Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BC0162

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
17-12-2007
Zaaknummer
1826-D-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag en omgang na scheiding. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat voortzetting van gezamenlijk gezag na echtscheiding in casu geen onaanvaardbaar risico voor de kinderen oplevert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 17 oktober 2007

Rekestnummer : 1826-D-06

Rekestnrs. rechtbank : FA RK 06-7018 en FA RK 06-7019

[De vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. J.C. Meijroos,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. R.Th.R.F. Carli.

Als informant is aangemerkt:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Zuid-Holland Zuid & Zeeland,

locatie Dordrecht,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 22 december 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Dordrecht van 27 september 2006.

De moeder heeft op 4 juli 2007 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 2 maart 2007 en 17 juli 2007 aanvullende stukken ingekomen.

De raad heeft het hof bij brief van 20 juni 2007 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 19 september 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. G.A.H. Wiekamp, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. C.J.W. Tijsseling. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vader onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie. De minderjarigen [sub 1] en [sub 2] zijn in raadkamer gehoord.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 10 mei 2006 van de rechtbank Dordrecht. Bij de bestreden beschikking is onder meer bepaald dat de moeder met het ouderlijk gezag wordt belast en is er tevens een omgangsregeling tussen de vader en na te noemen minderjarigen vastgesteld van iedere zondag na kerktijd tot 15.30 uur in het bijzijn van de familie [sub 1], de familie [sub 2] of de familie [sub 3], alsmede rondom het voetbalveld, als [de minderjarige sub 1] en [de minderjarige sub 2] voor hun hobby trainen of een wedstrijd spelen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn het gezag en de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige kinderen:

[de minderjarige sub 1], geboren [in] 1992, verder: [de minderjarige sub 1], en [de minderjarige sub 2], geboren [in] 1994, verder: [de minderjarige sub 2], hierna ook te noemen: de kinderen, die bij de moeder verblijven. De moeder is in de bestreden beschikking belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de kinderen.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking voor zover het de omgangsregeling en het ouderlijk gezag betreft te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat:

- beide partijen belast blijven met het ouderlijk gezag over hun kinderen;

- tussen de kinderen en de vader een omgangsregeling wordt vastgesteld, inhoudende dat [de minderjarige sub 1] en [de minderjarige sub 2] één weekend in de veertien dagen van vrijdagavond tot zondagavond bij de vader zullen verblijven, althans elk weekend, in de ene week van vrijdagavond tot zaterdagavond en de andere week van zaterdagavond tot zondagavond, alsmede gedurende de verjaardagen van de vader en de kinderen, vakanties en feestdagen, althans een dusdanige regeling te treffen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

3. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt daarbij de bestreden beschikking te bekrachtigen, onder afwijzing van het in hoger beroep verzochte gezamenlijk ouderlijk gezag en de verzochte omgangsregeling.

Ouderlijk gezag

4. In de eerste grief stelt de vader dat de rechtbank de moeder ten onrechte heeft belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. De moeder heeft hiertoe gesteld dat er sprake zou zijn geweest van huiselijk geweld. De vader stelt dat de kinderen een band met hun vader hebben, hem missen en dat het voorts in het belang van de kinderen is dat hij zeggenschap over hen behoudt. Voor zover de kinderen klem zijn komen te zitten, is dit volgens de vader het gevolg van het feit dat de moeder iedere communicatie in de weg staat. Door de moeder te belasten met het eenhoofdig gezag blijft deze, ook voor de kinderen ongewenste, situatie in stand.

5. De moeder stelt in haar verweer dat de vader de huiselijke problemen en het daaruit voortvloeiende geweld bagatelliseert. De vader heeft moeite met zijn gezag over de opgroeiende jongens, en kan volgens hulpverleners zijn agressie en frustratie niet kanaliseren, laat staan de baas zijn. Woede-uitbarstingen maken dat de veiligheid van de jongens in het geding is. Op dit moment is de rust in het gezin weergekeerd en dit dient in het belang van de kinderen niet te worden verstoord. De moeder stelt dat zij in eerste aanleg terecht met het eenhoofdig gezag is belast, omdat overleg tussen de ouders in deze complexe situatie niet mogelijk is. Het belang van de kinderen zou op geen enkele wijze bij gedwongen contact tussen de ouders zijn gediend, omdat zij hierdoor inderdaad klem zouden komen te zitten in de conflicten van de ouders en het welbevinden van de kinderen slechts (weer) zal afnemen.

