Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BC0026

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-10-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
C06/593
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Lease-auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 5 oktober 2007

Rolnummer: 06/593

Rolnummer rechtbank: 499820/05-11327

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[WERKNEMER],

wonende te […],

appellant,

hierna te noemen: [Werknemer],

procureur: mr. F.N. Grooss,

tegen

IBZH RAADGEVEND INGENIEURSBUREAU B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: IBZH,

procureur: mr. F.J. Sandee.

Het geding

Bij exploot van 28 april 2006 is [Werknemer] in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 15 december 2005 en het eindvonnis van 2 februari 2006 door de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie 's-Gravenhage, gewezen tussen partijen. [Werknemer] heeft bij memorie van grieven tevens wijziging van eis (met producties) negen grieven aangevoerd tegen het eindvonnis, die door IBZH bij memorie van antwoord zijn bestreden. Partijen hebben hun zaak op 10 september 2007 door hun procureurs doen bepleiten, [Werknemer] heeft pleitnotities overgelegd en een akte ter pleidooi zitting houdende wijziging van eis genomen. Tot slot hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In de bestreden vonnissen heeft de rechtbank geen feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Het hof zal van de volgende feiten als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende bestreden uitgaan.

2.1 [Werknemer] is met ingang van 1 april 1996 bij IBZH in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in de functie van assistent projectmanager.

2.2 Op verzoek van [Werknemer] (wiens auto aan vervanging toe was, en die in de leaseconstructie een gunstige manier zag een nieuwe auto te verkrijgen) zijn partijen mondeling overeengekomen dat IBZH aan [Werknemer] met ingang van 1 oktober 2001 voor de duur van vier jaar een lease-auto ter beschikking zou stellen van een specifiek type, te weten een tweedehands Volvo V70 XC AWD COMF en dat [Werknemer] deze auto aan het eind van de leasetermijn, dus per 1 oktober 2005, zou overnemen. Als tegenprestatie zou [Werknemer] in december 2001 en december 2002 afzien van een tweetal uitkeringen van in totaal € 9.000,-- en van zijn maandelijkse woon-werkvergoeding van € 75,-- per maand. Daarnaast werd een maandelijkse eigen bijdrage overeengekomen van € 250,--, welk bedrag maandelijks werd ingehouden op het salaris van [Werknemer].

2.3 Op grond van deze afspraak werd aan [Werknemer] met ingang van 1 oktober 2001 via een sale en lease-back constructie met MKB-lease een Volvo van genoemd type, bouwjaar 1999, met kenteken ZN-FD-15 (verder: de Volvo) ter beschikking gesteld. [Werknemer] heeft voor eigen rekening voor een bedrag van Hfl. 1.967,07 (€ 892,62) een trekhaak, windschermen en een lpg-installatie laten aanbrengen (prod. 18 bij CvR).

2.4 Het berijden van genoemde Volvo bleek veel kosten met zich te brengen. Zo moest in januari 2003 een ruilmotor worden geplaatst en had de auto in augustus 2003 een kapotte achterasdifferentieel. MKB-lease heeft deze reparaties en het vervangend vervoer van [Werknemer] bekostigd. In oktober 2003 bleek wederom een reparatie nodig. Op grond van een expertiserapport stelde MKB dat deze reparatie het gevolg was van doorrijden met een oververhitte motor en belastte de schade (deels) door aan IBZH. In november 2003 vertoonde de auto opnieuw een gebrek, de visco-koppeling in de aandrijving was kapot. Een en ander heeft geleid tot de voortijdige beëindiging van de lease-overeenkomst per 17 november 2003. De Volvo is door MKB-lease aan een derde verkocht.

2.5 IBZH heeft aan [Werknemer] vanaf 7 (dan wel 17) november 2003, de dag dat hij de Volvo ter reparatie aanbood aan de garage, tot 1 juni 2004 op haar kosten vervangend vervoer ter beschikking gesteld. Met ingang van laatstgenoemde datum heeft IBZH de inhouding van de maandelijkse eigen bijdrage van € 250,-- gestaakt en [Werknemer] weer in aanmerking gebracht voor de maandelijkse woon-werkvergoeding van € 75,-- en een vergoeding van € 0,28 per gereden zakelijke kilometer. Voorts heeft IBZH aan [Werknemer] een bedrag terugbetaald van € 3.375,-- (zijnde het volgens IBZH nog niet "opgebruikte" deel van het door [Werknemer] bijgedragen bedrag van € 9.000,-).

