Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB6639

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
27-11-2007
Zaaknummer
699-R-06 en 709-R-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevolgen van intrekking van het verzoek tot echtscheiding in eerste aanleg. Verweerster in eerste aanleg heeft niet tijdig een zelfstandig verzoek tot echtscheiding ingediend. De rechtbank had de vrouw niet-ontvankelijk moeten verklaren. Artikelen 129,130, 282 en 283 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 10 oktober 2007

Rekestnummer : 699-R-06 en 709-R-06

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 05-378

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, voorwaardelijk incidenteel verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. A.B. Baumgarten,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster, voorwaardelijk incidenteel verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. E. Grabandt.

Als informant is aangemerkt:

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 18 mei 2006 in hoger beroep gekomen van een beschik¬king van de rechtbank te Rotterdam van 24 februari 2006.

De vrouw heeft op 16 augustus 2006 een verweerschrift ingediend. Voor zover zij al niet ontvankelijk zou zijn in haar verzoek van 24 januari 2006 (hof: het aanvullend verzoek tot echtscheiding), heeft de vrouw voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 22 mei 2006, 6 juli 2006, 8 januari 2007, 10 januari 2007, 29 juni 2007 en 5 juli 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 25 mei 2007 en 22 juni 2007 aanvullende stukken ingekomen.

De raad heeft het hof bij brief van 7 november 2006 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 6 juli 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. H. Loonstein en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. J.C. Brökling. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Verder heeft de rechtbank de verblijfplaats van de kinderen bepaald bij de vrouw en is met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een kinderalimentatie bepaald van € 410, - per maand per kind. Voorts is met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een alimentatie ten behoeve van de vrouw vastgesteld van € 4.110, - per maand. Tevens is de man veroordeeld om binnen een maand na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, € 100.000, - als voorschot aan de vrouw te betalen ter zake van de verdeling van de vermogens van partijen. Tenslotte is bepaald dat partijen over dienen te gaan tot verrekening van hun vermogen naar het recht van de Staat Israël, met benoeming van een notaris en onzijdige personen. De rechtbank heeft het meer of anders verzochte afgewezen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de uitgesproken echtscheiding, de kinderalimentatie, de partneralimentatie en de verdeling/verrekening van de gemeenschap.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de vrouw in haar verzoeken in eerste aanleg niet-ontvankelijk te verklaren, althans het in eerste aanleg door de vrouw verzochte in hoger beroep alsnog af te wijzen.

3. De vrouw heeft het beroep van de man gemotiveerd weersproken. Zij verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel dit af te wijzen, onder verwerping van alle grieven en onder bekrachtiging van de bestreden beschikking in haar onderdelen, zonodig onder aanvulling en/of verbetering van gronden, met veroordeling van de man in de kosten van het geding in hoger beroep.

Echtscheiding; ontvankelijkheid vrouw in haar verzoek tot echtscheiding

4. In zijn eerste grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte zijn verweer, inhoudende dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar zelfstandig verzoek tot echtscheiding, heeft verworpen. Hij voert daartoe aan dat het door hem ingediende inleidend verzoek tot echtscheiding bij faxbericht van zijn advocaat aan de rechtbank van 24 januari 2006 om 11.02 is ingetrokken en dat er vanaf dat moment geen verzoek meer van hem aanhangig was en evenmin een zelfstandig verzoek van de vrouw tot echtscheiding. De man stelt overigens dat, ook als intrekking alleen door een procureur plaats kan vinden, de procureur van de man op 24 januari 2006 om 16.58 de inhoud van voornoemd faxbericht aan de rechtbank heeft bevestigd, dat derhalve sprake is van bekrachtiging van de (door de advocaat van de man) om 11.02 gedane intrekking, dat daarmee de procedure beëindigd was en dat de vrouw nadien, namelijk op 24 januari 2006 om 15.12 uur, niet bij wege van vermeerdering van haar eerder ingediende zelfstandige verzoeken, die geen zelfstandige betekenis hadden zonder een aanhangig verzoek tot echtscheiding, met succes alsnog een zelfstandig verzoek tot echtscheiding kon indienen.