6. Het hof overweegt als volgt. Uitgangspunt van de wet is dat beide ouders, uit het oogpunt van het belang van het kind, in beginsel met het ouderlijk gezag over hun kind(eren) belast blijven. Dit wettelijk uitgangspunt leidt uitzondering, indien er, bij voortduring van het gezamenlijk gezag, een onaanvaardbaar risico ontstaat voor het kind, bijvoorbeeld dat het klem of verloren zal raken of dreigen te raken tussen de ouders. In dat geval wordt het ouderlijk gezag in het belang van het kind uitsluitend aan één ouder toegekend. In casu is het hof van oordeel, dat uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken van een dusdanige situatie, dat er dient te worden afgeweken van het vorenomschreven wettelijke uitgangspunt. Hetgeen tussen de ouders is voorgevallen, betreft weliswaar naar het oordeel van het hof heftige incidenten doch die moeten worden gekoppeld aan de crisis die onvermijdelijk is verbonden aan de echtscheiding tussen de ouders en het daarmee gepaard gaande proces. Van partijen kan, mag en moet worden gevergd dat zij zich als ouders met elkaar verstaan inzake de kinderen. Het hof acht partijen daartoe in staat. Het hof overweegt voorts dat de vader ter terechtzitting uitdrukkelijk heeft aangegeven, dat hij zich bij het herkrijgen van het gezamenlijk gezag niet zal bemoeien met de dagelijkse gang van zaken in het huishouden van de moeder en de kinderen en dat hij het gezamenlijk gezag niet zal aangrijpen om met de moeder danwel de kinderen de gebeurtenissen uit het verleden weer op te rakelen en/of opnieuw aan de orde te stellen. Ook uit het kinderverhoor zijn geen zwaarwegende bezwaren tegen het herleven van het gezamenlijk ouderlijk gezag gebleken. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het belang van de kinderen vergt dat beide ouders met het ouderlijk gezag na scheiding belast blijven zodat de bestreden beschikking ter zake van de toewijzing van het ouderlijk gezag dient te worden vernietigd.

Omgang

7. In zijn tweede grief stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte een omgangsregeling heeft bepaald waarbij de kinderen iedere zondag na kerktijd tot 15.30 uur in het bijzijn van de familie [sub 1], de familie [sub 2] of de familie [sub 3] alsmede rondom het voetbalveld omgang met hun vader hebben. De vader stelt dat deze omgangsregeling tot stand is gekomen ter zitting van de voorlopige voorzieningen van 24 april 2006. Het was volgens de vader de bedoeling van partijen dat dit een tijdelijke situatie zou zijn. De vader stelt dat de omgangsregeling reeds vanaf het begin niet of nauwelijks heeft plaatsgevonden. De families die bij de omgangsregeling betrokken zijn, hebben aangegeven dat hen gebleken is dat de regeling praktisch niet uitvoerbaar is. De kinderen ontmoeten hun vader in een geregisseerde en geforceerde setting en voelen zich daar ongemakkelijk bij. De belasting van de omgangsregeling voor de betrokken families is niet gering en voorts hebben zij aangegeven dat zij het gebrek aan overleg tussen beide ouders als zeer frustrerend ervaren. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 30 november 2006 de vordering van de vader, om aan de nakoming van de omgangsregeling een dwangsom te verbinden, afgewezen. De vader stelt dat de voorzieningenrechter in het vonnis heeft vastgesteld dat alle bij de omgangsregeling betrokken partijen van mening zijn dat de omgangsregeling niet werkt. De vader stelt dat [de minderjarige sub 1] omgang met zijn vader wenst, doch in een ongedwongen sfeer. [De minderjarige sub 2] toont zich volgens de vader heel aanhankelijk wanneer zij elkaar zien. De vader stelt dat de moeder elke alternatieve omgangsregeling die niet begeleid is, van de hand wijst.