2.6 Op 24 mei 2005 heeft [Werknemer] IBHZ gedagvaard en – na wijziging van eis – bij wijze van schadevergoeding wegens het niet correct nakomen van de in rechtsoverweging 2.2 bedoelde afspraak, betaling gevorderd van een bedrag van (het hof begrijpt) € 42.833,84, vermeerderd met wettelijke rente, en van een bedrag van € 998,32 wegens buitengerechtelijke kosten. In voorwaardelijke reconventie vorderde IBZH primair de ontbinding van de per 1 oktober 2001 tussen partijen bestaande overeenkomst als bedoeld in rechtsoverweging 2.2 en subsidiair de gedeeltelijke ontbinding en wijziging van de gevolgen daarvan in die zin dat [Werknemer] alleen recht heeft op het gedurende 6 maanden na het eindigen van de lease-overeenkomst met MKB Lease huren van een vervangende auto en op een vergoeding van de door [Werknemer] in de uitoefening van zijn functie gereden zakelijke kilometers van € 0,28 per kilometer gedurende zijn dienstverband.

2.7 Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [Werknemer] in conventie afgewezen en hem in de proceskosten verwezen. Aan de voorwaardelijke reconventionele vordering is de rechtbank niet toegekomen.

3.1 In hoger beroep heeft [Werknemer] – uiteindelijk, na twee eiswijzigingen – gevorderd:

1. een verklaring voor recht dat [Werknemer] op basis van de tussen hem en IBZH bestaande arbeidsovereenkomst recht heeft op een lease-auto;

2. de veroordeling van IBZH binnen één maand na heden een lease-overeenkomst te sluiten en vervolgens een lease auto van dezelfde categorie als de Volvo aan hem ter beschikking te stellen;

3. betaling van de volgende bedragen:

- € 1.147,06 aan teveel betaalde maandelijkse bijdrage;

- € 892,62 wegens in de Volvo achtergebleven accessoires;

- € 5.625,- zijnde het saldo van de ten onrechte betaalde uitkeringen van in totaal € 9.000,- minus het reeds terugbetaalde bedrag van € 3.375,-;

- € 24.440,99 aan reeds betaalde huurkosten alsmede de toekomstige huursommen die nog door [Werknemer] zullen worden betaald tot het moment dat IBZH weer aan haar verplichtingen voldoet;

- een bedrag nader op te maken bij staat, ter hoogte van het verschil tussen de (hogere) prijs die [Werknemer] aan MKB-lease voor de Volvo zou hebben betaald en de (lagere) marktprijs voor een vergelijkbare Volvo,

een en ander vermeerderd met wettelijke rente;

- een bedrag van € 998,32 wegens buitengerechtelijke kosten;

met veroordeling van IBZH in de proceskosten in beide instanties.

3.2 De grieven leggen het geschil in conventie in volle omvang aan het oordeel van het hof voor en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De grieven richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een verworven arbeidsvoorwaarde, zodat zij ten onrechte niet heeft geconcludeerd dat IBZH haar verplichtingen uit arbeidsovereenkomst niet is nagekomen en tegen de afwijzing van de verschillende vorderingen.

3.3 Het hof overweegt als volgt.

Geen grieven zijn gericht tegen het bestreden tussenvonnis, zodat het hoger beroep van [Werknemer] in zoverre niet ontvankelijk is.

3.4 De gestelde omstandigheid dat [Werknemer] op grond van zijn functie en de bij IBZH geldende lease-regeling niet voor een lease-auto in aanmerking komt, staat er niet aan in de weg dat [Werknemer] op grond van een individueel met IBZH gemaakte afspraak recht had op een lease-auto. Zoals hiervoor onder 2.2 weergegeven, staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken, vast dat in casu sprake was van zo een individuele afspraak. Op grond van deze afspraak had [Werknemer] voor een periode van vier jaar vanaf 1 oktober 2001 recht op een specifieke lease-auto, te weten de Volvo, en diende hij deze auto aan het eind van de leasetermijn, dus per 1 oktober 2005, over te nemen. Vaststaat dat door de vroegtijdige beëindiging van de lease-overeenkomst met MKB-lease inzake genoemde auto, deze afspraak met [Werknemer] is geschonden. IBZH heeft haar stelling dat haar dit niet te verwijten valt, omdat MKB-lease de leaseovereenkomst had opgezegd, onvoldoende concreet onderbouwd. Het hof acht deze stelling overigens ook weinig geloofwaardig, nu MKB-lease zelf in haar brief van 16 juli 2004 (prod. 11 bij CvA) daarover schrijft: "In overleg met IBZH is er besloten deze auto om technische-, financiële en veiligheidsredenen per direct te stoppen.". Voor zover IBZH bedoelt te stellen dat gelet op de vele gebreken aan de auto van haar niet kon worden gevergd de overeenkomst met [Werknemer] ongewijzigd voort te zetten, geldt dat in ieder geval van haar had kunnen worden gevergd dat zij zich hierover met [Werknemer] had verstaan. Zij heeft dit nagelaten. Er is derhalve sprake van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van IBZH, die haar schadeplichtig maakt.

