Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB8842

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
28-11-2007
Zaaknummer
1141-R-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OTS op de wet gegrond; geen oneigenlijk gebruik van aan gezag ontleende bevoegdheid van vader om de OTS aan te vragen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 254
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 17 oktober 2007

Rekestnummer. : 1141-R-07

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 04-848

[appellante],

wonende te Gendt, gemeente Lingewaard,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. W.P. den Hertog,

tegen

[verweerder],

wonende te Breda,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. E.R. Schenkhuizen.

Als informanten zijn aangemerkt:

1. de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad,

2. de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen: jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 9 augustus 2007 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank te Rotterdam van 9 mei 2007.

De vader heeft op 19 september 2007 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 25 en 26 september 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van jeugdzorg is bij het hof op 2 oktober 2007 een aanvullend stuk ingekomen.

De raad heeft het hof bij brief van 2 oktober 2007 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 3 oktober 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. A.G.H.M. Ganzeboom, de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. Z. Gademan, en [jeugdzorg]. Partijen en hun raadslieden, alsmede jeugdzorg, hebben het woord gevoerd.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is de hierna te noemen minderjarige onder toezicht gesteld van jeugdzorg voor de duur van één jaar, derhalve tot 9 mei 2008.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep geen grief is gericht

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ondertoezichtstelling tot 9 mei 2008 van [de minderjarige, geboren in] 2002, verder: de minderjarige. Blijkens een in het geding ingebracht uittreksel uit het gezagsregister van 11 november 2002 hebben de vader en moeder gezamenlijk het ouderlijk gezag over de minderjarige. De minderjarige verblijft thans bij de moeder.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, zo leest het hof, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de vader in eerste aanleg niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige, dan wel het verzoek van de vader alsnog af te wijzen.

3. In de eerste en tweede grief van haar beroepschrift betoogt de moeder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de wettelijke gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn. Zij voert aan dat geen sprake is van een ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige, nu de minderjarige zich sociaal-emotioneel leeftijdsconform ontwikkelt.

In de derde grief stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat alle middelen ter afwending van de bedreiging van de zedelijke en geestelijke belangen en de gezondheid van de minderjarige hebben gefaald. De moeder ontkent en betwist dat deze middelen gefaald hebben. Voorts betoogt de moeder dat de rechtbank ten onrechte de term ‘alle middelen’ gebruikt, nu deze term niet in de wet voorkomt. In de wet staat vermeld ‘andere middelen’. Bovendien is door de rechtbank nagelaten te motiveren waar ‘alle middelen’ uit zouden bestaan, aldus de moeder.

In de vierde grief stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van onvolledige dan wel onjuiste feiten bij de ondertoezichtstelling. De moeder voert daartoe aan dat de gronden voor en wijze waarop zij en de vader uit elkaar zijn gegaan, alsmede de eerdere opstelling en het handelen van de vader jegens haar en de minderjarige daarbij ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten. Daarbij is sprake van een gebrek aan vertrouwen van haar in de vader, hetgeen niet wordt opgelost door een verzoek tot ondertoezichtstelling. Daarnaast stelt de moeder zich op het standpunt dat zij nimmer kunstgrepen heeft willen uithalen om contact tussen haar en de vader en/of de raad te frustreren.

In de vijfde grief betoogt de moeder dat de rechtbank ten onrechte de heer Schuurmans als de vader heeft aangemerkt. Alhoewel de heer Schuurmans de minderjarige heeft erkend en daarmee sprake is van een juridisch ouderschap, is feitelijk geen sprake van vaderschap nu hij geen invulling heeft wensen te geven aan een rol als vader voor de minderjarige, aldus de moeder.

In de zesde grief wordt door de moeder betoogd dat de vader “pour besoin de la cause”, dat is op oneigenlijke gronden, zijn juridisch ouderschap heeft aangewend voor het doen van het verzoek tot ondertoezichtstelling.