8. In zijn derde grief stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen op voorhand geen aanleiding te zien tot een verdergaande omgangsregeling. De rechtbank heeft overwogen dat de stelling van de moeder dat de vader te kampen heeft met impulsdoorbraken, die samenhangen met het bereiken van de puberteitsjaren van de kinderen, niet zonder grond is. Gesteld noch gebleken zou zijn, dat de vader werkt aan een oplossing om zijn impulsen te leren beheersen zoals door het volgen van therapie. De vader bestrijdt uitdrukkelijk dat hij te kampen heeft met impulsdoorbraken of dat er sprake is van enige psychische problematiek of persoonlijkheidsstoornis. Het geweldsincident dat de vader met zijn oudste zoon [sub 3] heeft gehad, is een gevolg van grote spanningen en de onmacht van de vader om hem in toom te houden. De vader heeft in april 2007 thans een agressiehanteringstherapie met succes afgerond en heeft spijt van zijn gedrag. De vader meent dat de rechtbank niet zonder meer heeft kunnen vaststellen dat begeleide omgang de enige optie zou zijn en dat dit zwaarder zou dienen te wegen dan de bezwaren van de vader en de betrokken families.

9. De moeder handhaaft in haar verweer ter zake van de tweede en derde grief hetgeen zij eerder heeft gesteld. Zij voert aan dat de indertijd opgelegde regeling het hoogst en enig haalbare is, nu de agressie van de vader de noodzaak van begeleide omgang tot de dag van vandaag in stand laat. Zij betwist dat de kinderen behoefte hebben aan frequenter of onbegeleide omgang. [De minderjarige sub 2] heeft thans eens in de drie weken contact met zijn vader en heeft niet de wens geuit dit uit te breiden; voor [de minderjarige sub 1] is het contact met zijn vader op het voetbalveld ruim voldoende. De moeder verwijst naar het rapport van de Grote Rivieren, de raad en de overgelegde producties en stelt dat onbegeleide omgang niet aan de orde kan zijn, te meer omdat de vader zijn eigen problematiek ontkent.

10. De tweede en de derde grief lenen zich naar het oordeel van het hof gezien hun onderlinge samenhang voor een gezamenlijke behandeling. In aansluiting op het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 30 november 2006, waarin de voorzieningenrechter heeft geconstateerd dat de thans tussen partijen van kracht zijnde omgangsregeling voor alle betrokkenen niet werkbaar is, is het hof van oordeel dat de omgangsregeling om deze reden opnieuw dient te worden vastgesteld en zullen de in de omgangsregeling betrokken families niet nodeloos worden belast met de tussen partijen gerezen conflicten en spanningen. Het hof zal de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige sub 1] en [de minderjarige sub 2] vaststellen conform de tussen de vader en [de minderjarige sub 2] huidige frequentie van de omgang, zijnde een zondag per drie weken. Het hof overweegt daarbij dat geen enkele objectieve aanwijzing of contra-indicatie naar voren is gekomen waardoor het oordeel is gerechtvaardigd dat omgang met de vader in strijd zou zijn met het belang van de kinderen.

Van zwaarwegend belang voor de kinderen is dat de vader én de moeder, als ouders in de toekomst beter met elkaar communiceren en meer vertrouwen in elkaar hebben. Gelet op het vorenstaande bepaalt het hof dat er met ingang van de datum van deze beschikking met betrekking tot [de minderjarige sub 2] omgang zal zijn en met betrekking tot [de minderjarige sub 1] – gelet op zijn leeftijd – omgang kan zijn tussen de vader en de kinderen één zaterdag per drie weken, van 10.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de vader de kinderen om 10.00 ophaalt bij de moeder thuis, van het voetbalveld of een andere door partijen af te spreken plek en om 18.00 uur weer bij de moeder terugbrengt. De vader heeft ter terechtzitting aangegeven het kerkbezoek van de kinderen op zondag te zullen stimuleren en te faciliteren, indien en voor zover de kinderen kenbaar maken dat zij hieraan behoefte hebben. Deze grieven slagen derhalve in zoverre.

11. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen ten aanzien van het gezag en de omgang en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende verzoek van de moeder om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de uit het huwelijk geboren minderjarige kinderen af;

bepaalt dat er met betrekking tot [de minderjarige sub 2] omgang zal zijn en met betrekking tot [de minderjarige sub 1] – gelet op zijn leeftijd – omgang kan zijn tussen de vader en de kinderen van een zondag per drie weken van 10.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de vader de kinderen om 10.00 ophaalt bij de moeder thuis, van het voetbalveld of een andere door partijen af te spreken plek en om 18.00 uur weer bij de moeder terugbrengt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Mos-Verstraten en Punselie, bijgestaan door mr. Schaaij als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2007.