Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB6495

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-10-2007
Datum publicatie
25-10-2007
Zaaknummer
2200434506
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BU7733
Herziening: ECLI:NL:HR:2016:1344, Afwijzing
Herziening: ECLI:NL:HR:2017:2230
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moordzaak te Sas van Gent.

16 jaar gevangenisstraf voor moord, pogingen daartoe, bedreigingen en belaging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 299
NBSTRAF 2007/452
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004345-06

Parketnummer(s): 12-715318-05 en 12-706498-06

Datum uitspraak: 25 oktober 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 15 juni 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 1961,

thans gedetineerd in [detentie-adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 3 mei 2007, 12 juli 2007, 13 september 2007, 4 oktober 2007 en 11 oktober 2007.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg op vorderingen van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaardingen en van de vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Het hof heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien.

Het zal die nummering in dit arrest aanhouden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde onder 1 primair (moord), 2 primair (poging tot moord), 3 primair (poging tot doodslag), 4 en 5 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en het inbeslaggenomene als nader in het vonnis omschreven.

De rechtbank heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte voor het tenlastegelegde onder feit 4, voor zover het betreft de periode tot en met 21 april 2005.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Verweer met betrekking tot partiële niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte ter zake van feit 4

In eerste aanleg heeft de rechtbank –ambtshalve- het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte voor het tenlastegelegde onder feit 4, voor zover het betreft de periode tot en met 21 april 2005.

Tegen de overweging dienaangaande van de rechtbank in het vonnis waarvan beroep heeft de advocaat-generaal in hoger beroep betoogd dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is in zijn vervolging van de verdachte voor de bedreigingen, die vermoedelijk hebben plaatsgevonden in de periode van 1 januari 2005 tot en met 21 april 2005, op gronden als in zijn schriftelijke requisitoiraantekeningen weergegeven.

De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging dient te worden verklaard voor het tenlastegelegde onder feit 4, voor zover het betreft de periode tot en met 21 april 2005, nu deze vervolging in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Ter adstructie van het verweer heeft de verdediging aangevoerd dat op grond van de inhoud van de namens de officier van justitie aan de verdachte gestuurde brief op 9 juni 2005, alsook de omstandigheid dat er geen artikel 12 Sv procedure is opgestart en gelet op de omstandigheid dat het onder 4 tenlastegelegde op de oorspronkelijke dagvaarding –die is opgesteld ná de ‘bekennende’ verklaring van de verdachte d.d. 28 september 2005, desondanks als begindatum 1 mei 2005 vermeldt- bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is opgewekt dat hij voor deze feiten niet strafrechtelijk zou worden vervolgd.

Het hof overweegt dienaangaand als volgt.

Hoewel het Wetboek van Strafvordering geen rechtsgevolgen verbindt aan een informeel sepot zoals in de onderhavige zaak aan de orde is, is onomstreden dat een zodanig sepot in beginsel wel een gebondenheid daaraan voor het openbaar ministerie met zich meebrengt.

De voor het justitiële beleid verantwoordelijke organen mogen uiteraard niet naar willekeur handelen, maar zijn gebonden aan jegens een verdachte gedane toezeggingen die bij laatstgenoemde gerechtvaardigde verwachtingen hebben opgewekt.

Daargelaten het feit dat de ‘bekennende’ verklaring van de verdachte van 28 september 2005 een omstandigheid oplevert die een terugkomen van het openbaar ministerie op een onvoorwaardelijke en uitdrukkelijke toezegging aan de verdachte rechtvaardigt, acht het hof het niet aannemelijk dat op grond van de door de raadsman aangevoerde feiten en omstandigheden bij de verdachte de verwachting was opgewekt dat hij voor de feiten van vóór 21 april 2005 niet meer zou worden vervolgd. Indien er aan de feiten en omstandigheden zoals door de raadsman zijn aangevoerd enig vertrouwen zou zijn ontleend dat de verdachte niet zou worden vervolgd voor de feiten van vóór 21 april 2005, had het immers voor de hand gelegen dat zijdens verdachte daarop in een zo vroeg mogelijk stadium van de tegen hem lopende strafprocedure een beroep zou zijn gedaan. De raadsman heeft echter voor het eerst in hoger beroep –bij pleidooi- een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan, overigens zonder aan te geven waarom dit in eerste aanleg is nagelaten. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van het hof van een bij de verdachte opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen niet worden gesproken, zodat een beroep daarop de verdachte niet toekomt.

