Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB7111

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-01-2007
Datum publicatie
05-11-2007
Zaaknummer
2200329106
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan vergaande seksuele handelingen met minderjarige meisjes, die bij hem op de boerderij kwamen om te helpen met het verzorgen van de paarden.

Ontbreken van formele klacht bij het toenmalige klachtvereiste bij vervolging ter zake van art. 245 Sr dient niet te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Uit de verklaringen blijkt onomstotelijk dat het de uitdrukkelijke wens van de aangeefsters ten tijde van het doen van de aangifte is geweest dat vervolging zou worden ingesteld jegens de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003291-06

Parketnummer(s): 12-715057-06

Datum uitspraak: 30 januari 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Middelburg van 31 mei 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,

GBA-adres: [adres],

thans verblijvende in Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 16 januari 2007.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 4 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2, 3 primair en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, telkens met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, een en ander als nader in het vonnis vermeld.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 2, 3 subsidiair en 5 tenlastegelegde, nu ten aanzien van elk van deze feiten de ingevolge artikel 245, tweede lid (oud), van het Wetboek van Strafrecht vereiste klacht ontbreekt dan wel, indien en voor zover de aangiften worden geacht een klacht te behelzen, deze klacht met betrekking tot geen van de drie voornoemde feiten door een daartoe ingevolge artikel 164, eerste lid, juncto artikel 165, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bevoegde ambtenaar is opgenomen.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Onder 2, 3 subsidiair en 5 is aan de verdachte telkens overtreding van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht tenlastegelegd. Te dezen is toepasselijk artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze bepaling gold ten tijde van het begaan van de tenlastegelegde delicten, mitsdien vóór de inwerkingtreding van de Wet van 13 juli 2002, op 1 oktober 2002. Op grond van deze bepaling heeft, nu de daarin genoemde uitzonderingen in casu niet van toepassing zijn, vervolging van het in artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht voorziene en strafbaar gestelde misdrijf uitsluitend plaats op klacht.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben ieder afzonderlijk op 30 januari 2006 aangifte gedaan tegenover twee hoofdagenten van politie. Zij hebben beiden aangegeven dat zij wensen dat [W.] (het hof verstaat dat zij daarmee [de v[achternaam verdachte] bedoelen) gestraft wordt voor alles wat hij hen heeft aangedaan. [slachtoffer 3] heeft op 31 januari 2006 aangifte gedaan tegenover twee brigadiers van politie. Ook zij heeft aangegeven dat zij wenst dat [W.] ([achternaam verdachte]) gestraft wordt voor hetgeen hij haar heeft aangedaan.

Alle drie de slachtoffers hebben geen afzonderlijke klacht gedaan tegenover een (hulp)officier van justitie. Ingevolge het eerste lid van artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering bestaat een klacht uit een aangifte en een verzoek tot vervolging. Het klachtvereiste beschermt het belang van slachtoffers om ongewenste ruchtbaarheid, die door de door het delict getroffenen als pijnlijk wordt ervaren, te vermijden.

Uit de aangiften, de verklaringen van de slachtoffers als getuige tegenover de rechter-commissaris afgelegd en uit de door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] ingezonden slachtofferverklaringen, alsmede uit de ter terechtzitting in hoger beroep door de aangeefsters als getuige afgelegde verklaringen blijkt onomstotelijk dat het de uitdrukkelijke wens van de aangeefsters ten tijde van het doen van de aangifte is geweest dat vervolging zou worden ingesteld jegens de verdachte.

Het hof is dan ook van oordeel dat het ontbreken van een formele klacht onder deze omstandigheden niet tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging dient te leiden.

Nu in deze, op basis van onder meer de aangiften en verklaringen van de aangeefsters ter terechtzitting, buiten twijfel vast staat dat zij een klacht hebben willen indienen en het niet op de weg van aangeefsters ligt zich ervan te vergewissen of de politieambtenaar ten overstaan van wie zij aangifte/klacht doen daartoe bevoegd is, kan het verzuim dat in deze niet in alle gevallen tegenover een (hulp)officier van justitie aangifte/klacht is gedaan niet tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leiden.

Het verweer wordt dan ook verworpen.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep – en meer in het bijzonder de bij die gelegenheid door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] afgelegde verklaringen – niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte voornoemde [slachtoffers 1 en 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van de onder 1 en 3 primair tenlastegelegde seksuele handelingen door misbruik te maken van zijn uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht op respectievelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en/of door het (aldus) doen ontstaan van een voor hen bedreigende situatie. De verdachte dient mitsdien van het onder 1 en 3 primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 subsidiair en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 2, 3 en 5 bewezenverklaarde:

Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 primair en 5 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan vergaande seksuele handelingen met minderjarige meisjes, die bij hem op de boerderij kwamen om te helpen met het verzorgen van de paarden.

