Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB6636

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
27-11-2007
Zaaknummer
506-R-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zie ook LJNummer BB6634. Uithuisplaatsing. Belang vader bij appel. Gronden voor uithuisplaatsing duren voort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 10 oktober 2007

Rekestnummer. : 506-R-07

Rekestnr. rechtbank : J1 RK 06-961

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. E. Grabandt,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen: jeugdzorg,

2. Javid Akhtar,

wonende te Rotterdam,

hierna te noemen: de stiefvader

3. [belanghebbenden],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegouders.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 17 april 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 17 januari 2007.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 22 juni, 28 en 31 augustus 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de pleegouders is bij het hof op 19 juli 2007 een brief ingekomen.

Van de hierna te noemen minderjarige is bij het hof op 9 augustus 2007 een brief ingekomen.

Op 5 september 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. P.I. van Herwaarden, de stiefvader, bijgestaan door zijn advocaat mr. R.H.P. de Feiner, de pleegouders, namens de raad: dhr. J. Kühn en namens jeugdzorg: mw. M. Schippers en mw. H. Kleingeld. De vader en zijn raadsman, de raad, de pleegouders, de stiefvader en zijn raadsman en jeugdzorg hebben het woord gevoerd, jeugdzorg onder meer aan de hand van een bij de stukken gevoegde pleitnotitie. De hierna te noemen minderjarige heeft geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid om mondeling zijn mening ten aanzien van de uithuisplaatsing kenbaar te maken.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 november 2006. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de duur van de machtiging tot plaatsing van de hierna te noemen minderjarige in een pleeggezin verlengd tot 14 november 2007.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank in voormelde beschikkingen vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verlenging van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [kind] geboren [in] 1994, verder te noemen: [kind], voor de periode van 20 januari tot 14 november 2007.

De vader en moeder van [kind] zijn gehuwd geweest. Dit huwelijk werd op 11 november 1996 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 17 juli 1996 in de registers van de burgerlijke stand. Bij die beschikking is de moeder belast met het ouderlijk gezag over [kind]. De moeder is op 9 augustus 2003 overleden en heeft bij testament de stiefvader tot voogd benoemd. [kind] staat sinds 14 november 2006 onder toezicht en verblijft op dit moment bij de pleegouders.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, alsnog te bepalen dat [kind] bij hem zal wonen, hetzij in het kader van uithuisplaatsing, hetzij omdat aan hem inmiddels het gezag over [kind] zal zijn toegewezen.

3. De vader betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat verlenging van de duur van de machtiging tot plaatsing van [kind] in een pleeggezin noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [kind]. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank door aldus te overwegen onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn recht op gezinsleven. Voorts is de uithuisplaatsing volgens de vader niet in het belang van [kind], nu [kind] herhaaldelijk heeft aangegeven bij de vader te willen wonen. Daarnaast beschikt de vader over voldoende opvoedcapaciteiten en is bovendien toezicht op de vader en [kind] gewaarborgd door de ondertoezichtstelling. Tot slot voert de vader aan dat de weigering van de raad na de tussenbeschikking van 14 november 2006 nader onderzoek te verrichten, betekent dat de bestreden beschikking op een ondeugdelijke grondslag is gebaseerd.

4. De pleegouders betogen dat zij het geen goed idee vinden de uithuisplaatsing op te heffen en [kind] terug te plaatsen bij de vader. Zij voeren daartoe aan dat de vader gebrekkig Nederlands spreekt, nauwelijks contacten heeft met de Nederlandse samenleving, geen zelfstandige woning heeft en over onvoldoende opvoedcapaciteiten beschikt. Voorts is het volgens hen niet verstandig de rust die [kind] thans heeft te onderbreken door opheffing van de uithuisplaatsing.

5. De raad stelt zich ter terechtzitting op het standpunt dat de vader voor wat betreft zijn opvoedingskwaliteiten een eenzijdig beeld heeft van de situatie. Zo is de vader van mening dat de problemen met [kind] door de omgeving worden veroorzaakt en dat [kind] een gezond kind is dat niets mankeert. Verder lijkt de vader er geen voorstander van te zijn dat [kind] contacten met de volwassenen in zijn omgeving onderhoudt, die wel in zijn belang zijn, aldus de raad.

6. Jeugdzorg stelt ter terechtzitting dat het in het belang van [kind] is dat de huidige situatie voorlopig wordt gehandhaafd. Dat wil zeggen dat [kind] bij de pleegouders verblijft en dat de voogdij bij jeugdzorg blijft.

7. Alhoewel het hof van oordeel is dat, gelet op de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing, die nog slechts tot 14 november 2007 loopt, alsmede op de door het hof bij beschikking van 10 oktober 2007 gedane uitspraak in de gezagszaak, de vader geen, althans beperkt, belang heeft bij een beslissing op onderhavig verzoek, zal het hof het verzoek van de vader toch inhoudelijk behandelen.

Uit de aan het hof overgelegde stukken en uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de pleegouders in staat zijn een stabiel opvoedingsklimaat te scheppen, waarin continuïteit in de dagelijkse verzorging en opvoeding van [kind] gewaarborgd is. De vader heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij op dit moment een stabiele en veilige thuissituatie kan bieden, waarin de minderjarige de structuur, rust en veiligheid wordt geboden, die hij zo nodig heeft. Het hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat de vader de problemen waarmee [kind] op dit moment te maken heeft niet lijkt te onderkennen. Nu nog altijd wordt voldaan aan de wettelijke gronden voor de uithuisplaatsing, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Van Leuven en Van Montfoort, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2007.