Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB8832

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
28-11-2007
Zaaknummer
997-H-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OTS en UHP. Zie ook LJNummer BB8839. Kan het hof hoger beroep tegen een beschikking waarvan het belang inmiddels is vervallen, ook geacht worden te zijn gericht tegen een recent afgegeven beschikking, zonder dat daartoe een zelfstandig appelschrift is ingediend. Kan volgende het hof onder omdtandigheden - uit processuele overwegingen - wèl. In casu niet omdat niet alle belanghebbende instemmen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 17 oktober 2007

Rekestnummer. : 997-H-07

Rekestnr. rechtbank : JE RK 07-838

[appellante],

wonende te ‘s-Gravenhage,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. J.W. Stok,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging ‘s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [de belanghebbende ],

wonende te Albanië,

hierna te noemen: de vader,

2. de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

kantoor houdende te Voorburg,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 16 juli 2007 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 16 april 2007 van de kinderrechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage.

De raad heeft op 19 september 2007 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 17 juli, 14 augustus en 27 augustus aanvullende stukken ingekomen. De stukken die de moeder op 10, 17 en 24 en 26 september 2007 zonder tussenkomst van haar procureur aan het hof heeft gestuurd, zullen door het hof buiten beschouwing worden gelaten, aangezien stukken slechts door tussenkomst van een procureur kunnen worden overgelegd, hetgeen ook ter terechtzitting aan de moeder is medegedeeld.

Op 26 september 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar procureur en advocaat, mr. J.W. Stok, de vader, [de raad en Jeugdzorg[)]. Partijen en de advocaat van de moeder hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de kinderrechter in de rechtbank te ‘s-Gravenhage. Bij die beschikking heeft de kinderrechter het inleidende verzoek van Jeugdzorg toegewezen en, uitvoerbaar bij voorraad, de hierna te noemen minderjarigen voorlopig onder toezicht gesteld van Jeugdzorg voor de periode van 16 april 2007 tot 25 april 2007 en daarnaast Jeugdzorg gemachtigd de hierna te noemen minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 16 april 2007 tot 25 april 2007 in een voorziening voor crisisopvang. De kinderrechter heeft voorts bepaald dat voormelde machtiging van kracht blijft indien en voor zover een indicatiebesluit, binnen vier weken na 16 april 2007 afgegeven, strekt tot uithuisplaatsing van de hierna te noemen minderjarigen in dezelfde categorie. De kinderrechter heeft daarbij de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot 24 april 2007.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep is voorts komen vast te staan:

- Dat de kinderrechter bij beschikking van 24 april 2007 de kinderen voorlopig onder toezicht heeft gesteld van Jeugdzorg van 25 april tot 16 juli 2007, alsmede een machtiging tot uithuisplaatsing heeft verleend aan Jeugdzorg met betrekking tot de kinderen in een voorziening voor crisisopvang voor de periode 25 april tot 16 juli 2007. Dat de kinderrechter de behandeling voor het overige heeft aangehouden in afwachting van het rapport en advies van de raad;

- Dat de kinderrechter bij beschikking van 12 juni 2007 Jeugdzorg heeft gemachtigd de kinderen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 13 juni 2007 tot 16 juli 2007, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling, zulks ter effectuering van de indicatiebesluiten d.d. 29 mei 2007. Dat de kinderrechter de behandeling voor het overige heeft aangehouden tot de zitting van 10 juli 2007;

- Dat de kinderrechter bij beschikking van 10 juli 2007 de kinderen onder toezicht heeft gesteld van Jeugdzorg van 16 juli 2007 tot 16 april 2008, alsmede een machtiging tot uithuisplaatsing heeft verleend aan Jeugdzorg met betrekking tot de kinderen voor de periode van 16 juli 2007 tot 16 november 2007, zulks ter effectuering van de indicatiebesluiten d.d. 29 mei 2007.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de voorlopige ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de minderjarigen[ kinderen, geboren in 2001, 2003 en 2006], ook gezamenlijk verder: de kinderen, voor de periode van 16 april 2007 tot 25 april 2007. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit. De kinderen verblijven thans in een voorziening voor crisisopvang.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, dan wel niet ontvankelijk te verklaren.

3. De raad bestrijdt haar beroep. De raad acht de voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk en in het belang van de kinderen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

DE ONTVANKELIJKEID VAN HET HOGER BEROEP

Voorlopige ondertoezichtstelling

4. De moeder komt in hoger beroep van een beschikking waarbij de kinderen voorlopig onder toezicht zijn gesteld. Op grond van de wet is echter hoger beroep tegen een beschikking tot voorlopige ondertoezichtstelling niet mogelijk. De moeder zal dan ook te dien aanzien niet-ontvankelijk worden verklaard.

Uit huis plaatsing

5. De moeder komt in hoger beroep van een beschikking waarbij Jeugdzorg is gemachtigd de kinderen dag en nacht uit huis te plaatsen voor de periode van 16 april tot 25 april 2007. Deze termijn is inmiddels verstreken. Hoewel hoger beroep tegen een beslissing tot uithuisplaatsing mogelijk is, is het vaste rechtspraak dat de appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, indien door het verstrijken van de termijn er geen belang meer bestaat bij het beroep tegen de beschikking. Dit leidt slechts uitzondering indien op grond van een bijzondere omstandigheid wel een belang bestaat bij inhoudelijke behandeling en afdoening. Daarvan is echter niet gebleken.

6. Ter terechtzitting is ter sprake gekomen het feit dat in deze zaak inmiddels beschikkingen van recenter datum zijn uitgesproken voor wat betreft de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De laatste beschikking dateert van 10 juli 2007. Ter terechtzitting rees de vraag of dit beroep uit hoofde van praktische overwegingen ook geacht mag worden te zijn gericht tegen de inmiddels verschenen latere beschikking van 10 juli 2007. Ter zitting heeft de raad aangevoerd bezwaar te hebben tegen behandeling van de beschikking van 10 juli 2007. De raad stelt dat hij zijn verweer thans alleen gericht heeft op de voorlopige ondertoezichtstelling. Indien het hoger beroep van de moeder ook geacht wordt te zijn gericht tegen de beschikking van 10 juli 2007 wenst de raad een aanhouding van de behandeling van de zaak. Zijdens de moeder is verklaard dat het huidige beroep in principe alleen gericht is tegen de beschikking van 16 april 2007, doch dat de gronden tegen beide beschikkingen gelijk zijn. Echter, indien het hof toestaat dat het hoger beroep ook mag worden geacht te zijn gericht tegen de beschikking van 10 juli 2007 dan wenst zij nadere grieven aan te voeren. Gelet op voormelde bezwaren zal het hof de beschikking van 10 juli 2007 buiten beschouwing laten.

7. Nu het beroep ziet op de beschikking van 16 april 2007 zal het hof zich hiertoe beperken. Overeenkomstig hetgeen onder 4 en 5 is overwogen, zal de moeder niet-ontvankelijk worden verklaard en beslist het hof als volgt:

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Kamminga en Van Leuven, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2007.