Het openbaar ministerie is mitsdien ontvankelijk in de vervolging voor het onder 4 tenlastegelegde, zoals gewijzigd in eerste aanleg.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Partiële vrijspraak

Met de verdediging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten tezamen en in vereniging met een ander heeft begaan, zodat de verdachte van het onder 1 en 2 tenlastegelegde medeplegen, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair (moord), 2 primair (poging tot moord), 3 primair (poging tot moord), 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 15 september 2005, te Sas van Gent, gemeente Terneuzen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen een kogel in de buik van die [slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op 15 september 2005, te Sas van Gent, gemeente Terneuzen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, zich met een geladen vuurwapen naar de woning van die [slachtoffer 2] heeft begeven en –na op de zich nabij die woning bevindende [slachtoffer 3] te hebben geschoten- de woning van die [slachtoffer 2] is binnengegaan op zoek naar die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 15 september 2005, te Sas van Gent, gemeente Terneuzen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, van korte afstand met een vuurwapen (Winchester, model 94, kaliber .30-30 Win) op het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft geschoten terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op tijdstippen in de periode van 1 maart 2005 tot en met 14 september 2005, in de gemeente Terneuzen, telkens [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte telkens opzettelijk dreigend tegen voornoemde personen gezegd, dat:

- ze de kinderen straks alleen maar konden zien op het kerkhof, en/of

- hij de kinderen dood/weg zou maken, en/of

- hij hen kapot en/of dood zou maken, en/of

- je van een kerkhof niemand kan terughalen,

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

hij in de periode van 24 maart 2005 tot en met 14 september 2005, in de gemeente Terneuzen, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2], met het oogmerk die [slachtoffer 2], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door:

- die [slachtoffer 2] telefonisch en/of schriftelijk ongewenst te benaderen, en/of

- zich in de buurt van de woning van die [slachtoffer 2] te bevinden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere (bewijs)overwegingen

Ten aanzien van feit 2:

