Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB8324

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
26-11-2007
Zaaknummer
462-H-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie: Behoefte minderjarige, draagkracht vader en verdeling van de behoefte over de ouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 26 september 2007

Rekestnummer. : 462-H-06

Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-5596

[De vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. S.I. Soekarman,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. M.N.G.N.H. Brech.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 7 april 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 10 januari 2006.

De moeder heeft op 2 mei 2006 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 10 november 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Op 22 november 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn procureur, en de moeder, bijgestaan door haar procureur.

Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

Het hof heeft de zaak ter terechtzitting aangehouden tot 24 februari 2007 pro forma, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen hun zaak voor te leggen aan een mediator.

Partijen zijn er niet in geslaagd om de zaak in der minne te regelen.

Bij faxbericht van 2 augustus 2007 heeft mr. Brech namens de moeder aangegeven dat zij een uitspraak wenst, tenzij de vader het hoger beroep intrekt.

Bij brief van 6 augustus 2007 heeft mr. Soekarman bericht dat de vader eveneens een beslissing van het hof wenst.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de ouders het volgende vast.

Uit de affectieve relatie tussen de ouders zijn de volgende nog minderjarige kinderen geboren:

[de minderjarige sub 1], geboren [in] 2000, verder: [de minderjarige sub 1],

[de minderjarige sub 2], geboren [in] 2002, verder: [de minderjarige sub 2], en

[de minderjarige sub 3], geboren [in] 2004, verder: [de minderjarige sub 3].

De vader heeft [de minderjarige sub 1] en [de minderjarige sub 2] erkend. [de minderjarige sub 3] is niet erkend door de vader. De kinderen verblijven bij de moeder. De moeder heeft alleen het gezag over de kinderen.

Bij verzoekschrift van 4 oktober 2005 heeft de moeder de rechtbank te ‘s-Gravenhage verzocht de aan de moeder te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige sub 1] en [de minderjarige sub 2] ten laste van de vader, met ingang van 4 oktober 2005, vast te stellen op € 250,- per maand per kind. De vader heeft tegen dit inleidende verzoek geen verweer gevoerd.

Bij de bestreden beschikking is de kinderalimentatie ten behoeven van [de minderjarige sub 1] en [de minderjarige sub 2] met ingang van 4 oktober 2005 bepaald op € 250,- per maand per kind.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn ten aanzien van de kinderalimentatie, de behoefte van [de minderjarige sub 1] en [de minderjarige sub 2], de draagkracht van de vader en de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de bijdrage voor [de minderjarige sub 1] en [de minderjarige sub 2] op nihil te stellen, althans op een bijdrage als het hof in goede justitie juist acht. De moeder bestrijdt zijn beroep.

3. Alvorens over te gaan tot de bespreking van de behoefte, de draagkracht en de verdeling van de kosten van de kinderen overweegt het hof dat, nu het hof geen andere gegevens zijn verstrekt omtrent de ontwikkelingen aan de inkomenszijde van de vader en/of de moeder dan ten tijde van de behandeling op 22 november 2006 beschikbaar, van die gegevens zal worden uitgegaan.

Behoefte [de minderjarige sub 1] en [de minderjarige sub 2] en het inkomen van de vader

4. De vader stelt in zijn beroepschrift – kort weergegeven – in zijn eerste tot en met zijn derde grief dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een netto inkomen van de vader van € 2.400,- per vier weken en dat moet worden uitgegaan van een netto gezinsinkomen van partijen tijdens de samenleving van € 2.000,- per maand.

Uitgaande van voornoemd gezinsinkomen bedraagt de behoefte van de kinderen niet – zoals de rechtbank vaststelt – € 250,- per maand per kind maar circa € 200,- per maand per kind, aldus de vader.

In de vierde tot en met de achtste grief stelt de vader ten aanzien van zijn inkomen dat hij sinds 17 oktober 2005 een WW-uitkering ontvangt, ter hoogte van € 1.079,- bruto per vier weken, exclusief vakantiegeld. Sinds juli 2005 werkte de vader in het weekend bij een beveiligingsbedrijf, waarmee hij € 597,- bruto per maand verdient.

