Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB8830

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
27-11-2007
Zaaknummer
1395-H-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed van buiten Nederland wonende partijen. Rechtsmacht, litispendentie en toepasselijk recht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 4
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 12
Wet conflictenrecht inzake ontbinding huwelijk en scheiding van tafel en bed
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 10 oktober 2007

Rekestnummer. : 1395-H-06

Rekestnr. rechtbank : 05-4374

[appellante],

wonende te Koblenz, Zwitserland,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. D. Regts,

tegen

[verweerder],

wonende te St. Julians, Malta,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. A.M. van den Bosch-de Gier.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 4 oktober 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 5 juli 2006 van de rechtbank te ‘s-Gravenhage.

De man heeft op 1 december 2006 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 13 november 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Op 7 september 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de advocaat van de vrouw, mr. Regts en de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. Van Maas de Bie. De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De man en de raadslieden hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage. Bij die beschikking heeft de rechtbank de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed tussen partijen uitgesproken.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de tussen partijen uitgesproken ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed (hierna ook: de ontbinding van het huwelijk).

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn primaire verzoek.

3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het hoger beroep ongegrond te verklaren, alsmede de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden. Daarnaast verzoekt de man het hof de vrouw in de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, te veroordelen.

4. De vrouw heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat:

a). zij bevoegd is om van het verzoek van de man van 1 augustus 2005 kennis te nemen omdat partijen reeds in een echtscheidingsprocedure verwikkeld zijn die in Zwitserland aanhangig is sedert januari 2004, en

b). het Nederlands recht van toepassing is.

5. De man heeft de standpunten van de vrouw bestreden, stellende dat de procedure in Zwitserland nimmer rechtsgeldig, dan wel later, aanhangig is gemaakt dan zijn verzoek in Nederland, namelijk eerst in april 2006, bij betekening. Voorts heeft de man gesteld dat door hem onbestreden de keuze is gemaakt voor het Nederlands recht, zodat de rechtbank zich terecht bevoegd heeft geacht en terecht het Nederlands recht heeft toegepast. Voor het geval het hof zou oordelen dat wel de Zwitserse rechter eerst bevoegd is in dezen heeft de man verzocht de zaak niet aan te houden, doch te behandelen, aangezien hij om privé redenen belang heeft bij een spoedige voortzetting (beëindiging) van de echtscheidingsprocedure.

Rechtsmacht

6. Het hof overweegt als volgt. Voor ligt de vraag of er sprake is van een situatie waarbij dezelfde zaak tussen dezelfde personen gelijktijdig bij twee verschillende rechters aanhangig is gemaakt (hierna: litispendentie), en zo ja, of de Nederlandse rechter dan bevoegd is van de zaak kennis te nemen.

7. Eerst dient vastgesteld te worden of de Nederlandse rechter überhaupt bevoegd is van het verzoek kennis te nemen. Tussen Nederland en Zwitserland is geen verdrag of verordening van kracht betreffende de rechtsmacht ten aanzien van – voor zover hier van belang – de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed. Ingevolge artikel 1 en 4 Rv dient de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is van het geschil tussen partijen kennis te nemen uitsluitend beantwoord te worden overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 3, 4 en 5 van de verordening (EG) nr. 2201/2003 (hierna: Brussel II bis). Op grond van artikel 3 Brussel II bis is de Nederlandse rechter bevoegd indien partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben of indien de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen de Nederlandse is. Door de rechtbank is onbestreden vastgesteld dat beide partijen de Nederlandse nationaliteit bezitten, zodat de Nederlandse rechter in beginsel bevoegd is van het verzoek kennis te nemen.