Onder feit 2 primair en subsidiair wordt de verdachte verweten zich schuldig gemaakt te hebben aan poging tot moord c.q. doodslag op zijn toenmalige vrouw [slachtoffer 2]. De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat aan een veroordeling van de verdachte voor dit feit in de primaire en subsidiaire vorm in de weg staat dat de verdachte, nadat zijn vrouw zich uit de voeten had gemaakt, niet achter haar is aangegaan om zijn plan te voltooien en dat uit zijn actieve handelingen moet worden afgeleid dat hij het plan heeft laten varen om haar van het leven te beroven, hetgeen mede gelet op de hele houding van de verdachte opgevat dient te worden als vrijwillige terugtred ten gevolge van omstandigheden van de wil van de verdachte afhankelijk. Dat zijn vrouw zelf dan wel andere externe factoren hebben bijgedragen aan het niet voltooien van de poging, is niet van invloed op de straffeloosheid van de verdachte. Zelfs al zou er sprake zijn van een voltooide poging, dan nog is een beroep op vrijwillige terugtred niet uitgesloten, namelijk wanneer het optreden van de verdachte naar de aard en het tijdstip geschikt is om het intreden van het gevolg te beletten. Hiervan is sprake nu de verdachte direct na het schot op zijn schoonmoeder [slachtoffer 1] de buitendeur van de woning heeft dichtgedaan, zodat niemand meer kon binnenkomen, en hij het wapen in de keuken op de tafel heeft gelegd. De verdachte heeft er niet meer aan gedacht om buiten achter zijn vrouw aan te gaan en wilde niet nog meer schade aanrichten of er een toestand van maken. De raadsman verbindt aan dit alles de conclusie dat de verdachte moet worden ontslagen van rechtsvervolging.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte reeds in augustus 2005 het plan heeft opgevat om zijn schoonmoeder, zijn vrouw en tenslotte zichzelf van het leven te beroven. Hiertoe is hij met een in augustus 2005 door hem aangeschaft geweer met munitie naar de woning van zijn schoonmoeder en zijn vrouw gegaan, welk geweer hij onderweg naar de woning met munitie heeft geladen. De verdachte wilde de woning, alwaar hij zijn schoonmoeder en vrouw verwachtte te zullen aantreffen, langs de achterzijde betreden om niet te worden waargenomen met het wapen. Aldaar bleek de achterdeur afgesloten. De verdachte heeft buiten per ongeluk rumoer veroorzaakt waarvan hij dacht dat dit binnen was gehoord. Zijn vrouw bevestigt dit ook; zij heeft haar zuster verwittigd, die zich vervolgens samen met haar zoon [slachtoffer 3] naar de woning heeft begeven. De verdachte is op het terras gebleven en op een tuinstoel gaan zitten met het wapen in zijn handen en de vinger aan de trekker. Blijkens zijn bij de politie op 16 september 2005 afgelegde verklaring heeft de verdachte gehoord dat zijn neef [slachtoffer 3] en diens moeder aan de voorzijde van de woning waren. Hij hoorde hun stemmen en hoorde [slachtoffer 3] moeder (verdachte’s schoonzuster) aan iemand anders die zich kennelijk op straat bevond, vragen: “Heb je hier niets gezien?”. Kort nadien hoorde hij de achterdeur van de woning open gaan en zag hij dat [slachtoffer 3] naar buiten kwam. Toen hij zag dat [slachtoffer 3] op hem afkwam, heeft hij het wapen direct met de handle doorgeladen. Bij de politie heeft de verdachte op 28 september 2005 hierover verklaard, dat hij op het moment dat de achterdeur openging reeds het wapen met een beugel heeft doorgeklikt om de kogel in de loop te verplaatsen. Hij wist dat het overhalen van de haan voldoende was om de kogel weg te schieten. Bij de rechter-commissaris bij zijn inbewaringstelling heeft hij ook aldus verklaard. Bij de politie heeft hij op 16 september 2005 verder verklaard dat hij het wapen op [slachtoffer 3] heeft gericht, naar hij denkt op buikhoogte, en direct de trekker heeft overgehaald. Dat hij [slachtoffer 3] heeft geraakt, was hem duidelijk door de pijnlijke reactie van deze [slachtoffer 3], die zich vervolgens omdraaide en de woning weer is binnengegaan. De verdachte is na het schot heel even blijven zitten en vrijwel direct daarna achter [slachtoffer 3] aan de woning ingelopen. Bij het binnengaan van de woning heeft hij het geweer nogmaals doorgeladen. In de keuken zag hij veel bloed afkomstig van het slachtoffer. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij, toen hij in de woning was, via de openstaande voordeur mensen zag wegrennen. Hij dacht dat daar zijn vrouw bij was omdat hij haar niet in de woning aantrof. Hij hoorde gegil en geroep. Er werd geroepen dat de politie gebeld moest worden. Hij herkende daarbij de stem van zijn vrouw. Bij de rechter-commissaris bij zijn inbewaringstelling heeft de verdachte verklaard dat hij, toen hij in de hal stond en zag dat zijn vrouw, haar zuster en [slachtoffer 3] al buiten liepen, dacht: “de vogel is gevlogen”. Desgevraagd ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte hierover verklaard: “Ik dacht dat op het moment dat ik alleen mijn schoonmoeder nog aantrof in de woning. Ik heb er niet aan gedacht om buiten achter mijn vrouw aan te gaan. Als mijn vrouw nog in de woning zou zijn geweest, zou ik zeker ook op haar hebben geschoten”. Toen de verdachte in de hal stond, zag hij toen hij naar links keek zijn schoonmoeder in de woonkamer op bed zitten met een telefoon in haar hand. Hij heeft toen direct op haar geschoten en haar geraakt. Op 28 september 2005 heeft hij hierover bij de politie verklaard, dat hij het wapen op heuphoogte had en vanuit de heup schoot. Op 16 september 2005 heeft hij bij de politie verklaard, dat hij zijn wapen op zijn schoonmoeder heeft gericht en dat hij haar raakte in haar buik, want kort na het schot zag hij bloed op haar slaapkleed ter hoogte van haar buik. Hij schoot omdat hij zijn eerder gemaakt plan wilde uitvoeren. Nadat hij op zijn schoonmoeder heeft geschoten, heeft hij eerst de voordeur van de woning dichtgedaan en daarna de achterdeur van de woning. Bij het terugkomen van de achterdeur heeft hij zijn wapen op de keukentafel gelegd. Hij heeft in de keuken een briefje geschreven. Daarna heeft hij nog enige tijd gesproken met of tegen zijn schoonmoeder. In de tussentijd is hij ook nog bij de slaapkamers van de kinderen geweest. Tenslotte is hij in het toilet van de woning gegaan, alwaar hij hoorde dat buiten de politie was aangekomen, aan wie hij zich kort daarop heeft overgeleverd.

Uit het vorenstaande leidt het hof af, dat er sprake is van een voltooide poging tot moord op zijn vrouw als bewezenverklaard. Haar vlucht uit de woning – van de wil van de verdachte onafhankelijk - heeft het intreden van het op haar gerichte gevolg belet, waarna de verdachte nog is voortgegaan met de uitvoering van zijn plan voor zover gericht op zijn schoonmoeder, een evenzeer belangrijk onderdeel daarvan. De handelingen van de verdachte, waaraan de verdediging refereert om vrijwillige terugtred te bepleiten, vormen naar het oordeel van het hof geen feiten of omstandigheden ten aanzien van zijn vrouw om nog vrijwillige terugtred voor zover het haar betreft aan te nemen. Aan haar – van de wil van de verdachte onafhankelijke – onbereikbaarheid voor de verdachte kan als omstandigheid niet worden voorbijgezien. Voorts overweegt het hof dat hoewel de verdachte zich te dien tijde mogelijk realiseerde dat (ook) hij verkeerd bezig was, de bedoelde handelingen meer passen in het verbrokkeld raken van zijn rigide plan om in de woning zijn schoonmoeder en zijn vrouw van het leven te beroven, blijkens ook zijn gedachte: “De vogel is gevlogen” en zijn tegenover de politie op 16 september 2005 afgelegde verklaring: “Indien [slachtoffer 2] nog in de woning was geweest, had ik haar absoluut ook gedood... Mijn plan is mislukt...Ik vind het jammer dat het zo gelopen is. Ik had liever mijn plan volledig uit willen voeren.”.