5. De vrouw stelt dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat zij haar zelfstandig verzoek tot echtscheiding kon beoordelen. De vrouw stelt verder dat de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk is op grond van artikel 130 lid 2 Rv. Voor zover zij al niet ontvankelijk zou zijn in haar verzoek van 24 januari 2006 (hof: het aanvullend verzoekt tot echtscheiding), dan verzoekt de vrouw in voorwaardelijk incidenteel beroep vernietiging van de overweging van de rechtbank ten aanzien van de beoordeling van het standpunt van de vrouw in het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek.

6. Het hof oordeelt ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding van de vrouw als volgt.

7. Ingevolge artikel 283 Rv was de man als verzoeker in eerste aanleg bevoegd zijn verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen. De intrekking van het inleidend verzoek op 24 januari 2006 is naar het oordeel van het hof te beschouwen als een (vorm van) integrale vermindering van het inleidend verzoek.

8. Ingevolge artikel 282 lid 4 Rv mag een verweerschrift een zelfstandig verzoek (een tegenverzoek), bevatten. Het hof verwerpt op de door de rechtbank aangegeven gronden, welke het hof hier overneemt en tot de zijne maakt, de stelling van de vrouw dat zij in (het petitum van) haar verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek ook heeft gevraagd de echtscheiding uit te spreken. Dientengevolge was er in eerste aanleg tot op het moment van intrekking op 24 januari 2006 slechts sprake van een verzoek tot echtscheiding dat door de man was ingediend.

9. De vrouw heeft in haar verweerschrift, tevens houdend zelfstandig verzoek een aantal tegenverzoeken gedaan, namelijk met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de kinderen, kinderalimentatie, partneralimentatie en verdeling van de gemeenschap, maar niet ook een zelfstandig verzoek om de echtscheiding uit te spreken. Genoemde tegenverzoeken kenmerken zich (als nevenverzoeken) daardoor dat zij slechts behandeling en beslissing behoeven in het kader van een echtscheiding. Zij delen het lot van het verzoek tot echtscheiding, met als gevolg dat de intrekking van dit verzoek de verzoekschriftprocedure in eerste aanleg doet eindigen.

10. Tussen partijen is vooreerst in geschil op welk moment het inleidend verzoek van de man is ingetrokken. Naar het oordeel van het hof is dat op het moment dat dit verzoek door de advocaat van de man is ingetrokken. Dat was op 24 januari 2006 om 11.02. Zo het faxbericht van de advocaat al geen intrekking tot gevolg had, nu voor intrekking niet vereist is dat zij schriftelijk geschiedt en daarvoor de facto dus niet de procureurseis lijkt te gelden, is het verzoek als gevolg van bekrachtiging door de procureur van de zijde van de man op 24 januari, 16.58 (met terugwerkende kracht) op 24 januari 2006 om 11.02 ingetrokken.

11. De vrouw heeft in hoger beroep ten aanzien van de stelling van de man dat de intrekking met terugwerkende kracht rechtsgevolgen heeft subsidiair opgeworpen dat een goede procesorde meebrengt dat in de tussentijd gedane handelingen geëerbiedigd worden. Het hof ziet in de omstandigheden van het geval, zoals weergegeven in rechtsoverweging 12, ook geen aanleiding te oordelen dat de goede procesorde meebrengt dat de in de tussentijd gedane handelingen geëerbiedigd moeten worden.

12. Na de intrekking heeft de vrouw op 24 januari 2006 om 15.12 een aanvullend verzoek tot echtscheiding gedaan. Primair is daarin gesteld dat de man zijn verzoek niet meer kan intrekken, onder verwijzing naar artikel 283 Rv en 130 Rv en de eisen van de goede procesorde. De vrouw heeft er in dat verband op gewezen dat de rechtbank ook ambtshalve een verandering van het verzoek buiten beschouwing kan laten op grond van dezelfde eisen en de rechtbank verzocht zulks dan ook te doen. Subsidiair verzoekt de vrouw in het aanvullend verzoek de echtscheiding uit te spreken omdat de vrouw in het petitum van haar verweerschrift tevens heeft gevraagd de echtscheiding uit te spreken. Voor zover het in het verweerschrift gedane verzoek niet als zelfstandig verzoek zou kunnen worden gekwalificeerd heeft de vrouw verzocht alsnog op verzoek van de vrouw de scheiding uit te spreken. Zij heeft er daarbij ten overvloede opgewezen dat in dit stadium het zelfstandig verzoek nog kan worden gedaan, immers aan het verzoek van de advocaat van de man van 24 januari 2006 komt geen effect toe, omdat betrokkene geen procureur in deze zaak is, aldus de vrouw in het aanvullend verzoek tot echtscheiding.

