Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BC0265

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
17-12-2007
Zaaknummer
1185-R-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing: Nu enerzijds de situatie aan de zijde van de moeder aanmerkelijk verbeterd lijkt te zijn en er anderzijds vragen bestaan rond de ontwikkeling van de minderjarige, zoals met betrekking tot hechting, acht het hof het van belang dat nu allereerst op korte termijn onafhankelijk onderzoek plaatsvindt naar de omstandigheden rond de minderjarige: Kan hij een eventuele terugplaatsing bij de moeder aan ? Zo ja, dan dient aansluitend vervolgonderzoek plaats te vinden naar de (leef)omstandigheden van de moeder: Kan zij de verzorging en opvoeding weer ter harte nemen ?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 17 oktober 2007

Rekestnummer : 1185-R-07

Rekestnr. rechtbank : J2 RK 07-567

De Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: Jeugdzorg,

gemachtigde: mr. S. Scheimann,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

verweerster in hoger beroep,

procureur: mr. W. Heemskerk.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2. de raad voor de kinderbescherming,

regio Rotterdam-Rijnmond,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Jeugdzorg is op 20 augustus 2007 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 3 juli 2007 van de kinderrechter in de rechtbank te Rotterdam.

De moeder heeft op 14 september 2007 een verweerschrift ingediend.

Op 26 september 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: namens Jeugdzorg haar gemachtigde, alsmede S. van der Meer, N.N.L. van der Horst en de gezinsvoogd E. Noordzij. Namens de moeder is verschenen haar advocaat mr. W.G. Fischer. De moeder, de vader, noch de raad zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, verschenen.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige], geboren [in] 2002, (hierna te noemen: [de minderjarige]) verlengd tot 5 juli 2008 en de duur van de machtiging tot plaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 1 februari 2008.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING

1. In geschil is de afwijzing van het verzoek van Jeugdzorg tot verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van de ondertoezichtstelling (tot 5 juli 2008).

2. Jeugdzorg verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, alsnog haar verzoek in eerste aanleg tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 5 juli 2008 in te willigen. De moeder bestrijdt haar beroep.

3. In haar (enige) grief voert Jeugdzorg aan dat de rechtbank een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt en ten onrechte en in strijd met het belang van [de minderjarige] beslist heeft de machtiging tot uithuisplaatsing niet voor de duur van een jaar te verlengen. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte een onderzoek naar de mogelijkheden voor terugplaatsing bij moeder bevolen terwijl zeer evident is dat [de minderjarige] niet terug kan keren naar zijn moeder.

4. Namens de moeder is ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd. De moeder verzoekt te bepalen dat Jeugdzorg onderzoek laat verrichten waarin als onderzoeksvraag in ieder geval ook mee wordt genomen de leefsituatie van de moeder en de wenselijkheid van terugkeer van [de minderjarige] bij de moeder.

5. Het hof stelt voorop dat een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing slechts mogen worden verleend/verlengd indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in de artt. 1:254 lid 1 en 1:261 lid 1 BW, (nog steeds) bestaan. De rechter zal (steeds) moeten onderzoeken of de minderjarige bij het uitblijven van de verzochte machtigingen zodanig verder zal opgroeien dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig zullen worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging, naar is te voorzien, zullen falen. De rechter zal daarbij als uitgangspunt hebben te nemen dat in beginsel het uiteindelijke doel van een ondertoezichtstelling met gelijktijdige uithuisplaatsing is dat de minderjarige terugkeert bij de ouder(s), en dat de ouder(s) daartoe optimaal dien(t)en te worden voorbereid en dat er ook actief dient te worden gewerkt aan een situatie waarbinnen de kans van slagen zo groot mogelijk is.

6. In het onderhavige geval gaat het om een bijna zesjarig jongetje, [de minderjarige], die ongeveer 13 maanden na zijn geboorte in een pleeggezin is komen te verblijven, eerst op basis van crisisplaatsing en per april 2004 met de status van perspectief biedend pleeggezin. Ten tijde van de behandeling ter terechtzitting van het hof verbleef [de minderjarige] daar nog steeds. Voor zijn plaatsing in het pleeggezin heeft [de minderjarige], wisselend met de moeder of de vader, min of meer rondgezworven en waren er grote relationele problemen tussen de beide ouders onderling. Een en ander werd verzwaard door het gegeven dat de moeder geen vergunning had om in Nederland te verblijven.

7. Het hof heeft begrepen dat het op zich zelf goed gaat met [de minderjarige] in het pleeggezin, ook al lijken er in toenemende mate aanwijzingen te zijn voor een mogelijke (hechting-)stoornis. [De minderjarige] is een temperamentvol kind dat veel aandacht en begeleiding behoeft, reden waarom het pleeggezin wordt begeleid.