Derhalve is geen sprake van vrijwillige niet voltooiing en wordt het verweer verworpen.

Ten aanzien van feit 3:

De hiervoor geschetste gang van zaken brengt het hof ook tot het oordeel dat er ten aanzien van [slachtoffer 3] sprake is van poging tot moord. Ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen plan tot opzettelijke levensberoving van tenminste twee personen is de verdachte met voorbedachten rade gegaan naar de woning waarin deze personen verbleven. Aldaar was hem duidelijk dat anderen zich bij hen hadden gevoegd. Toen de achterdeur vervolgens werd geopend, heeft hij zijn geladen geweer direct doorgeladen en in de wetenschap dat het [slachtoffer 3] was die naar buiten was gekomen, gericht op buikhoogte, op hem geschoten, hem rakend in de borst en in de onderarmen. [slachtoffer 3] heeft op 26 september 2005 tegenover de Belgische politie verklaard dat hij, toen hij door de woning aan de tuin kwam, de verdachte opmerkte, dat hij hem recht in de ogen keek en er zeker van is dat de verdachte hem ook herkende, dat verdachte “zonder recht te staan” de loop van het vuurwapen een beetje naar boven verplaatste en zonder wachten en zonder reden in zijn richting vuurde. Voorts heeft hij verklaard: “Tussen het ogenblik dat ik hem het eerst opmerkte en het schot zijn slechts enkele seconden verlopen.”. Aangezien het door de verdachte, die in de achtertuin rumoer had veroorzaakt en die zijn schoonzuster had horen vragen of iemand iets had gezien, niet als een volslagen verrassing kan zijn ervaren dat iemand in de tuin kwam kijken, is aldus de aanslag op het leven van [slachtoffer 3], die toevallig als eerste aan de achterzijde uit de woning naar buiten kwam, doch door de verdachte goed waargenomen, niet het gevolg geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging van de verdachte, maar van een enige – zij het betrekkelijk korte – tijd tevoren genomen besluit, waarbij voor de verdachte alleen al in het tijdsverloop gemoeid met het doorladen van het geweer de gelegenheid heeft bestaan om na te denken en zich rekenschap te geven van de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad.

Ten aanzien van de feiten 4 en 5:

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is het hof van oordeel dat van eendaadse samenloop ten aanzien van de feiten 4 en 5 geen sprake is, gelet op de bewezenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Moord.

Ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde:

Poging tot moord, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde:

Belaging.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat de verdachte –naar het hof begrijpt bij het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde- heeft gehandeld in een toestand van psychische overmacht, een en ander zoals nader in zijn pleitnota onder punt 54-73 toegelicht, en dat de verdachte derhalve bij enige bewezenverklaring dient te worden ontslagen van rechtsvervolging.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van dit verweer op gronden als in zijn requisitoir-aantekeningen weergegeven.

Bij een beroep op psychische overmacht dient te worden onderzocht of sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Daarnaast kan onder omstandigheden het feit dat de verdachte zichzelf heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht.

Hetgeen namens de verdachte is aangevoerd kan de conclusie dat te dezen is gehandeld in een situatie van psychische overmacht niet dragen. Het hof overweegt daartoe –in navolging van de rechtbank- als volgt.

Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep aan de orde is geweest, is aannemelijk dat de verdachte heeft gehandeld onder invloed van sterke emoties en omstandigheden waardoor de verdachte druk heeft ervaren. Die omstandigheden betreffen de door de verdachte gestelde grote bemoeienis van zijn schoonmoeder met zijn huwelijk en zijn gezin, de door de verdachte ervaren krenkingen van zijn vrouw en zijn schoonmoeder, de beperkte omgangsregeling met zijn kinderen en zijn uiteindelijke isolement nadat de verdachte uit huis was gezet en zijn intrek had genomen in een caravan in Assenede.

Op geen enkele wijze is echter aannemelijk geworden dat deze aspecten bij de verdachte een zodanige gemoedstoestand hebben veroorzaakt dat daardoor zijn wilsvrijheid in voldoende relevante mate werd aangetast.