Na zijn veroordeling door de strafrechter werkt de vader sinds 1 oktober 2005 niet meer voor dit bedrijf. Zijn inkomen bedraagt thans € 1.256,- netto per maand (WW-uitkering), zo stelt de vader ter terechtzitting.

5. De moeder betwist dat de vader ten tijde van de samenleving slechts een inkomen had van € 1.000,- netto per maand. Zij stelt dat hij structureel als portier in dienst van [een werkgever] werkte waarbij hij een inkomen genoot van € 300,- netto per week. De rechtbank is volgens de moeder terecht uitgegaan van een netto inkomen van de vader van € 2.400,- per maand. Haar eigen inkomen bedroeg destijds € 1.045,- netto per maand, zodat het netto gezinsinkomen € 3.400,- per maand bedroeg en terecht de behoefte van de kinderen is vastgesteld op € 250,- per maand per kind.

De moeder betwist verder, bij gebrek aan recente gegevens van de vader, dat hij slechts een inkomen heeft ter hoogte van zijn WW-uitkering. Volgens de moeder is de vader vennoot van een [v.o.f.] en heeft dus nog een andere inkomstenbron.

6. Ter bepaling van de behoefte van de minderjarigen is naar het oordeel van het hof relevant het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van hun samenleving, die in oktober 2004 eindigde. De moeder verdiende € 1.045,- netto per maand in 2004.

De vader stelt dat hij ingaande 16 augustus 2004 € 1.398,16 netto per maand is gaan verdienen. Tot april 2004 stelt hij gewerkt te hebben voor een netto maandloon van € 850,- per maand.

De moeder stelt dat de vader voortdurend ook neveninkomsten genoot als portier. De vader betwist dit: die inkomsten zouden er tot 2000 zijn geweest, € 125,- per avond.

Het hof acht het reëel om ten aanzien van het inkomen van de vader uit te gaan van € 1.250,- netto per maand, uitgaande van een middeling van hetgeen hij in ieder geval vanaf 16 augustus 2004 heeft verdiend, hetgeen hij daarvoor verdiende en gelet op de vaststelling van zijn WW uitkering in 2005: € 1.256,- per maand, die immers een afgeleide vormt van zijn inkomen uit een voorgaande periode. Het netto gezinsinkomen bedroeg derhalve € 2.295,-, waarmede een behoefte van de minderjarigen correspondeert van € 500,- per kind per maand volgens de TREMA normen.

Nu de moeder aanspraak maakt op € 250,- per maand per kind, zal het hof dat bedrag als bovengrens aanhouden.

Draagkracht vader

Inkomen

7. Het hof dient bij de berekening van de draagkracht uit te gaan van het inkomen van de vader vanaf oktober 2005, gelet op de ingangsdatum van zijn bijdrageplicht, die door de rechtbank onbestreden is gesteld op 4 oktober 2005. Het hof zal uitgaan van zijn huidige WW-uitkering. Dat de vader meer of andere inkomsten heeft is niet komen vast te staan.

Lasten

8. De vader brengt naar voren dat hij de volgende lasten heeft waarmee de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden:

- premie ziektekosten van € 90,75 per maand;

- een kale huur van € 570,- per maand; geen huurtoeslag;

- een lening bij de ABN-AMRO Bank van € 10.000,- voor de herinrichting van zijn nieuwe woning, aflossing van € 87,- per maand;

- kosten omgangsregeling € 60,- per maand.

9. De moeder stelt dat uit de door de vader overgelegde aanmaning ter zake de premie ziektekostenverzekering blijkt dat hij deze verzekering niet betaalt, zodat hiermee geen rekening gehouden dient te worden. Voorts betwist zij de huur van € 570,- per maand. Zij stelt dat uit niets blijkt dat dit de kale huur betreft.