8. De vader verblijft momenteel langdurig in het buitenland en onderhoudt van daaruit contact met het pleeggezin en [de minderjarige]; wanneer hij incidenteel in Nederland is, zoekt hij zijn zoon in het pleeggezin op. De moeder heeft inmiddels onbegeleide omgang met [de minderjarige] en zij komt in verband daarmee ook wel in het pleeggezin. Ten tijde van de in de onderhavige zaak reeds gegeven beschikkingen in verband met de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, waren de leefomstandigheden van de moeder (zeer) zorgelijk. Daarin lijkt thans een wending te zijn gekomen. Het hof is uit de stukken en het besprokene ter zitting gebleken dat zij inmiddels een verblijfsstatus heeft in Nederland, een eigen woning, een uitkering om in haar levensonderhoud te voorzien en is zij gestart in een integratietraject.

9. In geschil tussen partijen is de, in de bestreden beschikking, gegeven opdracht aan de raad tot onderzoek van de leefomstandigheden van de moeder in het licht van - zo begrijpt het hof - het hiervoor onder 5. vermelde uitgangspunt.

10. De moeder is van mening dat een zodanig onderzoek moet worden verricht nu zij zelf inmiddels in staat moet worden geacht voor [de minderjarige] te kunnen zorgen.

11. Jeugdzorg daarentegen stelt zich primair op het standpunt – zakelijk weergegeven – dat met de plaatsing van [de minderjarige] in een perspectief biedend pleeggezin en zijn reeds langdurige verblijf daarin, mede gelet op de mogelijke hechtingsproblematiek bij het nog jonge kind, een onomkeerbaar traject is ingezet en ervan uit moet worden gegaan dat [de minderjarige], ook onder de huidige omstandigheden van de moeder, niet meer naar haar zal terug kunnen keren. Subsidiair heeft Jeugdzorg betoogd dat op korte termijn een persoonlijkheids- onderzoek van [de minderjarige] zal worden aangevraagd teneinde beter zicht te krijgen op de oorzaken van de opvoedings- dan wel hechtingsproblemen die er thans lijken te zijn. Jeugdzorg gaat er van uit dat de moeder niet in staat is adequaat te kunnen voorzien in het voor [de minderjarige] benodigde opvoedingsklimaat, gegeven deze problemen.

12. Gelet op meergenoemd, onder 5. vermeld, uitgangspunt is het hof van oordeel dat in deze zaak de moeder, nu haar leefomstandigheden reëel zijn gewijzigd, terecht opwerpt dat zonder nader onderzoek naar de situatie van de moeder, er voor het standpunt van Jeugdzorg dat het zonder meer, in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] – blijvend – noodzakelijk is dat hij in een pleeggezin verblijft, onvoldoende grond is.

13. Het hof is in de onderhavige zaak van oordeel dat het, teneinde een - ook in het tijdsverloop passend - traject in te gaan, van belang is dat eerst grondig onderzoek wordt verricht naar de persoon van [de minderjarige] en in dat verband of er specifieke hechtings- dan wel opvoedingsproblemen zijn die een terugkeer binnen afzienbare tijd naar de moeder in de weg staan. Een dergelijk persoonlijkheidsonderzoek zal, zo begrijpt het hof, binnenkort door Jeugdzorg in gang worden gezet. Een onderzoek door een onafhankelijk instituut zoals FORA ligt daarbij in de rede. Indien dit onderzoek uitwijst dat het in het belang van de verzorging en opvoeding voor [de minderjarige] noodzakelijk is dat hij - tenminste de komende periode - blijft in het pleeggezin, dan is verder onderzoek naar de leefomstandigheden van de moeder op dit moment niet geïndiceerd.

Komt op grond van het persoonlijkheidsonderzoek voormelde noodzaak echter niet zonder meer vast te staan, dan acht het hof - gegeven de tijdelijke aard van de maatregel tot uithuisplaatsing van een minderjarige - Jeugdzorg gehouden een onderzoek te doen naar de huidige leefomstandigheden van de moeder en de mogelijkheid van een geleidelijke terugkeer van [de minderjarige] naar haar.

14. In het licht van de te verwachten tijdsduur van voormeld(e) onderzoek(en), zal het hof de uithuisplaatsing verlengen tot 5 juli 2008, teneinde de kinderrechter in staat te stellen de tegen die tijd te verwachten onderzoeksresultaten in zijn verdere beleidsoverwegingen te betrekken.

15. Het voorgaande betekent dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij is bepaald dat de duur van de machtiging tot plaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg is verlengd tot 1 februari 2008 en, in zoverre opnieuw beschikkende:

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de periode tot 5 juli 2008;

verwijst in verband met het te verrichten onderzoek naar rechtsoverweging 13;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, van Leuven en Kamminga, bijgestaan door Lekahena als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2007.