Niet is gebleken dat de verdachte verkeerde in een hem verontschuldigende extreme en acute vorm van een stress-situatie. Het feit dat de verdachte in de periode voorafgaand aan de pleegdatum van de feiten 1, 2 en 3 een steeds meer oplopende druk heeft ervaren, doet daaraan niet af.

Voor zover al sprake was van een van buiten komende druk, heeft de verdachte deze met name door zijn eigen toedoen in stand gehouden. De verdachte was immers zelf degene die voortdurend op verschillende manieren –meer dan eens op dreigende toon- contact zocht met zijn vrouw en zijn schoonmoeder, waardoor zijn frustraties telkens toenamen. De verdachte is in die periode ook voorbij gegaan aan een rechterlijke uitspraak inhoudende dat hij zich niet meer in de buurt van de betreffende woning mocht ophouden. Mede gelet op het bovenstaande had de verdachte redelijkerwijs weerstand aan deze emoties kunnen en behoren te bieden en eventueel maatregelen dienen te nemen ter voorkoming van escalatie van het conflict.

Daarnaast is het hof van oordeel dat de verdachte na zijn opname in het ziekenhuis in juli 2005 aan een vervolgbehandeling had kunnen deelnemen, hetgeen hij nagelaten heeft, terwijl hij wist dat zijn problemen nog steeds van grote invloed waren op zijn leven.

Tenslotte kan geenszins worden aanvaard dat de druk die de verdachte ervoer, er toe moest leiden dat hij zijn schoonmoeder en zijn echtgenote zou vermoorden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte blijkens het hierna te vermelden rapport van het Pieter Baan Centrum het ongeoorloofde daarvan heeft kunnen inzien, zij het dat hij in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid –overeenkomstig een dergelijk besef- te bepalen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Motivering van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1 primair (impliciet het primaire gedeelte daarvan), 2 primair (impliciet het primaire gedeelte daarvan), 3 primair (impliciet het primaire gedeelte daarvan), 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

15 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege wordt gelast.

Het onder 1 en 2 tenlastegelegde medeplegen kan, zoals eerder vermeld, naar het oordeel van de advocaat-generaal niet wettig en overtuigend bewezen worden, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Het hof heeft de op te leggen straf en/of maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In eerste aanleg heeft het openbaar ministerie tegen de verdachte een levenslange gevangenisstraf gevorderd terzake van de feiten 1 primair (moord op zijn schoonmoeder), 2 primair (poging tot moord op zijn vrouw), 3 primair (poging tot moord op zijn (aangetrouwde) neef), 4 (bedreiging van zijn schoonmoeder en van zijn vrouw) en 5 (belaging van zijn vrouw).

De rechtbank heeft de verdachte een gevangenisstraf opgelegd van voor de duur van 15 jaren, met aftrek van voorarrest, terzake van de feiten 1 primair (moord op zijn schoonmoeder), 2 primair (poging tot moord op zijn vrouw), 3 primair/impliciet subsidiair (poging tot doodslag op zijn neef), 4 en 5.

In hoger beroep acht het openbaar ministerie dezelfde feiten bewezen als het de officier van justitie in eerste aanleg. Het openbaar ministerie is anders dan in eerste aanleg, “ongeacht welke mate van toerekeningsvatbaarheid het hof ook zal vaststellen”, van oordeel dat de verdachte ter beschikking gesteld moet worden met bevel tot verpleging van overheidswege, zulks naast de oplegging van een gevangenisstraf van voor de duur van

15 jaren. Ingeval het hof niet aan een TBS toekomt, vordert het openbaar ministerie een tijdelijke gevangenisstraf van voor de duur van 19 jaren.

Omtrent de toedracht van de tenlastegelegde feiten, die geculmineerd hebben in het drama dat zich in de avonduren van 15 september 2005 heeft afgespeeld, wordt allereerst verwezen naar de hiervoor weergegeven nadere (bewijs)overwegingen.

Daarnaast wordt het volgende overwogen.

Sedert zijn huwelijk (in 1999) woonde de verdachte in bij zijn schoonmoeder aan de [X-straat] te Sas van Gent, samen met zijn zich in de loop der jaren uitbreidende gezin.

In de beleving van de verdachte hebben de problemen tussen hem en zijn schoonmoeder een aanvang genomen toen zijn schoonmoeder na een ziekenhuisopname van een jaar, in 2004 hulpbehoevend in de woning terugkwam en aangewezen was op verzorging door zijn vrouw. De problemen liepen zo hoog op dat de verdachte op 24 maart 2005 uit de woning is gezet; sedertdien verbleef hij in een caravan te Assenede alwaar hij al jaren doende was om een huis voor hem en zijn gezin te bouwen.

