Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB8329

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-10-2007
Datum publicatie
26-11-2007
Zaaknummer
1804-R-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijk naar Pakistaans recht door het hof aangenomen. Toepasselijk recht op de verdeling: Nederlands recht, nu niet (duidelijk) is gegriefd tegen de overweging van de rechter dat Nederlands recht van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 3 oktober 2007

Rekestnummer. : 1804-R-06

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 06-765 (echtscheiding)

: F2 RK 06-1629 (verdeling)

[De man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. A. Ramsoedh,

tegen

[de vrouw],

wonende in het arrondissement [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. E.D. Drok.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 22 december 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 29 september 2006.

De vrouw heeft op 8 februari 2007 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 9 januari, 19 februari, 5, 10 en 11 juli 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 12 juli 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Op 13 juli is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. A.K. Ramdas en de advocaat van de vrouw, mr. A. Khan. De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De raadslieden en de man hebben het woord gevoerd.

Nadien zijn de volgende stukken bij het hof ingekomen:

- een leesbare kopie van het uittreksel GBA van de man;

- een leesbare kopie van het uittreksel GBA van de vrouw;

- een kopie van de huwelijksakte en de vertaling hiervan.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Daarin is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, een uitkering in het levensonderhoud van de vrouw ten laste van de man toegekend van € 600,- per maand en de beslissing omtrent de verdeling van de gemeenschap aangehouden.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE¬LE HOGER BEROEP

1. In geschil is de alimentatieplicht van de man jegens de vrouw, de behoefte van de vrouw, de draagkracht van de man en de verdeling van de gemeenschap.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt – incidenteel – de boedel van partijen te verdelen.

4. De man stelt in zijn beroepschrift in zijn eerste grief (zo begrijpt het hof) dat er naar Nederlands recht geen rechtsgeldig huwelijk is tussen partijen. Ter terechtzitting heeft de man aangevoerd dat de door de vrouw in eerste aanleg overgelegde stukken waaruit zou blijken dat partijen gehuwd zijn, niet verifieerbaar zijn door de slechte kwaliteit van de kopieën. Uit de overgelegde kopie van de huwelijksakte en de vertaling daarvan blijkt volgens de man niet dat deze stukken partijen betreffen. Verder stelt de man dat het eerste huwelijksdomicilie in Pakistan was. Immers, de vrouw woonde daar de eerste vijf jaar na het huwelijk. De man heeft in die tijd elk jaar 6 weken vakantie doorgebracht bij de vrouw in Pakistan. Bij elkaar heeft de man ongeveer 8 maanden – weliswaar afgebroken – in Pakistan gewoond. Volgens de man is daardoor het Pakistaanse recht van toepassing op het huwelijk.

De vrouw stelt in haar verweerschrift dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat er een in Pakistan rechtsgeldig huwelijk is gesloten naar Pakistaans recht. De man heeft in eerste aanleg zelf uitdrukkelijk erkend dat partijen [in] 1993 in het huwelijk zijn getreden en dat de echtscheiding ook naar Pakistaans recht kan worden uitgesproken. Verder voert de vrouw aan dat het huwelijk van partijen in Pakistan rechtsgeldig tot stand is gekomen, zowel naar de vorm als naar de materiële vereisten van het Pakistaans/Islamitisch recht. Dit huwelijk is in Nederland erkend en ingeschreven in de registers. Ter terechtzitting heeft de vrouw tevens aangevoerd dat de man geen grief richt tegen het recht dat van toepassing is op de echtscheiding en dat zijn verweer tegen het huwelijk in hoger beroep voor het eerst wordt aangevoerd en dat hij daarom niet-ontvankelijk is.

5. Het hof overweegt het volgende. De stelling van de vrouw dat de man zijn verweer tegen het huwelijk in hoger beroep voor het eerst aanvoert en dus niet-ontvankelijk is, zal het hof passeren nu de man als oorspronkelijk verweerder in eerste aanleg, als appellant in hoger beroep in beginsel een nieuw verweer kan aanvoeren.