3.5 Als onvoldoende gemotiveerd weersproken staat vast dat [Werknemer] gelet op zijn functie en de bij IBZH geldende lease-regeling geen aanspraak kon of kan maken op een lease-auto. [Werknemer] kan zijn recht op een lease-auto dus slechts stoelen op de in rechtsoverweging 2.2 weergegeven afspraak. Dat uit deze afspraak volgt dat partijen hebben beoogd [Werknemer] voor de rest van zijn dienstverband een recht toe te kennen op een lease-auto, vermag het hof niet in te zien. Integendeel: uit de omstandigheid dat alleen is gesproken over een leasecontract voor de duur van vier jaar ten aanzien van een specifieke door [Werknemer] gewenste auto, die [Werknemer] na beëindiging van het lease-contract bovendien zou overnemen, had [Werknemer] moeten begrijpen dat dit om een eenmalige en in tijd begrensde afspraak ging. [Werknemer] heeft niets gesteld dat erop duidt dat partijen desondanks hebben bedoeld voor [Werknemer] een recht op een lease-auto in het leven te roepen voor de rest van zijn dienstverband. Dit betekent dat de door [Werknemer] gevraagde verklaring voor recht en de vordering tot veroordeling van IBZH om hem een lease-auto ter beschikking te stellen (vordering 1 en 2) dienen te worden afgewezen.

3.6 Daarmee komst het hof toe aan de vraag of de door [Werknemer] gevorderde schade (vordering 3) voor vergoeding in aanmerking komt. Het hof overweegt ter zake van de verschillende posten als volgt.

3.7 [Werknemer] meent dat hij over de periode van 7 november 2003 tot 1 juni 2004 ten onrechte de overeengekomen maandelijkse bijdrage heeft betaald, omdat hij in die periode niet de beschikking had over de Volvo, maar in plaats daarvan aan hem een goedkopere huurauto ter beschikking was gesteld. Het hof volgt [Werknemer] hierin niet. Het overweegt daartoe allereerst dat IBZH aan haar verplichting heeft voldaan in genoemde periode door aan [Werknemer] vervangend vervoer ter beschikking te stellen. Het is niet ongebruikelijk dat vervangend vervoer van een andere klasse is dan de lease-auto, zonder dat dit enige vergoedingsplicht in het leven roept. Nu [Werknemer] niet heeft gesteld dat partijen zijn overeenkomen, dat in geval van vervangend vervoer van een andere klasse dan de Volvo, [Werknemer] geen, of een lagere eigen bijdrage verschuldigd is, komt genoemd bedrag niet voor toewijzing in aanmerking.

3.8 [Werknemer] vordert voorts een bedrag van € 892,62, zijnde de kostprijs van de door hem aangebrachte accessoires (lpg-installatie, trekhaak en windschermen). IBZH heeft hierop geantwoord dat volgens het lease-contract alleen die accessoires mogen worden verwijderd, waarvan de verwijdering geen zichtbare beschadiging ten gevolge heeft. Verwijdering van de in geding zijnde accessoires kon volgens IBZH niet zonder schade. [Werknemer] heeft op deze stelling niet gereageerd, hetgeen wel van hem had mogen worden verwacht. Het hof gaat daarom uit van de juistheid van genoemde stelling, hetgeen leidt tot afwijzing van deze post.

3.9 Met betrekking tot de terugbetaling van het restant van de uitkeringen van € 9.000,--, overweegt het hof dat niet duidelijk is waarom [Werknemer] meent hierop aanspraak te kunnen maken. Voor zover [Werknemer] meent dat hij hierop recht heeft omdat het bedrag van € 9.000,-- in mindering zou worden gebracht op de overnameprijs (inleidende dagvaarding onder 3), geldt dat IBZH dit gemotiveerd heeft weersproken. Volgens IBZH was dit bedrag bedoeld als extra bijdrage bovenop de maandelijks te betalen bijdrage van in totaal € 325,-. (CvA, onder 3 en 4F). In zijn conclusie van repliek heeft [Werknemer] deze stelling als "juist" (CvR onder 3F) aanvaard, hetgeen strookt met het gestelde in zijn brief van 27 april 2004 en de brief van zijn gemachtigde van 25 juni 2004 (prod. 2 en 3 bij inleidende dagvaarding). Het hof zal hiervan dan ook uitgaan. Het hof overweegt dat het ook overigens niet aannemelijk is dat het bedrag van € 9.000,- zou zijn bedoeld als voorschot op de overnameprijs, omdat de uitkeringen ten goede zijn gekomen aan IBZH, terwijl [Werknemer] de koopprijs zou moeten voldoen aan MKB-lease. Ook dit deel van de vordering moet daarom worden afgewezen.