De verdachte is van mening dat hij na 24 maart 2005 alles in het werk heeft gesteld om de problemen bij te leggen. Tekenend voor zijn opstelling zijn evenwel de bedreigingen die hij vanaf de maand maart 2005 aan het adres van zijn schoonmoeder en zijn vrouw heeft geuit alsook het hardnekkig lastigvallen van deze laatste in de vorm van belaging. De verdachte was en is nog steeds van mening dat zijn schoonmoeder de kwade genius is achter zijn uithuiszetting en het verlies van zijn gezin, en in augustus 2005 is bij hem het plan geboren om op enig moment achtereenvolgens zijn schoonmoeder en zijn vrouw te vermoorden en vervolgens zichzelf van kant te maken; met dat doel heeft hij in die maand het op 15 september 2005 ook daadwerkelijk gebruikte vuurwapen met munitie aangeschaft.

Op 15 september 2005 heeft de verdachte besloten om aan de voor hem in zijn visie uitzichtloze situatie een einde te maken en zijn bovenvermeld plan in de woning aan de Beneluxstraat tot uitvoer te gaan brengen.

Hij heeft in dit verband onder meer ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij niet meer wilde leven, dat hij helemaal op was, dat hij inwendig een grote woede had opgebouwd en dat hij de hoofdschuldigen aan zijn situatie, dus zijn schoonmoeder en zijn vrouw, wilde meenemen in de dood.

Toen de verdachte rondom 21:00 uur per auto van Assenede naar Sas van Gent – een rijafstand van 5 minuten - vertrok, verwachtte hij dat hij, behalve zijn drie reeds te bed liggende kleine kinderen, alleen zijn schoonmoeder en zijn vrouw al Tv-kijkend in de woning zou aantreffen.

Als hierboven reeds overwogen is de uiteindelijke uitvoering van zijn plan anders gelopen. Hij heeft op zijn neef geschoten, zijn vrouw bleek de woning te hebben kunnen ontvluchten, om welke reden de verdachte, die haar zijn erfenis niet gunde, van zelfmoord afzag; wel is het hem gelukt om “zich van die hinderpaal” van een – invalide - schoonmoeder te ontdoen door op korte afstand op haar te schieten en haar, zwaargewond en in haar laatste levensmomenten, ter verantwoording te roepen voor hetgeen zij hem in zijn visie had aangedaan.

Omtrent de vraag of en, zo ja in hoeverre de verdachte dienaangaande toerekeningsvatbaar is, zijn inmiddels twee rapportages (met nader commentaar) voorhanden, en wel een PBC-rapport (van 23-2-06, met nader commentaar van 17-7-07) en een Pro Justitia-rapport (van 19-4-07 met bijlagen, met nader commentaar van 1-9-07). Ook zijn ter terechtzitting in hoger beroep vier van de betrokken deskundigen nog nader gehoord.

Het PBC-rapport vermeldt onder meer het volgende, zakelijk en voor zover hier van belang weergegeven.

Er zijn geen aanwijzingen voor een psychiatrische ziekte. Ook kon geen persoonlijkheidsstoornis worden vastgesteld, omdat de verdachte niet voldoet aan de algemene criteria daarvoor (nl: langdurige en ernstige problemen op het gebied van relationeel, sociaal, maatschappelijk en beroepsmatig functioneren).

De verdachte staat echter op een vrij rigide manier in het leven: als hij eenmaal een standpunt heeft ingenomen, is hij daar moeilijk vanaf te brengen. Hij is daarbij ook tamelijk zwart-wit in zijn denken en niet erg geneigd de nuance te zoeken en zich flexibel op te stellen. Zijn starheid en weinig rechtstreekse oplossingsstrategieën zijn bij hem zodanig aanwezig dat deze – hoewel niet gesproken kan worden van een persoonlijkheidsstoornis – wijzen op een gebrekkige ontwikkeling.

De verdachte kon vanuit zijn rigiditeit moeilijk verdragen dat het contact met zijn gezin niet meer hersteld kon worden en kwam vanuit zijn boosheid tot een “alles of niets” scenario. In de boosheid van de verdachte zijn weliswaar elementen te herkennen van zijn persoonlijkheidstrekken, maar ook het reële conflict heeft deze boosheid gevoed.

Er is sprake van enige doorwerking van genoemde persoonlijkheidsproblematiek in het tenlastegelegde sub 1 en 2, maar de extremiteit kan er niet door worden verklaard en heeft geen enkel precedent in de voorgeschiedenis van de verdachte. De voorbereiding wijst niet op een impulsieve daad. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat het gebruik van overmatig alcohol en eventuele ontremming daardoor een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van het tenlastegelegde.