De moeder stelt verder dat de vader bij het uiteen gaan een groot deel van de inboedel heeft mee gekregen en dat de vader nauwelijks spullen heeft moeten aanschaffen. Zij betoogt dat de vader ook geen aankoopbonnen of andere bewijsstukken in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat hij voor een bedrag van € 10.000,- spullen heeft aangeschaft. Voorts heeft de vader het bestaan van de schuld dan wel de huidige hoogte daarvan niet aangetoond. Volgens de moeder heeft de vader van het krediet een auto gekocht en meent zij dat dit geen noodzakelijk uitgaven zij die mogen prevaleren boven de kinderalimentatie.

Ten aanzien van de kosten van de omgangsregeling stelt de moeder dat de vader [de minderjarige sub 1] en [de minderjarige sub 2] slechts één dag in één à anderhalve maand bij zich heeft en dat hij [de minderjarige sub 3] af een toe een uurtje ziet. Om die reden is de moeder van mening dat ten hoogste met een bedrag van € 15,- per maand aan omgangskosten rekening mag worden gehouden.

10. Ten aanzien van de lasten van de vader overweegt het hof als volgt.

Het hof zal rekening houden met de premie ziektekostenverzekering van € 91,- per maand nu dit bedrag het hof niet onredelijk voorkomt en uit de stukken blijkt dat de vader dit bedrag zou moeten betalen.

Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de vader, bij gebreke van gegevens en nu hij niet heeft aangetoond dat hij sinds kort over een andere woonruimte beschikt waarvan de kale huur € 660,- bedraagt en de door de vader opgegeven huur het hof onredelijk hoog voorkomt, rekening houden met een kale huur van € 400,- per maand.

Het hof is van oordeel dat de man de noodzaak van het aangaan van de lening bij de ABN AMRO voor herinrichting niet heeft aangetoond. Hij heeft geen inzicht gegeven in de kosten van herinrichting door bijvoorbeeld het overleggen van aankoopbonnen of andere bewijsstukken. Het hof zal derhalve de aflossing van de lening buiten beschouwing laten.

Nu gebleken is dat er geen of nauwelijks omgang plaatsvindt tussen de vader en [de minderjarige sub 1] en [de minderjarige sub 2] – mede in afwachting van een onderzoek van de raad voor de kinderbescherming – en de moeder ter terechtzitting heeft aangegeven te kunnen instemmen met een bedrag van € 15,- per maand, zal het hof met dit bedrag aan omgangskosten rekening houden.

Bovenstaande leidt tot de conclusie dat de vader een draagkracht heeft om een bijdrage te betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 50,- per maand per kind.

Verdeling behoefte

11. In zijn negende grief stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte de gehele behoefte van de minderjarigen op hem afwentelt. De vader voert hiertoe aan dat zijn inkomen en dat van de moeder nagenoeg gelijk zijn. Hij acht het derhalve redelijk de behoefte van de kinderen bij helfte te verdelen tussen hem en de moeder.

12. De moeder stelt dat zij geen draagkracht heeft, zodat die kosten niet voor de helft op haar afgewenteld mogen worden. Voorts stelt de moeder nog dat zij sinds het uiteengaan van partijen alle kosten van de minderjarigen draagt en dat de vader nog niets heeft bijgedragen.

13. Het hof is van oordeel dat, gelet op de wederzijdse inkomens en rekening houdende met de omstandigheid dat de moeder, gelet op haar gezinssamenstelling, hogere (woon)lasten heeft dan de vader, het redelijk is om de behoefte van de kinderen zodanig te verdelen dat de moeder daarvan 1/3 en de vader 2/3 deel voor haar/zijn rekening neemt. Dit betekent dat de draagkracht van de vader onder de huidige omstandigheden ten volle benut dient te worden.

14. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en een kinderbijdrage vaststellen van € 50,- per maand per kind.

Voorzover de moeder meer alimentatie heeft ontvangen dan haar op grond van deze beschikking toekomt, zal het hof, gelet op het consumptief karakter ervan, bepalen dat zij het teveel ontvangene niet behoeft terug te betalen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 4 oktober 2005 op € 50,- per maand per kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de moeder de eventueel door de vader aan haar teveel betaalde alimentatie niet aan hem hoeft terug te betalen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Van Nievelt en Kamminga, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 september 2007.