In de zomer van 1997 is het seksueel misbruik begonnen met [slachtoffer 3], die toen nog maar 12 jaar oud was. Zij was in het begin met een vriendin meegegaan naar een schuur aan de [locatie], om daar de paarden – toebehorende aan de verdachte – te borstelen en te knuffelen. [slachtoffer 3] kreeg verliefde gevoelens voor de verdachte, die toen 29 jaar oud was, en was zodoende een gemakkelijke “prooi” voor hem. Mede door deze gevoelens en het leeftijdsverschil bood [slachtoffer 3] geen weerstand toen de verdachte seksuele handelingen met haar begon te verrichten. Die handelingen bestonden uit het binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 3] met zijn geslachtsdeel. De verdachte heeft haar daarna vele malen seksueel misbruikt.

Nadat het seksueel misbruik met [slachtoffer 3] was gestopt, is het seksueel misbruik van [slachtoffer 1] door de verdachte op 19 januari 2000 begonnen. Zij was toen 14 jaar oud. [slachtoffer 1] heeft de verdachte leren kennen via haar vriendin [slachtoffer 3]. [slachtoffer 1] kwam net als [slachtoffer 3] de paarden verzorgen. Ook [slachtoffer 1] is vanaf dat moment herhaaldelijk door de verdachte seksueel misbruikt.

[slachtoffer 2] is via haar vriendin [slachtoffer 1] in contact gekomen met de verdachte. [slachtoffer 1] vroeg aan [slachtoffer 2] mee te gaan naar de paarden van de verdachte. [slachtoffer 2] is toentertijd voor het paard Vera gaan zorgen. In de zomerperiode van juli/augustus 2000, toen [slachtoffer 1] met haar ouders op vakantie was, is ook [slachtoffer 2], die 15 jaar oud was, het slachtoffer van de verdachte geworden. Ook zij is enkele malen door de verdachte seksueel misbruikt.

De verdachte heeft in alle gevallen misbruik gemaakt van zijn positie als paardenbezitter. De paarden waren de voornaamste reden dat deze meisjes op de boerderij kwamen. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] waren ten tijde van hun contact met de verdachte, door de problemen die zij thuis hadden, erg kwetsbaar. Zij hebben hem over hun problemen in vertrouwen genomen. De verdachte heeft op grove wijze misbruik gemaakt van de vertrouwensrelatie die hij met deze meisjes had.

De verdachte heeft daarenboven ernstig inbreuk gemaakt op zowel de lichamelijke als geestelijke integriteit van de drie meisjes. De verdachte heeft bij het plegen van de feiten zijn eigen lustgevoelens laten prevaleren boven het belang van de slachtoffers, wier leven naar alle waarschijnlijkheid door het grensoverschrijdende seksuele gedrag van de verdachte in belangrijke mate negatief is beïnvloed en die wellicht, naar de ervaring leert, nog lange tijd emotionele schade zullen ondervinden van de door de verdachte gepleegde feiten.

Aangezien het hof minder dan wel andere feiten bewezen acht dan de advocaat-generaal meent het hof dat een lagere straf dan gevorderd op zijn plaats is. Het hof is - alles overwegende en gelet op de straftoemeting voor soortgelijke delicten - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Vorderingen tot schadevergoeding

1. [slachtoffer 3]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 3] zich gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 5 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 2.152,96, te vermeerderen met proceskosten ad EUR 988,94, alsmede wettelijke rente ad EUR 1.297,77.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot deze in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedragen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van in totaal EUR 5.050,- bij wijze van voorschot, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ingetreden tot aan de dag der algehele voldoening.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van EUR 152,96, te weten de reiskosten en de telefoon-, porti- en kopieerkosten, materiële schade is geleden, alsmede tot een bedrag van EUR 2.000,- immateriële schade. Aannemelijk is geworden dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 5 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot een bedrag van EUR 2.152,96 bij wijze van voorschot worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente als nader in het dictum te bepalen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op EUR 988,94,-, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

2. [slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 5.202,24, te vermeerderen met proceskosten ad EUR 1.251,31, alsmede met wettelijke rente ad EUR 1.825,76.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot deze in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedragen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van in totaal EUR 5.050,- bij wijze van voorschot, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ingetreden tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van EUR 202,24, te weten de reiskosten en de telefoon-, porti- en kopieerkosten, materiële schade is geleden, alsmede tot een – door het hof naar maatstaven van billijkheid vastgesteld - bedrag van EUR 3.000,- immateriële schade. Aannemelijk is geworden dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot een bedrag van EUR 3.202,24 bij wijze van voorschot worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente als nader in het dictum te bepalen.