De deskundigen komen tot de conclusie dat de verdachte ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid – overeenkomstig een dergelijk besef – te bepalen. Ten tijde van het plegen van die feiten was hij lijdende aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling dat deze hem in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Gezien de beperkte doorwerking van de persoonlijkheidsproblematiek in het tenlastegelegde kan geen uitspraak worden gedaan over het recidivegevaar zodat het onderzoekend team zich onthoudt van een advies over behandeling van de verdachte binnen een juridisch kader.

Tegenover dit rapport staat het Pro Justitia rapport dat na het vonnis in eerste aanleg op verzoek van het openbaar ministerie is uitgebracht. Daarvan luidt de conclusie dat de verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, in diagnostische zin te omschrijven als een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline en narcistische persoonlijkheidstrekken en kenmerken van psychopathie, in combinatie met overmatig gebruik van alcohol, dat hiervan sprake was ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde, en dat hij op grond van deze stoornis als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Volgens het rapport sluit de persoonlijke opstelling van de verdachte gewelddadige confrontaties binnen de familiekring in de toekomst bepaald niet uit; zijn diepliggende neiging om wraak te nemen op zijn ex-vrouw is thans nog aanwezig en kan in de verre toekomst opnieuw actueel worden. Op basis van de analyse van de gestructureerde risicotaxatiemethoden PCL-R en HKT-30, de mededelingen van betrokkene zelf, en de aard van de tenlastegelegde belaging bestaat er in de ogen van de rapporteurs een verhoogd risico op gewelddadig gedrag. In dit verband wordt in het rapport kritiek geuit op de bevindingen in het PBC-rapport: hoewel betrokkene – aldus het Pro Justitia rapport – oppervlakkig gezien, jaren acceptabel gefunctioneerd lijkt te hebben, wordt uit analyse van het materiaal en het verdiepend milieuonderzoek duidelijk dat er reeds jarenlang gesproken kan worden van marginaal en problematisch functioneren, onder meer in de vorm van het overmatig gebruik van alcohol, het vertonen van seksueel en agressief grensoverschrijdend gedrag, het (zeer) problematisch functioneren in de gezinssituatie, bij de brandweer en bij meerdere werkgevers alsook het plegen van diefstallen.

In dit rapport wordt geconcludeerd dat het zeer dringend is aangewezen dat betrokkene behandeling krijgt voor de bij hem aanwezige ernstige persoonlijkheidsproblematiek en het gevaar voor gewelddadige recidive, en dat alleen een zeer dwingend juridisch kader toereikend zal zijn in de vorm van TBS met dwangverpleging.

Uit beide rapportages volgt dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten op 15 september 2005 een persoonlijkheidsproblematiek aanwezig was en dat deze van enige invloed is geweest op zijn handelen. Over de mate van invloed zijn de rapportages evenwel verdeeld.

Het openbaar ministerie laat bij zijn eis tot onder meer TBS met dwangverpleging de mate van toerekenings-vatbaarheid van de verdachte in het midden. Het hof is evenwel van oordeel dat de mate van toerekenings-vatbaarheid dient te worden vastgesteld alvorens een uitspraak kan worden gedaan over de vraag of de gevorderde beveilingsmaatregel aan de orde is.

Uit de rapportages, de nadere commentaren over en weer en de uitgebreide bespreking met de deskundigen ter terechtzitting in hoger beroep, is bij het hof het beeld ontstaan dat het Pro Justitia standpunt met name in het nader uitgevoerde milieuonderzoek teveel (objectieve) waarde hecht aan vermoedens, gissingen en subjectieve oordelen van een aantal van de geïnterviewden. Afgezien van de doorwerking hiervan in de uitgevoerde recidive tests, is ter terechtzitting gebleken dat deze tests een aantal niet genoegzaam opgehelderde onjuistheden bevatten. Hierdoor is een kernstelling van het rapport, te weten dat de verdachte – kortweg – op vrijwel alle levensgebieden structureel heeft gedisfunctioneerd – en de daarmee samenhangende conclusies aangaande de mate van toerekeningsvatbaarheid en de risicotaxatie - in de lucht komen te hangen.

Naar het oordeel van het hof is het PBC-rapport, zoals nader toegelicht, inzichtelijk, gedocumenteerd, consistent en inhoudelijk evenwichtig. Het hof verenigt zich dan ook met de conclusie dat de verdachte wegens zijn persoonlijkheidsproblematiek enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is en dat een specifiek op deze verdachte toegesneden risicotaxatie gelegen in deze gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, ook op basis van algemene tests, niet werkelijk te maken is.

Op grond van het voorgaande moet het erop worden gehouden dat de bewezenverklaarde feiten, en in het bijzonder het gebeurde van 15 september 2005, voor het merendeel een uitvloeisel zijn van de vrije wilsbepaling van de verdachte. En de vrije wilsbepaling leent zich per definitie niet voor een behandeling in het kader van een TBS. Het hof ziet dan ook geen aanknopingspunten voor het opleggen van een zodanige maatregel.

