Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BC0277

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
17-12-2007
Zaaknummer
88-H-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appeltermijn in een internationale zaak. 801 lid 1 sub a Rv. Bijzondere omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 805
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 806
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 24 oktober 2007

Rekestnummer. : 088-H-07

Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-3087

[De vader],

wonende te [woonplaats ] Frankrijk,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur voorheen mr. T.E. Breton-de Munck,

thans mr. H.A. Terleth-Gerretse,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. M.J.E.L. Delissen.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 22 januari 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 6 juni 2006, welke beschikking krachtens de EG-verordening en de EU Betekeningverordening aan hem is betekend op 23 oktober 2006.

De moeder heeft op 3 april 2007 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 30 januari 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Op 10 oktober 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de procureur van de vader, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. J.S. Oey. De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De moeder en de raadslieden hebben het woord gevoerd.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de ouders het volgende vast.

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, waaruit [in] 1992 is geboren de minderjarige: [naam minderjarige], roepnaam: [roepnaam minderjarige]. De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder heeft alleen het gezag over haar.

Op 25 mei 2005 heeft de moeder de rechtbank te ‘s-Gravenhage verzocht – uitvoerbaar bij voorraad – de aan de moeder te betalen kinderalimentatie ten laste van de vader, met ingang van 1 januari 2005, vast te stellen op € 500,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht en tevens de vader te veroordelen in de kosten van het geding. De vader heeft tegen dit inleidende verzoek geen verweer gevoerd.

Bij de bestreden beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad – de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2005 bepaald op € 500,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn ten aanzien van de kinderalimentatie, de draagkracht van de vader en de behoefte van [de minderjarige].

2. De vader verzoekt voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de vader met ingang van 6 juni 2006 zal bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met een bedrag van € 150,- per maand, te vermeerderen met de helft van alle reiskosten (vliegtickets) in het kader van de omgangsregeling, althans te bepalen dat de vader met ingang van een door het hof te bepalen datum en een door het hof in goede justitie vast te stellen bijdrage levert in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige].

3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt daarbij, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de vader in de kosten van beide instanties, althans een zodanige onderhoudsbijdrage, rente en/of kosten vast te stellen als het hof vermeent te behoren.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

4. De vader is in eerste aanleg niet verschenen bij de rechtbank. Uit de bestreden beschikking is gebleken dat de rechtbank de vader een afschrift heeft verzonden van het verzoekschrift van de moeder. Voorts is uit het afschrift van het betekeningsexploot van de gerechtsdeurwaarder Van Mastrigt & Partners (productie 2 bij het verzoekschrift) van 15 december 2005 gebleken dat aan de vader een [buitenlandse] vertaling van dit verzoekschrift is verzonden. Op grond van artikel 805 Rv, waarin is bepaald dat de griffier onverwijld een afschrift van de beschikking verstrekt of verzendt aan – onder meer – de niet verschenen belanghebbende aan wie een afschrift van het verzoekschrift is verzonden, gaat het hof ervan uit dat de rechtbank de bestreden beschikking aan de vader heeft verzonden.

Gelet op voorgaande en op grond van artikel 806 lid 1 sub a Rv kan de vader binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep instellen. In onderhavige zaak is de beroepstermijn van de vader derhalve gaan lopen op 7 juni 2006, zijnde de dag na de uitspraak. Deze termijn is geëindigd op 6 september 2006.

Nu de vader eerst op 22 januari 2007 in hoger beroep is gekomen tegen de bestreden beschikking, derhalve na het verstrijken van de beroepstermijn van drie maanden, acht het hof de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Wat betreft de door de advocaat van de vader ter terechtzitting naar voren gebrachte stelling dat de vader pas na de betekening van de [buitenlandse] vertaling van de bestreden beschikking op 23 oktober 2006 wist of kon weten wat de inhoud van deze beschikking was en dat de beroepstermijn van drie maanden derhalve pas op 23 oktober 2006 is aangevangen, overweegt het hof als volgt. Volgens vaste jurisprudentie dient aan beroepstermijnen strikt de hand te worden gehouden. De Hoge Raad heeft hierop een uitzondering gemaakt en in gevallen waarin degene die hoger beroep instelt door fouten van – onder meer – de griffie van de rechtbank, niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter een beschikking had gegeven en de beschikking hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep is toegezonden of verstrekt, bepaald dat de beroepstermijn verlengd wordt met een termijn van veertien dagen na de dag van de verzending of verstrekking van de beschikking.

Indien er in casu van wordt uitgegaan dat de verzending van de bestreden beschikking door de rechtbank, zonder [buitenlandse] vertaling, als een fout van de griffie van de rechtbank moet worden beschouwd, waardoor de bestreden beschikking pas na afloop van de beroepstermijn aan de vader is verstrekt of verzonden, dan had de vader – gelet op voorgaande – nog slechts veertien dagen na 23 oktober 2006 (de datum waarop de [buitenlandse] vertaling van de bestreden beschikking aan hem is betekend) om hoger beroep in te stellen. Nu het hoger beroep pas op 22 januari 2007 is ingediend, zal het hof de vader ook dan niet-ontvankelijk dienen te verklaren.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Husson en Van der Burght, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 oktober 2007.