13. Het hof verwerpt het beroep van de vrouw op artikel 283 jo 130 Rv. De vrouw ziet eraan voorbij dat de intrekking van het inleidend verzoek (zeker) niet is te beschouwen als (een vorm van) verandering of vermeerdering als bedoeld in artikel 283 jo 130 lid 1 Rv, weshalve voor intrekking vooreerst niet geldt dat zij schriftelijk dient te geschieden, maar op intrekking bovendien niet artikel 130 Rv, maar (al dan niet naar analogie) artikel 129 Rv van toepassing is.

14. Nu artikel 130 Rv niet van toepassing is op de intrekking van een verzoek, verwerpt het hof ook het door de vrouw gedane beroep op het appelverbod vervat in artikel 130 lid 2 Rv.

15. Het vorenstaande voert het hof voorshands tot de conclusie dat de vrouw het aanvullend verzoekschrift tot echtscheiding heeft ingediend nadat de procedure tussen partijen was geëindigd en zij in beginsel in haar verzoek niet ontvankelijk had moeten worden verklaard.

16. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de eisen van een goede procesorde in onderhavig geval niet tot een ander oordeel voeren. Daarbij is van belang dat, anders dan de vrouw voorstaat, ingevolge het uitgangspunt van (het al dan niet analoog toe te passen) artikel 129 Rv, dat intrekking van het inleidend verzoek te allen tijde mogelijk maakt, van een verzoeker als de man niet verlangd wordt en kan worden dat hij het voornemen tot intrekking dusdanig tijdig (en, naar het hof begrijpt: buiten de rechtbank om!) aan de vrouw kenbaar had gemaakt, dat zij (naar het hof begrijpt: voor de intrekking bij de rechtbank) voldoende gelegenheid heeft om zelf haar bij verweerschrift gedane verzoeken met een verzoek tot echtscheiding te kunnen vermeerderen. Van een verzoeker als de man kan en behoeft niet te worden verwacht dat hij in het kader van de intrekking van zijn verzoek tot echtscheiding voor de belangen van de vrouw als procespartij waakt in de door de vrouw voorgestane zin. Daar komt bij dat de (advocaat van de) vrouw wist althans redelijkerwijs had kunnen weten dat in gevallen als de onderhavige te allen tijde de mogelijkheid bestaat dat de man zijn verzoek tot echtscheiding intrekt (met de hierboven geschetste gevolgen) en dat het (mede) daarom niet ongebruikelijk is om in echtscheidingszaken in het verweerschrift ook een zelfstandig verzoek tot echtscheiding te doen. Dat de vrouw dat heeft nagelaten komt voor haar risico. Het hof ziet in de omstandigheden van het geval, waaronder de door rechtbank genoemde, geen aanleiding dat risico om in het kader van de eisen van de goede procesorde op de man af te wentelen.

Laatstgenoemde eisen brengen, anders dan de vrouw stelt, ook niet mee dat de vrouw na de intrekking door de rechtbank in de gelegenheid had moeten worden gesteld zich daarover uit te laten en haar in de gelegenheid had moeten stellen een zelfstandig verzoek in te dienen.

HET VOORWAARDELIJK INCIDENTEEL BEROEP

17. Het hof is hierboven in het kader van de devolutieve werking reeds op het in het incidenteel beroep aan de orde gestelde ingegaan, weshalve dit beroep verder geen behandeling behoeft.

CONCLUSIE

18. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en de vrouw alsnog niet-ontvankelijk verklaren in haar zelfstandig verzoek tot echtscheiding, met als gevolg dat de vrouw geen belang (meer) heeft bij de behandeling van de overige (neven)verzoeken.

19. De vrouw heeft het hof verzocht om de man te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Nu de vrouw in het ongelijk is gesteld bestaat daarvoor geen aanleiding. Het hof zal de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar aanvullend verzoek tot echtscheiding;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Kamminga en Mulder, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2007.