoofdzaak:

1) de bestreden beschikking te vernietigen en de weduwe alsnog te veroordelen tot verlening van haar medewerking op de wijze zoals zij heeft aangeboden en waarvan zij in het beroepsschrift sub 3.5.2. akte heeft verzocht, althans op de wijze zoals het hof zal vermenen te behoren, alles met bepaling dat de kosten die de voor informatie benaderde derde in rekening zullen brengen door de jongste zoon gedragen zullen worden, hetzij definitief, hetzij totdat hieromtrent bij de eindbeschikking anders zal worden beslist;

2) de jongste zoon op de voet van het in het beroepschrift sub 3.6.2 gewijzigde/vermeerderde tegenverzoek te veroordelen zijn medewerking eraan te verlenen, dat verzoekers van de ABN Amro Bank N.V. alle dagafschriften van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1997 van alle rekeningen van WAMAR v.o.f., inzonderheid van de rekeningen met nummers [x] en [y] ontvangen, hetzij op dezelfde wijze als de weduwe hem heeft aangeboden, hetzij op de wijze als het hof zal vermenen te behoren, met bepaling dat de kosten die de voor informatie benaderde derde in rekening zullen brengen door de jongste zoon gedragen zullen worden, hetzij definitief hetzij totdat hieromtrent bij de eindbeschikking anders zal worden beslist, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 200,- per dag voor iedere dag dat de jongste zoon na betekening van de beschikking zijn medewerking hiertoe niet zal hebben verleend;

C. zowel in het incident als in de hoofdzaak: de jongste zoon te veroordelen in de kosten.

3. De jongste zoon bestrijdt hun beroep en verzoekt, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de oudste zoon en de weduwe niet-ontvankelijk te verklaren in hun appel, althans het door hen verzochte te ontzeggen. Voorts verzoekt de jongste zoon het incidentele verzoek van oudste zoon van de erflater en de weduwe af te wijzen.

4. Verzoekers hebben bij voormeld schrijven, ingekomen bij het hof op 8 oktober 2007, het in het petitum zowel onder A als onder B 2) verzochte, laten vervallen, omdat deze verzoeken hun belang hebben verloren. De zesde grief alsmede het incidenteel verzoek ingevolge artikel 360 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering behoeven derhalve geen bespreking meer.

Informatieplicht versus medewerkingsplicht

5. In hun vierde grief stellen verzoekers dat de kantonrechter in de bestreden beschikking ten onrechte heeft overwogen dat het op basis van het bepaalde in artikel 4:16 lid 4 BW passend is dat de weduwe de gevraagde stukken produceert en dat daarna zal worden bezien of en in hoeverre het noodzakelijk is dat ook de jongste zoon stukken produceert. Verzoekers stellen dat de kantonrechter hiermee het onderscheid tussen de in dit artikel gevestigde twee rechtsplichten, de informatieplicht enerzijds en de medewerkingsplicht anderzijds, niet onderkent en de weduwe ten onrechte heeft veroordeeld tot nakoming van haar informatieplicht in plaats van tot nakoming van haar medewerkingsplicht, nu alle gegevensdragers tot afgifte waarvan zij is veroordeeld zich onder derden bevinden.

6. De jongste zoon stelt dat noch de tekst van artikel 4:16 lid 4 BW, noch de parlementaire geschiedenis, noch de door verzoekers aangehaalde literatuur tot de conclusie leidt dat de weduwe niet gehouden zou zijn om de stukken waarvan zij stelt dat deze niet voor handen zijn, maar die wel noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de vordering, bij derden op te vragen. De jongste zoon heeft recht op inzage en afschrift van alle bescheiden en gegevensdragers en daarnaast dient de weduwe medewerking te verlenen aan het verstrekken van inlichtingen door derden. Daarnaast stelt de jongste zoon dat indien men kijkt naar de aard van de wettelijke verdeling, het voor de hand ligt dat de weduwe jegens de erfgenamen gehouden is om inzage in en afschrift van alle gegevensdragers te geven. De jongste zoon acht het hoogst onwaarschijnlijk dat de weduwe de verzochte stukken niet in haar bezit heeft, nu erflater boekhouder was en de weduwe in de procedure afschriften uit 1997 heeft overgelegd om te bewijzen dat de jongste zoon een schuld aan de erflater had.

7. Het hof overweegt als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 4:16 BW lid 4 hebben de weduwe en de zonen van de erflater jegens elkaar het recht op inzage in en afschrift van alle bescheiden en andere gegevensdragers van de nalatenschap, die zij voor de vaststelling van hun aanspraken behoeven. Tevens zijn zij jegens elkaar gehouden tot medewerking aan de verstrekking van inlichtingen door derden. Het hof begrijpt de bestreden beschikking aldus, dat de kantonrechter de onderhavige bepaling zodanig heeft uitgelegd, dat hieruit volgt dat de weduwe gehouden is om de verzochte stukken aan de jongste zoon over te leggen, ook in het geval de verzochte stukken zich onder derden mochten bevinden. Het hof is van oordeel, dat de kantonrechter hiermee tot een juiste beslissing is gekomen. Immers, op grond van de wettelijke verdeling is de weduwe van rechtswege gerechtigd tot alle vermogensbestanddelen van de nalatenschap. Daartoe behoort in ieder geval ook het recht – zonder medewerking van de overige erfgenamen – jegens de bank op afgifte van rekeningafschriften. Nu zij weet, althans behoort te weten, welke dagafschriften feitelijk in de nalatenschap voor handen zijn, ligt het op haar weg om zonodig de ontbrekende bescheiden en gegevensdragers die de overige erven voor de vaststelling van hun aanspraken behoeven, bij de bank of elders op te vragen. Deze grief faalt derhalve.