Tot slot stelt de moeder zich in de zevende grief op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de haar toekomende discretionaire bevoegdheid de ondertoezichtstelling uit te spreken, dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze wordt uitgesproken.

Ter terechtzitting heeft de moeder benadrukt dat de gronden voor ondertoezichtstelling niet aanwezig zijn, nu de minderjarige goed functioneert. De ondertoezichtstelling is dan ook niet in het belang van de minderjarige, aldus de moeder. De moeder ziet nu in dat zij in het belang van de minderjarige openheid van zaken moet bieden. Dat zij dit niet eerder heeft gedaan, betekent volgens de moeder nog niet de geestelijke ondergang van de minderjarige.

4. De vader stelt in zijn verweerschrift dat de moeder haar standpunt dat geen sprake is van een ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd. Daarnaast betoogt de vader dat, nu de door de raad gemaakte afspraken door de moeder niet worden nagekomen en de moeder ieder contact tussen hem en de minderjarige frustreert, de rechtbank de ondertoezichtstelling niet voor niets heeft uitgesproken.

Ter terechtzitting heeft de vader verklaard bij zijn standpunten te blijven en daarbij nogmaals benadrukt dat de minderjarige terecht onder toezicht is gesteld. De stelling van de moeder dat zij thans wel openheid van zaken wenst te geven, acht de vader ongeloofwaardig, nu ook recent is gebleken dat de moeder weigert medewerking te verlenen aan contacten met jeugdzorg.

5. Jeugdzorg brengt ter terechtzitting naar voren dat de ondertoezichtstelling ten onrechte niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Bovendien is de ondertoezichtstelling thans niet uitvoerbaar, omdat de moeder niet meewerkt en jeugdzorg de minderjarige niet te zien krijgt. Jeugdzorg meent dat dit zeer zorgelijk is.

6. Het hof zal als eerste ingaan op de zesde grief nu deze, bij gegrond verklaring, het meest verstrekkende gevolg heeft. Naar het oordeel van het hof is in hetgeen de moeder ter onderbouwing heeft aangevoerd geen aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat de vader op oneigenlijke gronden zijn juridisch ouderschap heeft aangewend om van het hem in artikel 1:254, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek toekomende recht, om aan de kinderrechter het verzoek te doen de minderjarige onder toezicht te stellen als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, gebruik te maken.

De vader is ontvankelijk in zijn inleidende verzoekschrift, nu gronden voor een andersluidend oordeel niet aanwezig zijn.

7. Met betrekking tot de overige grieven – die zich voor gezamenlijke behandeling lenen – oordeelt het hof als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de wettelijke gronden voor een ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn. Uit een tweetal rapporten van de raad van 23 augustus 2006 en 12 maart 2007 blijkt dat de moeder al gedurende langere tijd haar medewerking aan het onderzoek naar de leefsituatie waarin de minderjarige opgroeit niet verleent. Dit is naar het oordeel van het hof niet in het belang van de minderjarige. Ook uit de brief van jeugdzorg van 2 oktober 2007 blijkt dat de moeder op het contact dat jeugdzorg met haar wil leggen niet is ingegaan. De moeder miskent dat als gevolg van deze houding er een gerechtvaardigd vermoeden is dat de minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en daarmee de gronden voor een ondertoezichtstelling aanwezig zijn. De bestreden beschikking zal derhalve worden bekrachtigd, met dien verstande dat de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard, voor zover bij die beschikking de minderjarige voor de duur van één jaar onder toezicht is gesteld met benoeming van Bureau Jeugdzorg Stadregio Rotterdam, gevestigd te Rotterdam, tot stichting in de zin van de Wet op de Jeugdzorg

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, waarin de minderjarige onder toezicht wordt gesteld voor de duur van één jaar met benoeming van Bureau Jeugdzorg Stadregio Rotterdam, gevestigd te Rotterdam, tot stichting in de zin van de Wet op de Jeugdzorg, met dien verstande dat die beschikking uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, van den Wildenberg en Mos-Verstraten, bijgestaan door mr. van der Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2007.