Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB7100

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
05-11-2007
Zaaknummer
2200276507
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging gevangenisstraf en TBS. Bewijsoverwegingen m.b.t. poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling: voorwaardelijk opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002765-07

Parketnummer(s): 10-701274-06 en 10-701061-06 (tul)

Datum uitspraak: 30 oktober 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 mei 2007 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1979,

adres: [adres],

thans verblijvende in PI Rijnmond - HvB De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 16 oktober 2007.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde en veroordeeld ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van voorarrest, met beslissingen omtrent de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en de vordering tenuitvoerlegging als nader in het vonnis vermeld. Voorts heeft de rechtbank gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en dat de terbeschikkinggestelde wordt verpleegd van overheidswege.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde

Aangeefster [M.] heeft bij de politie verklaard dat verdachte haar plotseling op de grond gooide waarbij zij met haar hoofd hard op de stenen terecht kwam. Zij voelt vervolgens dat ze over haar hele lichaam wordt geschopt en geslagen. Ze voelt overal pijn, maar vooral haar hoofd deed heel erg pijn. Dan wordt ze met geweld gedwongen op te staan. Van hetgeen daarna gebeurt weet ze zich niets te herinneren.

De getuige [getuige] heeft verklaard dat hij, nadat hij zelf door de verdachte op zijn oog was geslagen, zag dat [M.] ineengedoken op de straat zat en dat de verdachte haar met beide handen en voeten aan het slaan en schoppen was. “Het leek wel of hij haar als boksbal gebruikte”, aldus deze getuige.

Door de politie is gerelateerd dat twee getuigen hebben verklaard gezien te hebben dat een man bij de toegang tot de flat constant op een vrouw aan het inslaan was. Hij had haar bij haar haren gepakt en haar over de grond naar de ingang van de flat gesleept. Ze hadden gezien dat ze de lift ingingen en dat de man zelfs toen op de vrouw bleef inslaan en stompen. Voorts dat een getuige had gezien dat een mishandelde vrouw op haar knieën voor de voordeur van een woning zat en dat een man inbeukte op het gezicht van de vrouw. Ze werd vervolgens over de grond naar binnen getrokken.

Uit dit proces-verbaal van bevindingen komt naar voren dat de verbalisanten bij aankomst op de galerij ter hoogte van de woning nr. [--] vanuit de woning een hoop geschreeuw horen. Zij horen een man schreeuwen en een vrouw gillen. Als zij kloppen gaat het licht uit. Er komt geen reactie uit de woning.

Ten slotte is door de politie genoteerd dat de ambulance waarin aangeefster werd vervoerd is gestopt om bij haar een infuus aan te leggen omdat het niet helemaal goed met haar ging. In een medisch rapport is vermeld dat bij aangeefster een dubbele breuk van de onderkaak is vastgesteld, operatief hersteld met behulp van plaatjes en schroefjes.

Uit deze gegevens trekt het hof de conclusie dat de geweldpleging van verdachte tegen de aangeefster pas is geëindigd toen de verbalisanten hun komst aankondigden. Voorts concludeert het hof uit de bovenstaande beschrijvingen van de wijze waarop de verdachte is opgetreden dat de geweldpleging tegen de aangeefster vanaf het begin op straat tot het einde in de woning ononderbroken is doorgegaan, en dat haar vooral aan het hoofd ernstig letsel is toegebracht. De dubbele kaakfractuur duidt erop dat de stompen en slagen en overige vormen van mishandeling en hun gevolgen zodanig krachtig waren dat zij andere, letale, fracturen hadden kunnen veroorzaken.

Dat brengt mee dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij door zijn handelingen de dood van de aangeefster zou veroorzaken.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde

Door de aangever is bij de politie verklaard dat hij, terwijl hij de verdachte probeert te kalmeren na een conflict met diens broer, ineens aan zijn rechteroog een heftige pijn voelt. Hij ziet een lichtflits en valt op de grond. Hij trekt de conclusie dat hij van de verdachte een vuistslag op zijn rechteroog heeft gekregen. “De dreun kwam hard aan en veroorzaakte veel pijn bij mij. Door deze dreun kwam mijn rechtoog dicht te zitten waardoor ik op dit moment niets meer kan zien, aldus de aangever.

In het dossier bevindt zich een foto van het gezicht van aangever waarop is te zien dat de oogleden van het rechteroog gezwollen zijn; onder de wenkbrauw is een verwonding te zien met geronnen bloed, in de wenkbrauw en tussen de wenkbrauw en de neus zijn wonden te zien en onder het oog, op het jukbeen is de huid eveneens tot bloedens toe beschadigd.