De maat voor verdachtes handelen was aldus het eenzijdig doorzetten van zijn eigen gelijk, hetgeen is geculmineerd in de buitengewoon morbide en excessieve delicten van 15 september 2005. Het hof acht de verdachte dienaangaande slechts enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.

Uit de verklaringen van de verdachte in de loop van de strafrechtelijke procedure blijkt hier en daar wel geleidelijk aan van enige spijt, maar niet ten aanzien van de moord op zijn schoonmoeder, terwijl de verdachte zich mede blijkens de door hem geschreven brieven nog steeds dwingend zo niet dreigend tegenover zijn inmiddels ex-vrouw en haar naaste omgeving opstelt. Afgezien van het gruwelijke en schokkende karakter van de bewezenverklaarde feiten, in het bijzonder die van

15 september 2005, baart de onverbeterlijkheid van verdachte’s houding het hof ernstige zorgen.

Het hof is dan ook van oordeel dat een gevangenisstraf van lange duur een passende reactie vormt, zowel vanuit vergeldingsoogpunt als vanuit speciale preventie ten aanzien van verdachte’s ex-vrouw en zijn uit haar geboren kinderen.

Voorzover deze – Belgische – verdachte ingevolge een strafexecutie in België in het kader van een vervroegde invrijheidsstelling in België weer snel op vrije voeten verwacht te zijn, hecht het hof eraan op te merken dat uit een oogpunt van beveiliging er bij de na te noemen gevangenisstraf vanuit is gegaan dat de in Nederland gebruikelijke VI-termijn op deze verdachte zal worden toegepast.

Beslag

De advocaat-generaal heeft met betrekking tot de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen geconcludeerd overeenkomstig de beslissing van de rechtbank in het vonnis waarvan beroep.

De na te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan en/of die bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte onder 1, 2 en 3 begane misdrijven zijn aangetroffen, aan verdachte toebehoren en kunnen dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke misdrijven, dienen naar het oordeel van het hof te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit van een en ander in strijd is met de wet.

Ten aanzien van de overige na te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

Vorderingen tot schadevergoeding

Ten aanzien van feit 1:

In het onderhavige strafproces hebben de nabestaanden van [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 8.044,32.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, groot EUR 5.310,73 (EUR 4.290,73 terzake van kosten van de begrafenisondernemer en EUR 1.020,- terzake van advocaatkosten)en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij evenwel aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van feit 3:

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 10.000,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van deze benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden, dat deze schade rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde feit en dat derhalve de vordering van de benadeelde partij ter zake van de geleden immateriële schade zich leent voor toewijzing. Naar maatstaven van billijkheid zal het hof een bedrag toekennen van

EUR 10.000,-.

Het door het hof toegewezen bedrag terzake van de door de benadeelde partij geleden immateriële schade wordt toegewezen bij wijze van voorschot.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van

EUR 8.044,32 ten behoeve van de nabestaanden van [slachtoffer 1].

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van

EUR 10.000,- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3].

Bij gebreke van aangevoerde feiten en omstandigheden acht het hof geen termen aanwezig voor het bepalen van een betaling in termijnen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45(oud), 57, 285(oud), 285b en 289(oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair (moord), 2 primair (poging tot moord), 3 primair (poging tot moord), 4 en 5 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

1 geweer, kleur: zwart, merk: Winchester 94,

10 stuks munitie, merk: 30-30,

onder 7 en 9 vermeld op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave van:

1 jas,

1 trui,

1 overhemd,

1 broek,

2 schoenen,

1 afscheidsbrief,

onder 1, 2, 3, 4, 6 en 8 vermeld op de voormelde lijst, aan de verdachte.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de nabestaanden van [slachtoffer 1] tot het gevorderde bedrag van

EUR 8.044,32 (achtduizend vierenveertig euro en tweeëndertig cent)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaanden van [slachtoffer 1], van een bedrag van

EUR 8.044,32 (achtduizend vierenveertig euro en tweeëndertig cent)

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 70 (zeventig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] tot het gevorderde bedrag van

EUR 10.000,- ( tienduizend euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voorzover de vordering tot schadevergoeding is toegewezen terzake van door de benadeelde partij geleden immateriële schade, dit bedrag wordt toegewezen bij wijze van voorschot.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 3], van een bedrag van

EUR 10.000,- (tienduizend euro)

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 80 (tachtig) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Dit arrest is gewezen door mr. Ritter, mr. Kramer en mr. Le Clercq-Meijer,

in bijzijn van de griffier mr. Jans.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 oktober 2007.