3.10 Met betrekking tot de gevorderde huursommen, overweegt het hof dat uit rechtsoverweging 3.4 volgt, dat van vergoeding van huurtermijnen na 1 oktober 2005 hoe dan ook geen sprake kan zijn. Met betrekking tot de huurtermijnen over de periode 1 juni 2004 tot 1 oktober 2005 overweegt het hof dat het met IBZH van oordeel is dat [Werknemer] niet aan zijn schadebeperkingsplicht heeft voldaan door na 1 juni 2004 verschillende auto's te blijven huren, in plaats van er een aan te schaffen. Mede gezien het feit dat [Werknemer] zich had verplicht per 1 oktober 2005 de Volvo over te nemen, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet goed in te zien dat van [Werknemer] niet kon worden gevergd dat hij eerder dan overeengekomen tot aanschaf van een (vergelijkbare) auto zou overgaan. Het had hem op 1 juni 2004 duidelijk moeten zijn, dat een oplossing voor het gerezen geschil op korte termijn er niet in zat. In de periode van november 2003 tot 1 juni 2004 hebben partijen immers tevergeefs getracht tot een oplossing te komen. IBZH heeft daarbij onder meer aangeboden de Volvo terug te kopen, op voorwaarde dat [Werknemer] op 1 oktober 2005 de auto tegen een vast bedrag zou overnemen. [Werknemer] heeft dit geweigerd, omdat hij zich niet op voorhand wilde vastleggen op een prijs voor de Volvo. Dat de door IBZH gevraagde prijs onredelijk was, is echter gesteld noch gebleken. Dit betekent dat ook de huurtermijnen niet voor toewijzing in aanmerking komen.

3.11 Met betrekking tot de gevorderde vergoeding nader op te maken bij staat, ter hoogte van het verschil tussen de (hogere) prijs voor de Volvo die [Werknemer] aan MKB-lease zou hebben betaald en de (lagere) marktprijs voor een vergelijkbare Volvo, overweegt het hof dat het hem – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet duidelijk is over welke schade het hier zou gaan. Zelfs als het hof in genoemde vordering in plaats van lagere, hogere zou lezen en in plaats van hogere, lagere (alleen in dat geval kan immers van schade sprake zijn), is deze vordering onbegrijpelijk. Het is immers – anders dan [Werknemer] kennelijk meent – geen wet van Meden en Perzen dat een lease-maatschappij bij het einde van de leaseovereenkomst de auto voor een lager bedrag dan de marktwaarde aan de berijder ter overname aanbiedt. Nu [Werknemer] niet heeft gesteld dat hij met MKB-lease een bedrag was overeengekomen waartegen hij de auto per 1 oktober 2005 had kunnen overnemen, is er geen aanleiding om te veronderstellen dat hij de auto tegen een bedrag onder de marktwaarde had kunnen overnemen. Ook dit deel van de vordering kan niet worden toegewezen.

3.12 Nu [Werknemer] slechts om vergoeding van genoemde schadeposten heeft verzocht en niet subsidiair heeft gevorderd hem een door het hof te bepalen schadevergoeding toe te kennen, komt het hof aan de vraag hoe de schade dan wel is te begroten niet toe.

3.13 De door [Werknemer] gevorderde buitengerechtelijke kosten komen niet voor toewijzing in aanmerking, nu IBZH onder verwijzing naar de rechtsbijstands¬verzekering van [Werknemer] heeft weersproken dat dergelijke kosten ten laste van [Werknemer] zijn gekomen. [Werknemer] heeft hierop niet gereageerd, hoewel dat wel van hem had mogen worden verwacht. Dit betekent dat de vorderingen van [Werknemer] integraal dienen te worden afgewezen, zowel die in eerste aanleg zijn gedaan als de in hoger beroep vermeerderde vorderingen.

3.14 In de omstandigheid dat wel van wanprestatie sprake was, ziet het hof aanleiding om de kosten van beide instanties te compenseren, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

3.15 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het eindvonnis, behoudens de kostenveroordeling, dient te worden bekrachtigd, zij het op andere gronden.

Beslissing

Het hof:

- verklaart [Werknemer] niet ontvankelijk in zijn beroep tegen het vonnis van 15 december 2005 door de rechtbank 's Gravenhage, sector kanton, locatie 's Gravenhage, gewezen tussen partijen;

- bekrachtigt onder verbetering van gronden het vonnis van 2 februari 2006 door de rechtbank 's Gravenhage, sector kanton, locatie 's Gravenhage, gewezen tussen partijen voor wat betreft de afwijzing van de vorderingen van [Werknemer] en vernietigt het voor wat betreft de proceskosten;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- compenseert de kosten van de eerste aanleg in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

- wijst de in hoger beroep vermeerderde vorderingen van [Werknemer] af;

- compenseert de kosten van het hoger beroep in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. Beyer-Lazonder, M.J. van der Ven en T.L. Tan en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 oktober 2007 in bijzijn van de griffier.