Ten aanzien van de door de vrouw nagezonden stukken overweegt het hof dat, hoewel de vrouw geen – zoals het hof heeft verzocht – door de ter plaatse bevoegde ambtenaar opgemaakt afschrift van de huwelijksakte van partijen, gelegaliseerd door de bevoegde ambtenaar, heeft overgelegd en ook de originele beëdigde vertaling hiervan ontbreekt, het hof toch kennis zal nemen van de (goed leesbare) kopieën van voornoemde stukken, nu de vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in staat is om de verlangde stukken over te leggen. Uit de thans overgelegde kopieën blijkt dat deze stukken partijen betreffen en dat deze zijn opgemaakt in overeenstemming met de Pakistaanse Muslim Ordinance 1961.

6. Ten aanzien van de vraag of sprake is van een huwelijk tussen partijen dat naar Nederlands recht rechtsgeldig kan worden aanvaard, overweegt het hof als volgt. De man stelt in zijn beroepschrift dat uit de door de vrouw overgelegde huwelijksakte blijkt dat partijen zijn getrouwd naar het plaatselijke geldend gewoonterecht/Islamitisch recht. Dit blijkt volgens de man duidelijk uit het feit dat de huwelijksakte van ‘Nikkah’ spreekt. De man is van mening dat dit een samenlevingsvorm naar islamitisch recht is en geen wettelijk huwelijk.

Uit de door de vrouw overgelegde kopie van de huwelijksakte blijkt naar het oordeel van het hof dat het huwelijk (‘Nikah Nama’) tussen partijen is voltrokken in overeenstemming met de ‘Muslim Family Laws Ordinance, 1961’ (hierna: de ordinance). Uit de ordinance blijkt dat een huwelijk gesloten conform deze regelgeving – anders dan de man stelt – een naar Pakistaanse regelgeving rechtsgeldig huwelijk is. Het hof is derhalve van oordeel dat er tussen partijen sprake is van een huwelijk en dat dit huwelijk op grond van artikel 5 lid 1 van de Wet conflictenrecht huwelijk in Nederland kan worden erkend.

De echtscheiding

7. De man heeft niet gegriefd tegen de overweging van de rechtbank op grond waarvan de rechtbank concludeerde dat Nederlands recht van toepassing was ten aanzien van de echtscheiding. De man heeft evenmin de door de vrouw gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk weersproken, zodat het hof van oordeel is dat de rechtbank op juiste gronden de echtscheiding tussen partijen heeft uitgesproken.

Behoefte

8. De man betwist in zijn tweede grief dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud.

9. Het hof overweegt als volgt. De man heeft niet weersproken dat de vrouw een opleiding volgt en een WWB-uitkering geniet.

Aan de stellingen van de man dat de vrouw vanaf haar komst naar Nederland in 1997 had kunnen gaan werken en het voor haar rekening dient te komen dat zij de voorkeur geeft aan het volgen van een opleiding boven deelname aan het arbeidsproces, zal het hof voorbij gaan. De man heeft zelf ter terechtzitting aangegeven dat de vrouw gebrekkig Nederlands spreekt, tijdens het huwelijk zorgde voor het huishouden en voor de ouders van de man en dat het niet nodig was dat de vrouw zou gaan werken omdat hij voldoende verdiende om hen te onderhouden. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de man mede verantwoordelijk is voor het feit dat de vrouw nog niet eerder betaalde arbeid heeft verricht en thans eerst een opleiding moet volgen om aan het arbeidsproces te kunnen deelnemen. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de vrouw thans een behoefte heeft aan een bijdrage van de man voor haar levensonderhoud.