8. Met betrekking tot de litispendentie overweegt het hof als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. De vrouw is in Zwitserland een echtscheidingsprocedure gestart en de man is in Nederland een echtscheidingsprocedure gestart. In Zwitserland heeft de man verweer gevoerd in de echtscheidingsprocedure en zich daarbij beroepen op de aanwezigheid van litispendentie. De Zwitserse rechter heeft dit verweer bij beschikking van 16 augustus 2006 verworpen. De man heeft geen appel ingesteld tegen deze beslissing. Voorts staat tussen partijen vast dat de echtscheidingsprocedure in Zwitserland op dit moment stil ligt. De vrouw dient daarin de gronden voor het verzoek tot ontbinding van het huwelijk aan te vullen, doch heeft hieraan nog immer geen gehoor gegeven. De zaak is derhalve in Zwitserland in behandeling, doch de procedure bevindt zich in een nog relatief pril stadium en er is door de Zwitserse rechter in ieder geval nog geen uitspraak gedaan in de echtscheidingsprocedure, noch is daar op dit moment zicht op. Zoals hierboven vermeld, is tussen Nederland en Zwitserland geen verdrag of verordening van kracht betreffende de rechtsmacht ten aanzien van de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed. De vraag of de Nederlandse rechter in geval van litispendentie rechtsmacht heeft, wordt derhalve bepaald door artikel 12 Rv. Op grond van dit artikel kan de (Nederlandse) rechter in geval van litispendentie de zaak aanhouden totdat daarin door de (Zwitserse) rechter is beslist. Dit geldt derhalve ongeacht welke zaak eerder aanhangig is gemaakt. Slechts in het geval dat reeds uitspraak is gedaan door de andere (buitenlandse) rechter, welke uitspraak voor erkenning dan wel tenuitvoerlegging vatbaar is, dient de Nederlandse rechter zich onbevoegd te verklaren. In dit geval is er echter, zoals hierboven vastgesteld, nog geen sprake van een uitspraak.

9. De Nederlandse rechter kan de zaak aanhouden, doch is daartoe niet verplicht. Het betreft een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Naar het oordeel van het hof is een dergelijke aanhouding – daargelaten of de Nederlandse rechter daartoe naar gelang van de omstandigheden gehouden kan zijn – in elk geval niet op haar plaats als de verzoekende partij er een redelijk belang bij heeft de procedure voor de Nederlandse rechter voort te zetten zonder de beslissing van de buitenlandse rechter af te wachten.

10. Voor het beantwoorden van de vraag of van een zodanig belang aan de zijde van de man sprake is, heeft het hof acht geslagen op de volgende omstandigheden:

- partijen zijn gehuwd op 5 juni 1980 en op 13 april 1999 gescheiden van tafel en bed hetgeen op 21 mei 1999 is geregistreerd;

- beide partijen hebben een procedure tot ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed in gang gezet, waaruit het hof afleidt dat beiden voormelde ontbinding nastreven;

- in de procedure in Zwitserland is geen voortgang en daarin lijkt op korte termijn geen verandering te komen, aangezien de vrouw, zoals de man onweersproken heeft gesteld, de zaak moedwillig ophoudt. De advocaat van de vrouw heeft als reden daarvoor aangegeven dat de vrouw het procederen zowel financieel als emotioneel moe is;

- de man heeft aangegeven dat partijen sinds zeven jaar gescheiden leven en dat hij reeds enige tijd een nieuwe relatie heeft waarmee hij niet kan trouwen zolang de onderhavige procedure niet beëindigd.

11. Gelet op bovenstaande omstandigheden is het hof van oordeel dat de man een redelijk belang heeft bij een uitspraak in de procedure voor de Nederlandse rechter. Het hof gaat derhalve voorbij aan het beroep van de vrouw op litispendentie. Dit brengt mee dat de behandeling van de zaak niet zal worden aangehouden en dat het hof de beschikking a quo zal beoordelen.

Toepasselijk recht

12. De vrouw heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat het Nederlands recht op deze echtscheidingsprocedure van toepassing is. De man stelt dat het Nederlands recht van toepassing is op grond van het feit dat de man een rechtskeuze heeft gemaakt voor het Nederlands recht, welke keuze door de vrouw niet uitdrukkelijk is betwist. Daarnaast is de man van mening dat het Nederlands recht hoe dan ook van toepassing is, omdat beide partijen de Nederlandse nationaliteit hebben, dan wel als gevolg van het feit dat partijen geen gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben.

13. Nu de stelling van de vrouw aangaande het toepasselijk recht niet nader is onderbouwd, noch door haar de stelling van de man dienaangaande gemotiveerd is bestreden, is het hof van oordeel dat deze grief van de vrouw niet kan slagen. Dit betekent dat het hof het Nederlands recht zal toepassen in de onderhavige zaak.

Verzoek tot ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed

14. Tegen de beslissing van de rechtbank dat op grond van de Wet Conflictenrecht Echtscheiding en het Nederlands recht, artikel 1:179 lid 1 BW, de ontbinding van het huwelijk tussen partijen na scheiding van tafel en bed kan worden uitgesproken, heeft de vrouw geen grief gericht, zodat dit oordeel geen behandeling behoeft.

15. Het vorengaande brengt mee dat de beschikking van de rechtbank dient te worden bekrachtigd.

16. Nu partijen (ex)- echtgenoten zijn, zal het hof de proceskosten compenseren. Het hof ziet geen aanleiding daarvan in dit geval af te wijken.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Mos-Verstraten en Kamminga, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2007.