Uit de medische informatie blijkt dat het slachtoffer een bloeduitstorting rondom zijn rechteroog met een wond in de rechter wenkbrauw heeft opgelopen. De wond werd gelijmd met weefsellijm en er is kans op een blijvend litteken.

Uit de verklaring van de aangever, hetgeen op de foto is te zien en de medische informatie concludeert het hof dat de verdachte met grote kracht volstrekt onverwacht het oog vol met de vuist heeft geraakt.

Van algemene bekendheid is dat een dergelijke slag tot onherstelbaar oogletsel en/of fractuur van de oogkas kan leiden. Door het onverwachte karakter van de vuistslag heeft de aangever op geen enkele wijze de slag kunnen afweren, de kracht kunnen breken of het hoofd kunnen afwenden om daardoor het gewenste effect van de slag te verminderen. Naar het oordeel van het hof betekent dit dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij door de vuistslag de aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Poging tot doodslag.

Ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde:

Poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van straf en maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de terbeschikkingstelling van de verdachte zal gelasten met bevel tot verpleging van overheidswege.

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich na het nuttigen van een grote hoeveelheid alcohol schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door een vriend met kracht in het gezicht te stompen. Korte tijd daarna heeft hij gepoogd zijn vriendin van het leven te beroven door haar meermalen met kracht tegen het hoofd en lichaam te slaan en schoppen. Het geweld - met name tegen zijn vriendin - heeft lang geduurd en is met grote heftigheid en zonder enige terughoudendheid of zelfbeheersing uitgevoerd op een wijze die getuigt van buitengewoon gevaarlijk handelen. Beide slachtoffers zijn per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Het letsel dat de verdachte zijn vriendin heeft toegebracht was dusdanig ernstig dat zij enige tijd opgenomen is geweest in het ziekenhuis en meerdere keren is geopereerd aan haar kaak, die door toedoen van de verdachte op twee plaatsen was gebroken. Ondanks deze ernstige verwondingen hadden de gevolgen van het handelen van de verdachte – die kickbokser is geweest en derhalve wist wat hij kon aanrichten - nog veel ernstiger kunnen zijn.

Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke gewelddadige delicten nog lange tijd onder de nadelige lichamelijke en/of psychische gevolgen daarvan kunnen lijden. Daarnaast veroorzaken dergelijke geweldsmisdrijven onrust en onveiligheid in de samenleving. Door omstanders is met name het geweld tegen de vriendin van de verdachte als buitengewoon schokkend en beangstigend ervaren.

Tegen een dergelijk handelen van verdachte, dat volstrekt onaanvaardbaar is en waarvoor geen enkele aanleiding was, dient streng te worden opgetreden. Het hof rekent de verdachte zwaar aan dat hij zich, ondanks dat de effecten van alcohol op zijn functioneren hem genoegzaam bekend waren, in die toestand heeft begeven. De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat overmatig alcoholgebruik voor hem nog steeds een probleem vormt.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 8 oktober 2007, is de verdachte meermalen veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten liep de verdachte nog in de proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling wegens een ander geweldsdelict.

Het hof heeft kennisgenomen van de rapportages van:

- de deskundige dr. Max J. van Trommel, psychiater, gedateerd 16 februari 2007. Deze rapportage houdt onder meer het volgende in – zakelijk weergegeven -:

Betrokkene lijdt aan een ziekelijke stoornis in de zin van ADHD, misbruik van alcohol en cannabis, alsmede een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale, narcistische, theatrale en borderline kenmerken.

Betrokkene was ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten lijdende aan deze ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Indien bewezen zal worden dat betrokkene schuldig is aan het tenlastegelegde adviseert onderzoeker vanuit psychiatrisch gezichtspunt beschouwd, betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.

Aangezien de stoornis ernstig is en vanwege het ontbreken van ziekte-inzicht en motivatie voor behandeling, kan van een relatief kortdurende behandeling geen vermindering van recidive risico worden verwacht.

De mogelijkheid van het opleggen van een TBS met voorwaarden komt hierdoor niet in aanmerking. Een behandeling binnen dit kader is te kort om hier gunstig resultaat van te verwachten.

Bovendien staat of valt een behandeling onder voorwaarden met het zich houden aan afspraken. Betrokkene is niet in staat gebleken zich aan afspraken te kunnen houden.

Op grond van het voorgaande kan niet worden ontkomen aan het advies tot het opleggen van een TBS met dwangbehandeling. De behandeling zal een langdurig karakter hebben, waarbij aandacht moet worden besteed aan het onder controle brengen van betrokkenes persoonlijkheidsstoornis, de ADHD en zijn alcoholmisbruik.