Specificatie verzochte stukken en kosten van de verzochte stukken

8. Verzoekers stellen in hun tweede grief dat de kantonrechter in de bestreden beschikking sub 3.1 ten onrechte heeft overwogen om de zaak voor onbepaalde tijd aan te houden, mede om de weduwe in de gelegenheid te stellen om de niet voorhanden zijnde stukken op te vragen. Op dat moment was volgens appellanten nog niet bekend wat de jongste zoon precies wilde ontvangen.

9. Verzoekers stellen in hun derde grief dat de kantonrechter in de bestreden beschikking sub 3.2 ten onrechte heeft overwogen dat de jongste zoon bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft gespecificeerd van welke stukken hij afgifte verlangt. Tevens heeft de kantonrechter volgens verzoekers ten onrechte overwogen dat de daarmee verband houdende kosten, als kosten die gemoeid gaan met de afwikkeling van de nalatenschap, voor rekening van de weduwe komen. Ter terechtzitting heeft zij verklaard, dat zij een bedrag van € 713,- heeft moeten voldoen om de benodigde rekeningafschriften te verkrijgen.

10. Verzoekers stellen in hun vijfde grief dat de kantonrechter in de bestreden beschikking sub 3.4 ten onrechte heeft overwogen dat anders dan op basis van de waarnemingen ter terechtzitting werd verwacht, mede in aanmerking genomen haar toezegging dienaangaande, de weduwe in gebreke is gebleven haar informatieverplichting na te komen. De weduwe stelt dat zij haar ter terechtzitting gedane toezegging/verplichting tot afgifte van de voorhanden stukken keurig is nagekomen.

11. De jongste zoon verwijst in zijn verweer tegen de tweede, derde en vijfde grief naar het proces-verbaal in eerste aanleg, waaruit volgens de jongste zoon blijkt welke stukken door de weduwe dienden te worden overgelegd. Voorts blijkt dat de weduwe hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt en dat alle partijen in de veronderstelling verkeerden dat zij hieraan gehoor zou geven. Het is volgens de jongste zoon volstrekt onaannemelijk dat de weduwe de opdracht van de kantonrechter verkeerd heeft begrepen. Ter zake van de kosten van de verzochte stukken stelt de jongste zoon dat de weduwe de eventuele kosten die daarmee gepaard gaan, dient te vergoeden nu de wettelijke verdeling op de nalatenschap van toepassing is en zij derhalve gehouden is alle schulden der nalatenschap te voldoen.

12. Ter terechtzitting heeft de weduwe onweersproken gesteld dat de jongste zoon inmiddels alle dagafschriften heeft kunnen inzien. Het opvragen van de benodigde dagafschriften bij de naamloze vennootschap Postbank N.V. heeft volgens de weduwe dermate veel tijd gevergd, dat zij de maximale dwangsom heeft verbeurd. In een aparte procedure heeft de weduwe tegen de verbeurte van de dwangsom appel ingesteld.

13. Het hof overweegt dat de tweede, derde en de vijfde grief van appellanten zich, gezien hun onderlinge samenhang, lenen voor gezamenlijke behandeling. Ter zake van de specificatie van de verzochte stukken, is het hof van oordeel dat uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling kan worden afgeleid welke stukken het betreft. Nu is gebleken, dat er thans tussen partijen geen geschil meer is welke stukken zouden moeten worden overgelegd en dat de verzochte stukken inmiddels ter beschikking zijn gesteld, ziet het hof geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Tegen het verbeuren van een dwangsom is in deze procedure niet geappelleerd. Het hof zal zich terzake dan ook niet uitlaten en neemt hierbij mede in overweging dat verzoekers ter terechtzitting hebben verklaard in verband met de verbeurte van de dwangsom een aparte procedure in hoger beroep te zijn gestart. Ter zake van de kosten die gepaard zijn gegaan met het opvragen van de verzochte bankafschriften, is het hof van oordeel dat deze kosten dienen te worden gekwalificeerd als kosten van de vereffening van de nalatenschap in de zin van artikel 4:7 lid 1 sub c BW, nu deze kosten noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de aanspraken van de erven in de nalatenschap. Deze schulden komen ingevolge artikel 4:13 lid 2 BW voor rekening van de weduwe. Deze grief faalt derhalve.

14. Verzoekers stellen in hun eerste, algemene, grief dat de kantonrechter ten onrechte de weduwe heeft veroordeeld om de stukken als vermeld in de tweede alinea van het faxbericht de dato 13 juli 2006 van de procureur van de jongste zoon binnen vier weken na de uitspraak van de tussenbeschikking ter beschikking te stellen door deze ten kantore van zijn procureur neer te leggen.

15. De jongste zoon betwist dit.

16. Het hof is van oordeel dat ook deze grief faalt, nu de grief, gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, zelfstandige betekenis mist. Voorzover verzoekers hebben willen betogen dat de termijn van vier weken te kort is, gaat het hof hieraan voorbij. Verzoekers hebben immers op geen enkele wijze aangetoond dat het redelijkerwijs niet mogelijk was om binnen genoemde termijn de gevraagde stukken te verkrijgen.

17. Het hof ziet geen aanleiding om een van de partijen in de kosten te veroordelen en zal het daartoe strekkende verzoek van de oudste zoon en de weduwe afwijzen.

18. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Pannekoek-Dubois en Plaggemars, bijgestaan door mr. Schaaij als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2007.