Voor het overige acht het hof de vordering van de benadeelde partij ter zake van de geleden immateriële schade niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering tot vergoeding van de geleden immateriële schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het vorenstaande brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op EUR 1.152,- en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. De vordering ter zake van proceskosten zal, voor zover deze voormeld bedrag ad EUR 1.152,- te boven gaat, worden afgewezen.

3. [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 2.189,48, te vermeerderen met proceskosten ad EUR 2.011,58, alsmede met wettelijke rente ad EUR 770,41.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot deze in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedragen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van in totaal EUR 2.050,- bij wijze van voorschot, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ingetreden tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van EUR 189,48, te weten de reiskosten en de telefoon-, porti- en kopieerkosten, materiële schade is geleden, alsmede tot een – door het hof naar maatstaven van billijkheid vastgesteld – bedrag van EUR 1.500,- immateriële schade. Aannemelijk is geworden dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 3 subsidiair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot een bedrag van EUR 1.689,48 bij wijze van voorschot worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente als nader in het dictum te bepalen.

Voor het overige acht het hof de vordering van de benadeelde partij ter zake van de geleden immateriële schade niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering tot vergoeding van de geleden immateriële schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het vorenstaande brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op EUR 1.152,-, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. De vordering ter zake van proceskosten zal, voor zover deze voormeld bedrag ad EUR 1.152,- te boven gaat, worden afgewezen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffers

1. [slachtoffer 3]

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 5 bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 2.152,96, vermeerderd met wettelijke rente als nader in het dictum te bepalen, ten behoeve van het slachtoffer S. P. J. van der Veeken.

2. [slachtoffer 1]

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 3.202,24, vermeerderd met wettelijke rente als nader in het dictum te bepalen, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].

3. [slachtoffer 2]

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 1.689,48, vermeerderd met wettelijke rente als nader in het dictum te bepalen, ten behoeve van het slachtoffer R. N. Visscher.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57 en 245(oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 subsidiair en 5 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen

• [slachtoffer 3] tot een bedrag van EUR 2.152,96 (tweeduizend honderdtweeënvijftig euro en zesennegentig cent) bij wijze van voorschot, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag ad EUR 2.000,- vanaf het moment dat de schade is ingetreden, naar het hof op de voet van het bepaalde in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat op 1 januari 2000, tot aan de dag der algehele voldoening; en

• [slachtoffer 1] tot een bedrag van EUR 3.202,24 (drieduizend tweehonderdtwee euro en vierentwintig cent) bij wijze van voorschot, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag ad EUR 3.000,- vanaf het moment dat de schade is ingetreden, naar het hof op de voet van het bepaalde in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat op 15 augustus 2001, tot aan de dag der algehele voldoening; en

• [slachtoffer 2] tot een bedrag van EUR 1.689,48 (duizend zeshonderdnegenentachtig euro en achtenveertig cent) bij wijze van voorschot, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag ad EUR 1.500,- vanaf het moment dat de schade is ingetreden, naar het hof op de voet van het bepaalde in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat op 1 september 2000, tot aan de dag der algehele voldoening

en veroordeelt de verdachte om deze bedragen tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partijen.

Verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in hun vorderingen strekkende tot vergoeding van immateriële schade en bepaalt dat zij hun vorderingen tot schadevergoeding in zoverre bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partijen in verband met hun vorderingen hebben gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op

• met betrekking tot [slachtoffer 3] EUR 988,94,

• met betrekking tot [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ieder EUR 1.152,- ;

en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken.

Wijst af hetgeen door de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ter zake van proceskosten, alsmede hetgeen door deze benadeelde partijen en de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van wettelijke rente meer is gevorderd.

Legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van

• EUR 2.152,96 (tweeduizend honderdtweeënvijftig euro en zesennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag ad EUR 2.000,- vanaf 1 januari 2000 tot aan de dag der algehele voldoening, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], bij niet volledige betaling of volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 40 (veertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft; en

• EUR 3.202,24 (drieduizend tweehonderdtwee euro en vierentwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag ad EUR 3.000,- vanaf 15 augustus 2001 tot aan de dag der algehele voldoening, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], bij niet volledige betaling of volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 46 zesenveertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft; en

• EUR 1.689,48 (duizend zeshonderdnegenentachtig euro en achtenveertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag ad EUR 1.500,- vanaf 1 september 2000 tot aan de dag der algehele voldoening, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], bij niet volledige betaling of volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 33 (drieëndertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partijen tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers en omgekeerd.

Dit arrest is gewezen door mr. L.A.J.M. van Dijk, mr. J.A. van Kempen en mr. W.F. Groos, in bijzijn van de griffier mr. E.M.M. Koonings.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 januari 2007.