Het hof voegt daar nog aan toe dat van de vrouw, mede gelet op haar leeftijd, verwacht mag worden dat zij zich in de toekomst zal inspannen om geheel, althans grotendeels, in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

Draagkracht

10. In zijn derde grief stelt de man dat hij geen draagkracht heeft om een bijdrage te betalen aan de vrouw. Zijn jaarinkomen bedroeg in 2005 € 35.316,-. Hij verwijst voor de motivering van zijn stelling naar zijn draagkrachtberekening zoals in eerste aanleg overgelegd. Volgens de man dient daarenboven nog rekening te worden gehouden met de extra kosten die hij moet maken in verband met de gemeentelijke aanschrijving van 6 november 2006. De man heeft voor de kosten die met de renovatie van de betreffende woningen gemoeid zijn, een lening afgesloten van € 50.000,-, met een aflossing van € 300,- per maand.

Wat betreft de extra kosten in verband met de renovatie, stelt de vrouw dat de rechtbank in eerste aanleg al onterecht rekening heeft gehouden met deze vermeende kosten van de man (€ 395,- per maand). De door de man overgelegde brief van 6 november 2006 is geen aanschrijving, aldus de vrouw. De extra kosten worden door de vrouw betwist, evenals de door de man aan zijn ouders betaalde huur van € 350,- per maand, waarmee de rechtbank rekening houdt.

11. Het hof gaat bij de berekening van de draagkracht uit van een jaarinkomen van de man van € 42.642,43 bruto per maand, zoals blijkt uit de door de man overgelegde salarisspecificatie van december 2006. Het hof gaat hierbij voorbij aan de stelling van de man ter terechtzitting dat dit salaris is gebaseerd op niet structureel overwerk en niet opgenomen vakantiedagen die zijn uitbetaald, nu de man geen stukken heeft overgelegd die deze stelling onderbouwen.

Voor het overige (ten aanzien van de extra huurinkomsten en de lasten) is het hof van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist.

Gelet op voorgaande is het hof van oordeel dat de man in staat is om – ook indien rekening zou worden gehouden met de aflossing van € 300,- per maand van de lening van € 50.000,- – het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 600,- per maand aan de vrouw te betalen.

Verdeling

12. De man stelt in zijn vierde grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat partijen tot een verdeling van het huwelijksvermogen moeten overgaan. Aangezien er geen sprake is van een wettelijk huwelijk naar Nederlands recht, kan geen verdeling plaatsvinden, aldus de man. Daarbij betaalt de man de hypotheeklasten, terwijl beide partijen de hypotheek zijn aangegaan. Ter terechtzitting heeft de man zijn grief toegelicht en aangevoerd dat hij met zijn vierde grief heeft beoogd te stellen dat de rechtbank ten onrechte Nederlands recht op het huwelijksvermogensregime van toepassing heeft verklaard en dat hij de feitelijke vermogensafrekening in de procedure bij de rechtbank wil afwikkelen.

De vrouw stelt dat de verdeling door de rechtbank pro forma is aangehouden, waardoor de man geen grief kan aanvoeren tegen de verdeling. Mocht het hof anders oordelen, dan verzoekt de vrouw – in incidenteel appel – om de boedel te verdelen, nadat de man is bevolen inzicht in zaken te verschaffen. Tegen de nader uitleg van de vierde grief van de man heeft de vrouw verweer gevoerd en gesteld dat de man te laat is met zijn uitleg.

13. Het hof is van oordeel dat uit de vierde grief van de man niet, althans onvoldoende, duidelijk blijkt dat hij beoogde appel aan te tekenen tegen de beslissing van de rechtbank betreffende het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime van partijen.

Voorzover de man heeft bedoeld om ter terechtzitting zijn grief in die zin aan te vullen en uit te leggen, oordeelt het hof dat gezien de aard van de grief en het door de vrouw gemaakte bezwaar hiertegen, behandeling van de grief de vrouw in haar verweer zou schaden omdat zij zich hierop niet heeft kunnen voorbereiden. In verband met de goede procesorde zal het hof daarom de vierde grief van de man passeren. Gelet op voorgaande komt het hof aan de behandeling van het incidentele appel van de vrouw niet meer toe.

14. Het hof zal als volgt beslissen.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Pannekoek-Dubois en Zonnenberg, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2007.