- de deskundige drs. B.W. Roelofs-van Bon, gedateerd 26 februari 2007, klinisch psychologe. Deze rapportage houdt onder meer het volgende in – zakelijk weergegeven -:

Bij betrokkene is sprake van een persoonlijkheidsstoornis (antisociale, narcistische, theatrale en borderline trekken), ADHD en misbruik van alcohol en cannabis. Ten tijde van het tenlastegelegde was sprake van misbruik van alcohol, ADHD en een persoonlijkheidsstoornis. Indien het tenlastegelegde bewezen wordt geacht, concludeert onderzoekster vanuit gedragskundig oogpunt daarom tot een verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Een behandeling van betrokkene dient zich te richten op de persoonlijkheidsstoornis, de ADHD en het alcoholmisbruik en heeft alleen kans van slagen in een klinische setting. De behandeling zal moeilijk en langdurig zijn. Wegens het tekort aan motivatie en lijdensdruk, het feit dat het voor betrokkene moeilijk is zich aan afspraken te houden, en de benodigde lange duur van een behandeling, is een verplicht kader geïndiceerd en wel het juridische kader van tbs. Navraag leert dat het gezien de gecompliceerde problematiek niet mogelijk zal blijken om voor betrokkene de geschikte klinische setting te vinden in het kader van een tbs met voorwaarden. Daarnaast is het aannemelijk dat de benodigde behandelduur de duur van een tbs met voorwaarden overschrijdt. Vanuit gedragskundig oogpunt resteert daarom geen ander advies dan een tbs met dwangverpleging.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van het Tripelrapport/milieuonderzoek van Reclassering Nederland, opgemaakt en ondertekend door L.C. Stelwagen, milieuonderzoeker, gedateerd 15 februari 2007.

De deskundigen dr. M.J. van Trommel en drs. B.W. Roelofs-van Bon adviseren tot het opleggen van een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Het hof is, in aanmerking nemende bovengenoemde rapportage en adviezen, en gelet op de ernst van de door de verdachte begane feiten, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaar is gesteld, van oordeel dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege eist. Het hof is van oordeel dat het opleggen van een behandeling bij bijzondere voorwaarde of het opleggen van een tbs met voorwaarden, onvoldoende garantie biedt voor daadwerkelijke behandeling.

Het hof ziet dan ook aanleiding om -nu aan de wettelijke voorwaarden van artikel 37a, eerste lid, en artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht is voldaan- de maatregel van terbeschikkingstelling van de verdachte te gelasten, met bevel tot verpleging van overheidswege.

Het hof is van oordeel dat daarnaast een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij],

ten deze wettelijk vertegenwoordigd door

mr. drs. S. Lanshage, zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde tot een bedrag van

EUR 7755,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van EUR 7755,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, groot EUR 5255,-, te weten EUR 255,- ter vergoeding van geleden materiële schade en EUR 5000,- ter vergoeding van geleden immateriële schade, en

niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

De vordering van de benadeelde partij is niet betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er materiële en immateriële schade is geleden en dat deze schade rechtstreeks verband houdt met het onder 1 bewezenverklaarde feit. De vordering van de benadeelde partij ter zake van de geleden materiële schade leent zich voor volledige toewijzing. De vordering van de benadeelde partij ter zake van de geleden immateriële schade leent zich voor gedeeltelijke toewijzing bij wijze van voorschot. Het hof zal naar maatstaven van billijkheid een bedrag toekennen van EUR 5000,-.

Voor het overige acht het hof de vordering ter zake van geleden immateriële schade niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 5255,- ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 31 mei 2006 onder parketnummer 10-701061-06 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Immers, de verdachte heeft de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van

EUR 5.255,- (vijfduizend tweehonderdvijfenvijftig euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat voorzover de vordering tot schadevergoeding is toegewezen terzake van door de benadeelde partij geleden immateriële schade, dit bedrag wordt toegewezen bij wijze van voorschot.

Bepaalt dat de benadeelde partij, voorzover zij niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding, deze vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer,

[benadeelde partij], van een bedrag van

EUR 5.255,- (vijfduizend tweehonderdvijfenvijftig euro)

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van

56 (zesenvijftig) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering van het openbaar ministerie ex artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht en gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 31 mei 2006 onder parketnummer

10-701061-06 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Dit arrest is gewezen door

mr. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, mr. M.P.J.G. Göbbels en mr. H.W.J. de Groot, in bijzijn van de griffier mr. P.M. Tolen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 oktober 2007.

Mr. M.P.J.G. Göbbels is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.